Concertgebouw in Amsterdam betekenis & definitie

Het Concertgebouw (Van Baerlestraat 98) ontstond op initiatief van een daartoe in 1881 opgerichte commissie. De in 1882 uitgeschreven besloten prijsvraag werd gewonnen door A.L. van Gendt (plan 1882-'83), waarna het gebouw tot stand kwam in 1883-'86 (opening 1888).

Het in internationale neoclassicistische en eclectische stijl ontworpen Concertgebouw heeft een halfronde achterbouw, vier hoekpaviljoens (met trappen) en een tempelfront met in het timpaan een gebeeldhouwde allegorie op de muziek (Joh. Franse). De kleine ovale concertzaal heeft dezelfde afmetingen als die in Felix Meritis. De grote concertzaal biedt plaats aan tweeduizend toeschouwers en heeft een kapconstructie met vakwerkspanten en trekstaven, die door een cassetteplafond aan het oog wordt onttrokken. Sinds 1891 bevat de zaal een Maarschalkerweerd-orgel. Op verzoek van W. Mengelberg (dirigent van 1895 tot 1945) heeft men in 1899 het orkestpodium verlaagd voor een betere akoestiek. Naar plannen van P. de Bruijn is in 1985-'88 aan de zuidzijde een uitbreiding aan de zaal ‘gehangen’.

Gepubliceerd op 22-05-2017