(Herv.) Grote of St.-Laurenskerk in Alkmaar betekenis & definitie

De (Herv.) Grote of St.-Laurenskerk (Koorstraat 2) is een forse driebeukige basilicale kruiskerk met zijkapellen, een zevenzijdig gesloten koor met kooromgang en een dakruiter.

Een oudere, in 1382 vergrote, kerk ter plaatse raakte in 1468 zwaar beschadigd door het instorten van de onvoltooide toren, waarvoor in 1458 de fundamenten waren gelegd. Tussen 1470 en 1521 verrees de huidige laat-gotische kerk, die geldt als één van de zuiverste voorbeelden van de Brabantse gotiek in Holland. Omstreeks 1495 kwam het schip gereed. De Mechelse bouwmeester Anthonis I Keldermans leidde vanaf 1497 het werk. In 1502 bouwde men aan het transept en kort daarop zal de bouw van het koor begonnen zijn (gewijd 1521). De kerk is grotendeels bekleed met Brabantse kalksteen (Gobertange- en Ledesteen), terwijl de rijke venstertraceringen in Bentheimer zandsteen zijn uitgevoerd. Een plan voor een hoge westtoren en het doortrekken van de zijbeuken is niet uitgevoerd. Uiteindelijk maakte men hier een bakstenen portaal. Veelhoekige traptorentjes flankeren het middenschip (westzijde), de zijbeuken en de oostzijde van het transept. Aan de zuidzijde van het koor bevinden zich de voorm. sacristie (circa 1530), thans consistoriekamer, en een arcade (het zuidportaal) met daarboven de librije (circa 1585; hersteld 1714). In de hoek tussen noordtransept en kooromgang zit een aanbouw met op zolder ruimte voor de blaasbalg van het koororgel (gereed 1511). Het houten vieringtorentje bevat een door Jasper Moer gegoten klok (1525) en een carillon met 28 klokken van Melchior de Haze (1689) en zeven klokken van de firma Eijsbouts (1964). De kerk is gerestaureerd in 1923-'27 (schip) en 1940-'47 (koor), beide keren onder leiding van H. van der Kloot Meyburg. Verder heeft men in 1991-'96 een restauratie uitgevoerd.

Het rijzige interieur wordt gedekt door stenen stergewelven (zijbeuken, kapellen en kooromgang) en houten tongewelven (middenschip, transept en koor). De houten gewelven hebben gedeeltelijk nog het oorspronkelijke beschot (verwijderd 1885-'86, deels herplaatst in 1947, deels in 1999) voorzien van een decoratieve beschildering (1518-'19) met in de koorsluiting een voorstelling van ‘Het Laatste Oordeel’. Deze schildering wordt toegeschreven aan Cornelis Buys ofwel aan Jacob Cornelisz van Oostzanen. De voorm. sacristie bevat een houten tongewelf met restanten van een ornamentele beschildering. De zuilen in de kerk zijn voorzien van koolbladkapitelen.

Tot de inventaris behoren een laatgotisch koorhek en koorbanken (eerste kwart 16de eeuw, hek hersteld 1847), een doophek (1605), vijf herenbanken - waarvan twee mogelijk naar ontwerp van Jacob van Campen (1655) - een preekstoel (1665) met beeldsnijwerk van Claes Claesz. van Steenwijck en een natuurstenen voetstuk door C. de Ghilde. In de kooromgang hangt een scheepsmodel genaamd ‘De Ruyter is mijn naam’ uit 1667 (tocht naar Chatham). Het koororgel werd gebouwd door Jan van Covelens (1511) en uitgebreid door Claes Willemsz (1545). Het in 1986 gerestaureerde hoofdorgel werd gebouwd door Frans Caspar Schnitger (1725) met gebruik van een deel van het pijpwerk van het oorspronkelijke orgel van Galtus en zijn zonen Hermer en Jacobus van Hagerbeer (1639-'46). De orgelkast is ontworpen door Jacob van Campen (1643); de luiken zijn beschilderd door Caesar van Everdingen (‘Intocht koning Saul’). Boven het orgel bevindt zich een allegorische schildering van Romeyn de Hooghe (1694-'95). De kerkvloer bevat grafzerken uit de 16de-18de eeuw. Interessant zijn een in vroege renaissance-stijl uitgevoerde grafzerk met houten tombe voor de ingewanden van de in 1296 vermoorde graaf Floris V (lichaam begraven in Rijnsburg) en een koperen grafzerk voor Pieter Claesz Palinck († 1546) en zijn echtgenote Josina van Foreest († 1541).

Gepubliceerd op 22-05-2017