Castricum betekenis & definitie

Dorp, ontstaan als geestnederzetting op een strandwal aan de duinrand en voor het eerst vermeld in de 10de eeuw. Langs de Dorpsstraat vormde zich een lintbebouwing.

In 1664 werd de heerlijkheid Castricum bezit van de Amsterdamse regent Nicolaas Geelvinck. In 1795 had Castricum te lijden van een dorpsbrand. Het dorp was op 6 oktober 1799 getuige van de derde en laatste veldslag waarbij een invasieleger van Engelsen en Russen door Frans-Nederlandse troepen werd verslagen. Aan de westkant kwam in 1867 de spoorlijn Amsterdam-Alkmaar te lopen. Rond die tijd vestigden zich ook de eerste bollenkwekers. J.M. de Casseres maakte in 1932 en 1935 uitbreidingsplannen (Geelvinckstraat e.o.). De meeste bebouwing ten westen van de spoorlijn werd in 1943 op last van de Duitsers afgebroken (bij de Oude Schulpweg ligt een restant van de tankwal). Na de wederopbouw naar plannen van F.J. Gouwetor (1947) volgden nog diverse uitbreidingswijken en zijn Castricum en het dorp Bakkum aan elkaar gegroeid.

Gepubliceerd op 26-05-2017