De (Herv.) Grote of St.-Nicolaaskerk in Edam betekenis & definitie

(bij Grote Kerkstraat 41) [1] is een forse driebeukige hallenkerk met vijfzijdig gesloten middenkoor en een zware toren van vier geledingen met ingesnoerde spits. De begin 15de eeuw opgetrokken laat-gotische toren was oorspronkelijk hoger, maar werd na een blikseminslag in 1699 hersteld met een nieuwe bovenste geleding (jaartalankers ‘1701’).

Daarin hangt een door Gerhard Schimmel gegoten klok (1701). Het vroeg-15de-eeuwse schip (1413 genoemd) werd circa 1475 met zijbeuken en een transept vergroot tot een kruiskerk. De hallenkerk ontstond bij een verbreding en verhoging van die zijbeuken rond 1500. Gehandhaafd bleven de kolommen en scheibogen van het middenschip en de westelijke vieringpijlers van het transept. Het behouden en niet uitgebouwde transept bleef minder breed dan de zijbeuken. De ondiepe uitbouw bij de eerste zuidbeuktravee diende vermoedelijk als doopkapel. Verder kwam toen het driebeukige hallenkoor tot stand, waarmee de kerk in 1518 de huidige omvang bereikte. Uit omstreeks 1540 dateren het noordportaal met verdieping, de uitbreiding van de noordbeuk langs de toren en de door Pouwels Pietersz gestichte librije aan de zuidzijde van de kerk. Dit drie traveeën brede laat-gotische bouwdeel is voorzien van speklagen en rijk beeldhouwwerk en heeft een overwelfde doorgang, een verdieping en een traptorentje met ui-vormige spits. Na 1572 diende de librije ook als Latijnse school. In 1602 ontstond na blikseminslag in de toren een stadsbrand die ook de kerk verwoestte.

Het herstel kwam gereed in 1626. Verder werd de kerk hersteld in 1779 (Jacob de Geest) en gerestaureerd in 1887 (J.Th.J. Cuypers; zuidportaal en librije), 1925-'34 (A.A. Kok), 1963-'79 en 1984-'88. Het zuidportaal is een reconstructie (1988).

Het interieur wordt gedekt door houten tongewelven met trekstangen (circa 1626).

Op de noordwand prijkt een muurschildering met de Tien Geboden (begin 17de eeuw). De kerk bevat zes 15de-eeuwse laat-gotische banken uit de Kleine Kerk. Tot de inventaris behoren een koorhek (tweede kwart 17de eeuw), een zeszijdige preekstoel vervaardigd door Harmen Jansz Bost (1649), een doophek en doopbanken (1657), twee tochtportalen, een door B. Smit gebouwd orgel (1663; gewijzigd 1716, Matthijs Verhofstad) en een kabinetorgel (circa 1840). Verder zijn er wandborden, wapenschilden en talrijke grafzerken. De kerk heeft aan de herbouw een monumentale reeks gebrandschilderde ramen overgehouden in koor (1606-'08) en schip (1624-'25). Deze werden geschonken door diverse Hollandse steden en overheidsinstellingen, het stadsbestuur en een aantal ambachtsgilden. Enkele ramen kunnen worden toegeschreven aan Lenert Pietersz., Cornelis Clock, Cornelis Willemsz, Nicolaes Delft en Dirc Gerritsz, en enkele ontwerpen aan Isaak Swanenburgh en één aan Willem Thybaut. Aan deze in 1931-'34 gerestaureerde ramen (W. Bogtman) zijn toegevoegd het gedenkraam van de kerkrestauratie (1934, W. Bogtman) en het raam voor het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland (1994, ontwerp H.H.J. Kurvers).

Het ommuurde kerkhof werd vergroot in 1828-'30, 1924-'27 en 1942. Opvallend zijn het door E. Elwell vervaardigde neoclassicistische grafmonument met engel en liggende leeuw (1888) voor F.H. Pont († 1886) en de door zijn vrienden aan hem gewijde bank (1887). Andere interessante graftekens zijn de obelisk op postament voor G. Deun († 1875) en het omheinde graf met stèle voor C.M. Versteegh († 1910).

Gepubliceerd op 26-05-2017