Wieringen (gemeente Wieringen) betekenis & definitie

Voormalig eiland met een langgerekte structuur, waarvan de kern bestaat uit een eindmorene van het landijs in de vorm van de keileemrug ‘De Hoge Wal’. Deze stuwwal, die in het westen het hoogst is (circa dertien meter), werd in de voorlaatste ijstijd van het Pleistoceen (het Saalien) gevormd en in de laatste ijstijd (het Weichselien) met een laag dekzand opgehoogd. Stormvloeden in de vroege middeleeuwen zorgden voor de afscheiding van het vasteland, waarna in de 12de eeuw een eiland overbleef.

Wieringen, voor het eerst in de 10de eeuw genoemd, en in 1184 onder deze naam bekend, aanvaardde in 1284 het gezag van de graaf van Holland. In 1432 kreeg Wieringen enkele handelsrechten van gravin-weduwe Margaretha. Al in 1541 was er een plan om aan de zuidoostzijde een deel van de buitendijkse gronden in te polderen, maar deze liepen in de 17de eeuw weer onder. De uiteindelijke bedijking geschiedde pas in 1845-'46, in de vorm van de polder Waard-Nieuwland. Rondom het eiland werd tot circa 1930 naar wier gevist, eerst ten behoeve van de dijkaanleg en later onder meer ten behoeve van matrasvullingen. Op de punt bij Westerland stichtte men in 1806 een quarantaine-inrichting (opgeheven 1876). Oorspronkelijk had het eiland geen haven, maar in 1890 groef men een haven aan de zuidwestzijde bij De Haukes en in 1900 een haven bij Den Oever.

Na de stormramp van 1916 kwamen de plannen voor een afsluitende dijk in een stroomversnelling. Het eiland werd middels de Amsteldiepdijk (1921-'24) met het vasteland verbonden en middels de Afsluitdijk (1929-'32) met Friesland. Ter ontlasting van de in 1864 verharde Koningsweg legde men in 1930 dwars over het eiland een betonweg aan (nu N99). De Waddendijk aan de noordzijde is rond 1987 op Deltahoogte gebracht. De belangrijkste nederzettingen op het eiland zijn: Den Oever, Hippolytushoef, Oosterland en Westerland. Zie hiervoor elders in dit boek.

Gepubliceerd op 30-05-2017