Edam(gemeente Edam-Volendam) betekenis & definitie

Stad, ontstaan in de 13de eeuw na de bedijking van de Zeevang aan een dam in de veenstroom de Ye. Deze stroom heeft waarschijnlijk ter plaatse van de huidige Matthijs Tinxgracht en verder zuidwaarts (langs de Lingerzijde) gelopen om in de Zuiderzee uit te monden bij het later ontstane dorp Volendam.

Bij de Lingerzijde verrees een dichtbebouwd buurtje met de O.L. Vrouwekerk (Speeltoren). Edam wordt in 1310 voor het eerst vermeld en kreeg in 1357 van graaf Willem V stadsrechten en toestemming voor de aanleg van een tolvrije haven. Zo ontstond de Voorhaven met aan de oostzijde het Oorgat en een havenkanaal naar de Zuiderzee. De resulterende snelle economische groei leidde nog voor het einde van de 14de eeuw tot de aanleg van de Achterhaven (noordzijde) en de Nieuwehaven (zuidzijde). De laatstgenoemde werd westwaarts doorgetrokken langs de Schepenmakersdijk, om zo een verbinding met het binnenmeer de Purmer te krijgen. Kort na 1400 volgde een verdere uitbreiding van de stad naar het noorden, waar aan het eind van de Grote Kerkstraat een nieuwe kerk verrees. Rond 1500 heeft men Edam ommuurd. De stad floreerde door handel en scheepvaart en ook door de vele scheepstimmerwerven met bijbehorende houthandel en touwslagerijen. Deze bedrijvigheid concentreerde zich aan de westzijde van Edam, waar een kleine voorstad ontstond. In 1526 verleende keizer Karel V aan Edam het waagrecht.

Al bij de oprichting van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en Westfriesland (1544) was besloten tot de bouw van een binnen- en een buitensluis in de Edamse haven. Na veel protest van de stad kwamen deze Damsluis en Zeesluis in 1569 gereed. Het gevolg was de reeds gevreesde verzanding van het Oorgat, wat in 1592 leidde tot de sluiting van de haven en de opkomst van Volendam. Verder had Edam in 1587 en 1602 te lijden van stadsbranden. De scheepsbouw en houthandel bleven van belang totdat deze zich in de tweede helft van de 17de eeuw meer en meer naar Amsterdam en de Zaanstreek verplaatsten.

Door de droogmakerijen in de omgeving bleef Edam wel een bloeiend streekcentrum voor de handel in vee en kaas (Edammer kaas).

Na het midden van de 18de eeuw stagneerde de stedelijke economie. Dit werd versterkt door de aanleg van het Noordhollands Kanaal (1824), waardoor de scheepvaart de stad niet meer passeerde. In 1835-'37 werden de laatste stadspoorten afgebroken. De gedeeltelijke demping van de Achterhaven (1880) leidde tot een brede straat (Eilandsgracht). De aanleg van de tramlijn Kwadijk-Edam-Volendam (1906-'33) bracht weinig soelaas. Pas na 1950 heeft men het noordelijk stadsdeel bebouwd en na 1960 is Edam aan de zuidzijde buiten de vesting uitgebreid. Edam is een beschermd stadsgezicht.

Gepubliceerd op 26-05-2017