Frankendaal (Amsterdam) betekenis & definitie

Deze als enige in de Watergraafsmeer overgebleven buitenplaats werd in 1660 gesticht door Nicolaas van Liebergen. In 1695 werd de buitenplaats bezit van Izaak Balde, die achter het huis een formele tuin liet aanleggen. In 1733 liet hij het huis uitbreiden en verfraaien tot het huidige tweelaagse pand met souterrain.

Het afgeknotte schilddak heeft een uitzichtplateau met balustrade. De voorgevel met hoeklisenen en een pronkrisaliet in rijke Lodewijk XIV-stijl wordt geflankeerd door eenlaagse dienstgebouwen. Na 1799 vergrootte A. Dull de buitenplaats door aankoop van aangrenzende hofsteden en in 1835 richtte C. Poot de buitenplaats in tot ‘uitspanningsoord voor fatsoenlijke ingezetenen der hoofdstad’. In 1867 werd Frankendaal gekocht door de Koninklijke Nederlandse Tuinbouw Maatschappij ‘Linnaeus’ voor het stichten van een tuinbouwschool en handelskwekerij, die in 1882 werd overgenomen door de gemeente Amsterdam en ingericht als gemeentekwekerij. Het huis is in 1951 gerestaureerd.

Aan de voorzijde staat een fontein met schelpvormig bassin en beelden van stroomgoden: Amphitrite en Neptunus met daartussen Arion op een dolfijn. Deze in 1714 door Ignatius van Logteren voor de buitenplaats Driemond vervaardigde fontein werd in 1770 overgebracht in opdracht van Jan Gildemeester. In 1783 liet deze het toegangshek plaatsen, uitgevoerd in Lodewijk XVI-stijl naar een ontwerp van Jacob Otten Husly. Op een eilandje in de tuin staat een in opdracht van A. Dull aangelegde vroeg-19de-eeuwse hermitage. Vanaf 1960 zijn op het terrein openbare deeltuinen ingericht door J. Jongsma.

Gepubliceerd op 22-05-2017