Hoorn betekenis & definitie

Stad, ontstaan bij de afdamming van het gegraven water de Gouw. Die dam, met mogelijk een sluis erin, lag ter plaatse van het huidige Rode Steen in de Westfriese Omringdijk. Deze dijk volgde het tracé van het huidige Grote Oost en liep via het West verder in één rechte lijn naar Schardam. In 1375 werd het dijkvak tussen Hoorn en Scharwoude teruggelegd door achter deze dijk een nieuwe te leggen die uiteindelijk de waterkering overnam waarna het Hoornse Hop ontstond. Begin 14de eeuw werd de nederzetting bij de dam voor het eerst vermeld. In 1357 ontving Hoorn stadsrechten van graaf Willem V.

De vermoedelijk eerste, aan St. Cyriacus gewijde, kerk kwam tot stand in 1323 (afgebrand 1328) en werd in 1369 herbouwd aan de Kerkstraat. Er werden diverse kloosters gesticht, waaronder het Catharinaklooster (1400), het Ceciliaklooster (1400), het Geertenklooster (1404) en het Mariaklooster (1408). De bouw van de Noorderkerk begon in 1426. Rond die tijd kreeg Hoorn zijn eerste vestingwerken in de vorm van een waarschijnlijk aarden wal die van de Westersingel via de Veemarkt en de Turfhaven reikte tot de Slapershaven aan de oostzijde.

Begin 15de eeuw bloeide de haringhandel in Hoorn. Vanouds bereikte het buitendijkse gedeelte van de Gouw via een bocht de dam en het daarachter als haven ingerichte water (‘slusekolc’). Dit buitendijkse water van de Gouw - waar in 1341 aan de zuidzijde al de Nieuwendam was opgeworpen - werd rond 1420 verder omgevormd tot haven (ter plaatse huidige Appelhaven). Gelijktijdig werd binnendijks de Gouw gedeeltelijk gedempt (Kerkstraat); de rest volgde in 1561 en 1584. Voor de grotere schepen bouwde men in 1464 een afmeerplaats met steiger, het ‘Houten Hoofd’. Door de ophoging van het Baatland ontstond rond 1500 de Binnenhaven (ook Oude Doelen genoemd). In de aangrenzende 15de-eeuwse haven werden eilanden aangeplempt (Venidse, Oude Doelenkade), waarna het havenrestant Appelhaven ging heten.

Vanaf 1507 werden de vestingwerken verbeterd en iets noordelijker uitgelegd (Nieuwland) langs de Baanstraat en Achter de Vest. De Gelders-Friese bende van Grote Pier kon mede hierdoor in 1518 buiten de wallen worden gehouden. De verbetering werd afgesloten met de bouw van de Hoofdtoren (1532). In 1572 kwam Hoorn in het Staatse kamp, waarna in 1576-'78 naar plannen van Adriaen Anthonisz een uitbreiding naar het oosten volgde. Daarbij kwamen de Kleine Oost en de Karperkuil binnen de stad te liggen. Ten zuiden van de Karperkuil legde men in 1608 een haven aan ten behoeve van de werven van de V.O.C. (Binnenluiendijk). Kort na 1650 ontstonden nog verder zuidwaarts de Grashaven (of Admiraliteitshaven) en de Buitenhaven, met daartussen het Oostereiland. Inmiddels had Hoorn zijn bloeiperiode als zeestad gehad en kreeg het als landstad een veel bescheidener rol als streekcentrum met vee- en kaasmarkten. De oude havens werden in 1777 door een sluis bij de Hoofdpoort van de zee afgesloten.

In de 18de eeuw werd er weinig gebouwd en in 1797 sloopte men het oude stadhuis, dat vermoedelijk sinds 1420 op de Rode Steen stond. Dit werd gevolgd door de sloop van meer gebouwen, waaronder vier van de vijf stadspoorten: Oude Oosterpoort (1818), Noorderpoort (1850), Koepoort (1871) en Westerpoort (1872). Men dempte de Turfhaven (1878-'79) en het Waaitje (1878, huidige Veemarkt). In het havenkwartier werd de Binnenluiendijk deels gedempt (1888), maar in 1912 weer tot Vluchthaven uitgebouwd. In 1857 verrees een gasfabriek (gesloopt 1989) en er kwamen scholen aan de Nieuwstraat (1876) en de Muntstraat (1882). Voor een economische oplevering zorgden de spoorverbindingen met Zaandam (1884), Enkhuizen (1885), Medemblik (1887) en Alkmaar (1898). Bovendien was Hoorn van 1863 tot 1922 garnizoensstad.

De eerste uitbreidingen buiten de vesting kwamen pas na 1900 tot stand. Het uitbreidingsplan uit 1908 (Hasselt en De Koning) leidde tot een brug over de Oosterpoortgracht bij de Pakhuisstraat naar de uitbreiding richting het Wilhelminaplantsoen. Die uitbreiding kreeg haar huidige vorm door het uitbreidingsplan uit 1932-'33 (W. Bruin). Dat plan voorzag ook in een uitbreiding ten noorden van de spoorlijn (Hoorn Noord). Na aanwijzing van Hoorn als groeikern (1966) is de stad uitgebreid aan de westzijde (Grote Waal), naar het noorden Risdam-Zuid en -Noord, vanaf 1970) en aan de oostzijde (Hoorn-Kersenboogerd, vanaf 1981). Van recente datum is de uitbreiding in het noordoosten (Bangert-Oosterpolder, vanaf 2004).

In de binnenstad is in 1953 de synagoge afgebroken. De Grashaven heeft men als jachthaven ingericht (1969) en er is een winkelcentrum gebouwd bij de Blauwe Steen (Nieuwstraat, 1976). Stadsvernieuwing heeft onder meer plaatsgevonden bij het Visserseiland (oorspronkelijk Westereiland), de Italiaanse Zeedijk (1978-'82), de Oude Doelenkade (1978) en recentelijk bij de Karperkuil. Recent is ook de nieuwe schouwburg (1999-2004, T. Alberts en M. van Huut). De binnenstad van Hoorn is een beschermd stadsgezicht. De (Herv.) Noorderkerk in Hoorn (Kleine Noord 32) [1], oorspronkelijk gewijd aan Maria, is een driebeukige hallenkerk met vijfzijdig gesloten koor en een dakruiter. De kerk zou in 1426 zijn gesticht (in hout). Van de herbouw in 1441 in baksteen resteert het middenstuk van de westgevel. Het huidige laat-gotische koor en transept verrezen in de periode 1452-'59 (d), waarna rond 1500 de noordbeuk van het schip tot stand kwam, gevolgd door de zuidbeuk (1519). Opmerkelijk is de schuine plaatsing van de met drie geveltoppen uitgevoerde westgevel (noordtop herbouwd 17de eeuw).

Bij de laat-gotische zandstenen ingangspartij (eind 15de eeuw) heeft men in 1647 in het boogveld een gebeeldhouwde Vanitas-voorstelling met skelet aangebracht. Ook de laat-gotische ingang aan de zuidwestzijde (circa 1520) kreeg rond 1600 een Vanitas-voorstelling. De middentopgevel heeft een uithangende tweezijdige wijzerplaat (midden 17de eeuw). De sacristie in de noordoosthoek is vroeg-16de-eeuws en het koorportaal 18de-eeuws. In de eind 16de eeuw geplaatste dakruiter (hersteld 19de eeuw) hangt een door Cornelis Ammeroy gegoten klok (1606). De kerk is gerestaureerd in 1936-'38 (H.J. Cramer) en in 1985-'86 (A. Hangelbroek-Gouwetor en H. Witte).

Het interieur wordt gedekt door houten tongewelven met trekbalken die rusten op zandstenen zuilen met bladkapitelen. Uit de Grote Kerk heeft men in 1631 een kleine gotische spiltrap met briefpanelen (1497) overgebracht. Tot de inventaris behoren een preekstoel (1635) met koperen lessenaar (1693), een doophek (1641) met koperen lessenaar (1682) en doopboog (1688), en verder een koorhek (1642), een tochtportaal (1643) en een aan Peter Weidtman toegeschreven orgel (circa 1720; geplaatst 1972). In de sacristie bevinden zich een 18de-eeuwse schouw en wandkast. Tegen de zuidbeuk staat een in de 17de eeuw gebouwde smalle kosterswoning (Kleine Noord 30).