Boerderijen in de Wieringermeer in Slootdorp betekenis & definitie

In de nieuwe Wieringermeerpolder werden tussen 1934 en 1942 (van west naar oost) in totaal 476 boerderijen in pacht uitgegeven. Daarnaast ontstonden er 37 staatslandbouwbedrijven. Kort na 1930 bouwde men eerst enkele ontginningsschuren, zoals De Eerste (Slootweg 11). Aanvankelijk koos men voor een boerderij met centrale tasruimte en zijlangsdeel.

Bij de eerste typen kwamen het woon- en het werkgedeelte onder één kap; de types G en H met wolfeind en type J met houten topgevel. De boerderij Kooltuinenweg 8 (1934) is een voorbeeld van type G, Ulkeweg 53 (1934) van type H. Bij type M steekt het woonhuis iets uit de schuur, zie Molenweg 27 (1935). Vanaf 1935 ontstonden voor de akkerbouw genormaliseerde boerderijen met schuur en aangebouwd woongedeelte (kop-romptype); van type O (bedrijfsgrootte 15 ha.), T, S, R tot het grootste type Q (bedrijfsgrootte 30 ha.). Vanaf 1936 werden daarbij asymmetrische, volwandig gelamineerde houten driescharnierspanten toegepast, alsmede betonnen stalramen en systeemvloeren. De boerderij Molenweg 38 (1937) is een goed voorbeeld van type T, Landbouwstraat 15 (1935) van type Q. Voor het gemengd bedrijf kwam er een type U, bijvoorbeeld Praamweg 10 (1936). Tussen 1939 en 1941 verrezen er ook nog enkele kleine boerderijen met het woon- en het bedrijfsgedeelte onder één kap, zoals Noorderkwelweg 2 (1939), alsmede grotere kop-rompboerderijen, zoals Noorderdijkweg 23, Oosterterpweg 1, Oosterkwelweg 1 en 11.

Gepubliceerd op 30-05-2017