17de-eeuwse huizen in Amsterdam betekenis & definitie

Begin 17de eeuw waren trapgevels met toppinakel het meest gangbaar. Deze gevels werden versierd met natuurstenen waterlijsten, hoekblokjes en blokjes bij de ontlastingsbogen. Boven de onderpui bracht men vaak een fries aan met leeuwenmaskers en een gevelsteen.

Een in 1940 (J. de Meijer) deels gereconstrueerd voorbeeld hiervan toont het hoekhuis Het Wapen van Riga (OZ Voorburgwal 14) uit 1605. Bij de restauratie is de begane grond ingericht in Oud-Hollandse stijl en heeft men het houtskelet van de begane grond aangevuld met gebombeerde korbelen en geprofileerde sleutelstukken als bij de verdiepingen. Het voor wijnkoper Willem Hendricksz gebouwde hoekhuis Geldersekade 97 (circa 1605) heeft een vergelijkbare trapgevel. Volop voorzien van decoratieve blokjes en beeldhouwwerk is de dubbele trapgevel van Nieuwmarkt 20-22, gebouwd in 1605 voor koopman Jan Hermansz van Reen. Tussen beide daken bevond zich een uitzichtplateau (bovendeel verdwenen). Rond 1700 werd het pand gesplitst in twee woningen met winkels (gerestaureerd 1932 en 1953-'54). Anders bij deze gevels is dat de vensters terugliggen in vensternissen met rond- en korfbogen. Dat is ook het geval bij het hoekpand Oudezijds Voorburgwal 249, dat rond 1610 in opdracht van het St.-Pietersgasthuis werd verbouwd en vergroot tot een breed pand met dwarse achtervleugels. Sinds de restauratie in 1909 (J. de Meijer) heeft het weer trapgevels aan drie zijden. Toen is ook de 18de-eeuwse verdieping van de hoekpartij gewijzigd in 17de-eeuwse vormen. Inwendig zijn er delen van een houtskelet uit circa 1529 (d) met peerkraalprofielen. Bij de gerestaureerde trapgevel van Rapenburg 13 (1614) is alleen het door raampjes geflankeerde hijsluik geplaatst in een terugliggende nis (met drie boogjes). Het huis bevat betimmeringen en een houtskelet met zwanenhalskorbelen uit de bouwtijd. Sobere vlakke trapgevels met toppinakel heeft het dubbelpand Gouden en Zilveren Spiegel (Kattengat 4-6; 1614). Bij een restauratie (1930-'31, A.A. Kok) zijn de gevels gereconstrueerd in de 17de-eeuwse toestand, maar dan met ornamenten in baksteen in plaats van natuursteen. Deze huizen hebben een volledig houtskelet. Andere voorbeelden van 17de-eeuwse huizen met een (gerestaureerde) trapgevel zijn het dwarse huis Herengracht 346 (1624) en de hoekhuizen Nieuwebrugsteeg 13 (1618-'19), Het Duyffgen (Nieuwendijk 30; 1630), Herengracht 77 (1632), Prinsengracht 2 (1641) en Bloemgracht 87-91 (1642).

Dankzij zijn inventieve toepassing van maniëristische vormen was stadssteenhouwer Hendrick de Keyser een invloedrijk bouwmeester in het begin van de 17de eeuw. Naar zijn plannen kwam Singel 140-142 kort na 1609 tot stand voor Volckert Overlander. Na 1678 werd het pand gesplitst in twee huizen. De maniëristische gevel is opgetrokken in baksteen met zandstenen banden, toogblokken, maskers en topgevelelementen. Bij een restauratie in 1966-'67 heeft men de in 1863 verwijderde rechter topgevel gereconstrueerd. Tot het beste werk van De Keyser behoort de rijke maniëristische gevel uit 1615 van De Gecroonde Raep (OZ Voorburgwal 57). Boven de later gewijzigde pui toont de gevel gekoppelde pilasters, accoladebogen en beeldhouwwerk bij vensters en trapgeveltop. Duidelijk geïnspireerd op het werk van De Keyser is het bij Oudezijds Voorburgwal 18 behouden vroeg-17de-eeuwse gevelgedeelte bij de verdieping, met gekoppelde pilasters en accoladebogen met koppen. In de stijl van het werk van Hendrick de Keyser zijn ook de maniëristische geveltop (circa 1615) met gekrulde klauwstukken van het huis Coningh van Denemarken (Herengracht 120) en de maniëristische gevel van het huis 's-Hertogenbosch (Dam 11) uit 1632, waarvan later veranderde de pui is gedateerd ‘1725’. Een interessante overgangsvorm tussen een trap- en een halsgevel is te zien bij Oudezijds Voorburgwal 239 (1634), waar de gestapelde pilasters in de geveltop worden verbonden door een keperboogachtig element en een gebogen fronton.

Het eerste in Amsterdam uitgevoerde ontwerp van Philips Vingboons is de voor koopman Michiel Pauw gebouwde vroeg-classicistische zandstenen halsgevel van Herengracht 168 (1638, gerestaureerd 1956-'59). Bij een verbouwing rond 1730, in opdracht van Maria Luycken, heeft men de vensters verlengd, de frontons boven de vensters verwijderd en het familiewapen in de geveltop gewijzigd. Sinds 1960 huisvest het pand het Theater Instituut Nederland en het Theatermuseum. De gang en het trappenhuis zijn versierd met rijk stucwerk van Jan Ignatiusz van Logteren (1733) met allegorische en mythologische voorstellingen. De spiraalvormige balustertrap is door Van Logteren gesneden in vals perspectief. De vertrekken van de bel-etage hebben wandschilderingen met klassieke scènes en plafondschilderingen van Jacob de Wit en Isaac de Moucheron.

Nog enigszins aansluitend bij het maniërisme, maar verder in opzet classicistisch is de wit geschilderde verhoogde halsgevel van Keizersgracht 319 (1639), die Philips Vingboons ontwierp in opdracht van Daniël Sohier. Deze zandstenen gevel heeft bij de bel-etage toscaanse pilasters. De kolossale dorische pilasters bij de verdiepingen zijn twee aan twee gekoppeld met een hoofdgestel en driehoekig fronton. De geveltop wordt bekroond door een driehoekig fronton en is voorzien van guirlandes en ovale vensters in de schouderstukken. Eveneens ontworpen door Vingboons is de pilaster-halsgevel van Oude Turfmarkt 145 (1641-'43, gerestaureerd 1927). De toscaanse pilasters van de beletage en de kolossale ionische pilasters van de verdiepingen zijn wederom twee aan twee gekoppeld, terwijl de terugliggende middentravee doorloopt in de met driehoekig fronton bekroonde hals. Opmerkelijk zijn de drie door het St.-Jorishof als belegging gebouwde huizen Oudezijds Achterburgwal 151-155 (1642-'43), verenigd achter een zwart geteerde bakstenen gevel met zeer brede hals. Het fronton van de hals is later vervangen door een kroonlijst en de pilasters zijn door het verlies van de kapitelen verworden tot lisenen. De drie samenstellende geveldelen heeft men in de 19de eeuw afzonderlijk gewijzigd, vooral de onderpuien. Imposant door de enorme, in de vorm van dolfijnen gebeeldhouwde, vleugelstukken is de classicistische halsgevel van Oudezijds Voorburgwal 19 (1656) met zandstenen pilasters bij de bel-etage (ionisch), de verdiepingen (corinthisch) en de hals met gebogen fronton (composiet). De classicistische verhoogde halsgevel van Oudezijds Voorburgwal 187 (1663) heeft kolossale ionische pilasters bij de verdiepingen en vleugelstukken in de vorm van een neger en een indiaan tussen manden en tabaksrollen. De verdiepingen van dit huis dienden vroeger als pakzolders, net als bij veel andere grachtenhuizen in die tijd.

Andere voorbeelden van pilaster-halsgevels zijn te vinden bij De Veersack (Prinsengracht 36; 1650), Beulingstraat 25 (1653), Keizersgracht 214 (1656), Herengracht 59 (1659) en Oudezijds Achterburgwal 201 (1673). Geheel in zandsteen opgetrokken voorbeelden tonen Herengracht 257 (1661) en Keizersgracht 401 (1665). Opmerkelijk door hun brede hals zijn de zandstenen gevel met ionische en corinthische pilasters van Herengracht 388 (1665) en de (verbouwde) bakstenen gevel met ionische pilasters van het dubbelpand Amstel 172-174 (circa 1665). Een bakstenen lijstgevel met ionische pilasters heeft het zwart geschilderde vierlaagse hoekpand Singel 83-85 (1652, gerestaureerd 1941). Op de hoek met de Lijnbaanssteeg is een hoge houten pui en het pothuis behouden. Voor Jacob Cromhout ontwierp Vingboons de zogeheten Cromhouthuizen (Herengracht 364-370; 1660-'62) met twee brede en twee smalle pilasterloze zandstenen halsgevels met fronton en oeil-de-boeufvensters. Het werk werd uitgevoerd door metselaar en steenhouwer Jan Cornelisz Spaans. Cromhout bewoonde zelf het pand Herengracht 366 (gevelsteen met kromme boomstam). De zaal in het bredere achterhuis bezit een plafondschildering uit 1718 van Jacob de Wit. Uit die tijd zijn ook het fraaie ovale trappenhuis en de overige rijke interieuronderdelen in Lodewijk XIV-stijl. Bij een restauratie in 2000 heeft men in de voorzaal een tweede plafondschildering van Jacob de Wit aangebracht, afkomstig uit Herengracht 440. Sinds 1975 is het Bijbels Museum gevestigd in de nummers 366-368. Vergelijkbaar met de Cromhouthuizen zijn de in zandsteen uitgevoerde verhoogde halsgevels van Rokin 91 (1660), met klauwstukken in de vorm van griffioenen, en het huis De Vergulde Ster (Keizersgracht 387; 1668), waarvan het ontwerp wordt toegeschreven aan Justus Vingboons. Andere voorbeelden van vlakke natuurstenen halsgevels met rijk gebeeldhouwde vleugelstukken zijn Herengracht 390-392, 402 en 408 (alle 1665). Een vlakke bakstenen halsgevel met gebogen fronton bezit het hoekhuis Nieuwezijds Voorburgwal 264 (1688).

Een rijtje eenvoudige huizen met trapen klokgevels vormen de rond 1657 voor schippers gebouwde huizen Zandhoek 2-7. Klokgevels werden populair vanaf het derde kwart van de 17de eeuw. Aardige voorbeelden van bakstenen klokgevels met natuurstenen decoraties uit die tijd zijn te vinden bij de hoekhuizen Blauwburgwal 22 (1669) en De Vier Heemskinderen (Herengracht 394; circa 1671), en bij Herengracht 505 (1683). Voor eenvoudige ambachtslieden werden tweelaagse smalle huizen met souterrain gebouwd, zoals Lijnbaansgracht 333-335 (1665). Dergelijke huizen worden ook wel aangeduid als het ‘Noortse-Bos-type’, vanwege het grootschalige huisvestingsproject voor textielwevers in het zogeheten Noortse Bos tussen Prinsengracht, Spiegelgracht, Reguliersgracht en Weteringschans. Het initiatief daartoe was in 1670 genomen door de stad en enkele liefdadigheidsinstellingen. Van de geplande 400 huizen werd vanwege tegenvallende opbrengsten uiteindelijk slechts de helft verwezenlijkt (circa 1671-'72). Er zijn nog verschillende voorbeelden van deze naar plannen van Philips Vingboons gebouwde wevershuizen te herkennen, onder meer aan de Eerste Weteringdwarsstraat (nrs. 30-32, 56-58 en 70). Behalve de hiervoor besproken huizen van twee of drie traveeën verrezen aan de grachten ook brede herenhuizen. Deze konden ontstaan door het gebruik van dubbele kavels voor nieuwbouw, of door samenvoeging van twee bestaande buurpanden achter een gemeenschappelijke voorgevel. Typisch voor het Amsterdamse grachtenhuis is het deels in de ondergrond verzonken souterrain. De via een bordestrap toegankelijke beletage diende als belangrijkste woonlaag. Bij een aantal panden heeft men de bordestrap later verwijderd ten gunste van een ingang op straatniveau. Voor de behandeling van de herenhuizen keren we terug naar het begin van de 17de eeuw.

Waarschijnlijk ontworpen door Hendrick de Keyser is het Bartolottihuis (Herengracht 170-172), gebouwd rond 1618 voor handelaar en geldschieter Willem Bartolotti. Dit onderkelderde brede huis ligt in een bocht van de gracht en die bocht is in de gevel verwerkt met een dubbele knik aan weerszijden van de middenpartij. De maniëristische gevel is opgetrokken in geslepen rode baksteen met uiterst dunne voegen en heeft veel zandstenen ornamenten. Dorische pilasters zijn toegepast bij de bel-etage, ionische pilasters bij de verdieping en het attiek (met balustrade). Vanaf 1689 was het huis gesplitst. Bij de restauratie in 1967-'71 (D. Verheus) is ook de zeer levendig ontworpen geveltop van het middengedeelte hersteld. Het voorste deel van nummer 170 (nu onderdeel Toneelmuseum) bevat vertrekken in Lodewijk XIV-stijl (circa 1735). Van elders afkomstig zijn enkele plafondstukken uit circa 1634 en 18de-eeuwse geschilderde behangsels van Isaac de Moucheron (ingebracht 1873). De rijk gestucte gang is voorzien van medaillons en antieke bustes (circa 1735). Het in 1755 achter nummer 170 opgetrokken vierlaagse achterhuis heeft op de eerste verdieping een zaal in Lodewijk XV-stijl met schilderingen van Jurriaan Buttner (1756).

Wellicht nog ontworpen door Hendrick de Keyser († 1621) en uitgevoerd door Pieter de Keyser is het in 1622 voor Nicolaas Sohier voltooide Huis met de Hoofden (Keizersgracht 123; gerestaureerd 1909). De maniëristische voorgevel van dit brede huis met laag souterrain vertoont in opzet overeenkomst met die van het huis Bartolotti maar wijkt af in de details. Bij de bel-etage zijn dorische pilasters toegepast en bij de verdieping en middentopgevel gekoppelde toscaanse pilasters. Het huis ontleent zijn naam aan de tussen de vensters van de bel-etage aangebrachte borstbeelden van klassieke goden (Apollo, Ceres, Mars, Minerva, Bacchus en Diana). Er zijn zandstenen poortjes bij de hoofdingang en bij de rechter zij-ingang met erkerachtige opbouw. Binnen bevinden zich een stenen portiek en enkele houten portieken. Van een verbouwing in 1634 voor handelaar en wapenfabrikant Lodewijk de Geer dateert de grote schouw met diens wapen in de zaal. In de galerij achter het huis tonen schilderingen de Zweedse mijnen van De Geer. Vergelijkbaar, maar eenvoudiger uitgevoerd dan het ‘Huis met de Hoofden’, zijn de nabijgelegen herenhuizen Keizersgracht 133 en 141 (circa 1620).

Tot het vroegste werk van architect Jacob van Campen behoort het Coymanshuis (Keizersgracht 177), gebouwd in 1625 voor de broers Balthasar en Joan Coymans. De gevel van dit brede dubbelhuis heeft een met natuursteen beklede onderbouw met twee ingangen en twee bakstenen verdiepingen met pilastergeleding (ionisch en composiet). Oorspronkelijk hadden de tweede- verdiepingsvensters afwisselend driehoekige en gebogen frontons. De oorspronkelijke lage mezzanino of attiek werd in 1868 bij de verbouwing van het pand tot H.B.S. vervangen door een volwaardige derde verdieping (verbouwd 1931).

Het classicistische herenhuis Kloveniersburgwal 95 kwam in 1642 tot stand voor Joan Poppen naar plannen van Philips Vingboons. Boven het met hardsteen beklede souterrain hebben de twee bouwlagen een gevelbekleding in zandsteen met kolossale corinthische pilasters. Het middenrisaliet wordt bekroond door een driehoekig fronton. De hoofdingang heeft men in 1904 verplaatst van de bel-etage (met stoep) naar het souterrain. Eveneens ontworpen door Philips Vingboons zijn de classicistische herenhuizen De Star (Kloveniersburgwal 77; 1650), gebouwd voor wolhandelaar Nicolaas Bambeeck, en De Ladder Jacobs (OZ Voorburgwal 316; 1655), gebouwd voor Pieter de Mayer bij diens suikerraffinaderij. Beide huizen worden bekroond door een fronton en hebben dorische pilasters bij de bel-etage en kolossale ionische pilasters bij de verdiepingen. Het vier traveeën brede huis ‘De Star’ is het resultaat van de samenvoeging van twee even brede bestaande panden. Hierdoor is de ingang uit het midden geplaatst en heeft de gevel tegen de regels in een pilaster in het midden (net als het huis Bartolotti). Tot de latere Vingboons-ontwerpen van herenhuizen met pilastergevels behoren Herengracht 386 (1663-'65) en Herengracht 412 (1664-'67). Bij het laatste is de zandstenen voorgevel uitgevoerd door steenhouwer Pieter Pietersz van Kuijck. Het huidige attiek met zoldervensters is begin 19de eeuw toegevoegd. Achter dit huis staat een groot tuinhuis in Lodewijk XIV-stijl (circa 1740).

Het imposante Trippenhuis (Kloveniersburgwal 29) verrees in 1660-'62 naar ontwerp van Justus Vingboons als dubbelhuis voor de broers Louis en Hendrick Trip, die in Zweden fortuin hadden gemaakt met ijzer- en kopermijnen, smederijen en geschutsgieterijen. De classicistische pilastergevel heeft boven het hoge en vlakke hardstenen basement (met ingangen) twee met zandsteen beklede verdiepingen en een mezzanino voorzien van gecanneleerde kolossale pilasters met corinthische kapitelen. De gevel is rijk gedecoreerd met ranken, bloemen, festoenen en putti. Het bekronend fronton van het middenrisaliet toont het wapenschild van de familie (drie trippen), omringd door kanonskogels en kanonslopen. De hoekschoorstenen hebben de vorm van mortieren (gereconstrueerd 1890). Het beeldhouwwerk is van Jan Gijseling sr. en Hendrick de Keyser de Jonge. Sinds 1814 huisvest het gebouw het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letteren en Kunst (nu N.W.O.). Na een verbouwing door stadsbouwmeester Abraham van der Hart (1815-'17) was een deel van het gebouw geschikt als Rijksmuseum van Schilderijen (collectie in 1885 naar Rijksmuseum). De toen ontstane samenvoeging van de voor- en achterzalen van beide huizen heeft men ongedaan gemaakt bij een restauratie in 1988-'91. Vanwege de symmetrie van de gevel loopt de scheidingsmuur van de twee huisdelen in afgeschuinde vorm recht op het middelste venster aan. Er resteren nog veel originele interieuronderdelen, waaronder in de grote zaal van het linker deel een cassetteplafond met schilderingen van Nicolaas van Helt Stockade. Ook elders in het gebouw zijn plafondschilderingen van hem behouden. In de gangen van de beide delen bevinden zich bovendeurstukken van Allard van Everdingen. Het rechterhuis werd in 1730 in Lodewijk XIV-stijl verbouwd voor Elisabeth van Loon.

Late pilastergevels hebben de classicistische herenhuizen Herengracht 507 (circa 1666, gewijzigd circa 1736) en Herengracht 476 (circa 1670). Het laatste huis werd gebouwd door de befaamde medicus François de Vicq. Bij een verbouwing rond 1730 liet Dirk van Lennep het fronton vervangen door het huidige attiek met adelaarsbeeld en het interieur vernieuwen in Lodewijk XIV-stijl. Daartoe behoren een plafondstuk van Jacob de Wit (1730) en een wegens schulden van de bouwheer onvoltooid trappenhuis naar plannen van Ignatius van Logteren. Dit in 1939-'42 (C.W. Royaards) gerestaureerde pand huisvest sinds 1981 het Prins Bernhardfonds. De in barokke stijl aangelegde tuin bevat een tuinhuis met een natuurstenen gevel in Lodewijk XIV-vormen (circa 1720), voorzien van twee beelden (Diana en Apollo) en een reliëfvoorstelling van Mercurius met symbolen van handel en welvaart (gerestaureerd 1957, C.W. Royaards). Dit tuinhuis is sinds 1990 het kantoor van de Nederlandsche Tuinenstichting.

In het derde kwart van de 17de eeuw kwamen pilasterloze lijstgevels met attiek in zwang. Het brede herenhuis Herengracht 554 heeft een wit geschilderde vlakke zandstenen gevel uit circa 1675 met festoendecoraties en een slechts licht vooruitstekend middenrisaliet. De kroonlijst met attiek en de gebeeldhouwde ingangspartij met balkon zijn echter uit 1716 (Lodewijk XIV-stijl). Voor koopman en bankier Joseph Deutz ontwierp Philips Vingboons het brede herenhuis Herengracht 450 (1669-'71) met een vlakke zandstenen gevel in de zogeheten strakke classicistische stijl, waarbij alleen de ingangspartij met balkon de aandacht trekt. Horizontale groeven geven deze door Jan Gijseling jr. uitgevoerde gevel een opvallende, op rusticawerk lijkende, gelaagdheid. De gevelbekroning is gewijzigd doordat in 1922 het dak is verhoogd en voorzien van grote dakkapellen.

Vooral architect Adriaan Dortsman maakte naam met ontwerpen in de strakke stijl. Van zijn hand zijn de voor ijzer- en wapenhandelaar Jeremias van Raey gebouwde herenhuizen Keizersgracht 672-674 (1671-'72). De sobere, vlakke zandstenen gevels zijn alleen gedecoreerd bij de ingangsomlijsting met balkon en bij de kroonlijst met attiek. Op dit attiek met terugbuigend middenstuk (wapenschild) staan beelden van klassieke goden (Mars, Vulcanus, Ceres en Minerva). Van Raey woonde zelf op nummer 674. Na de aankoop van nummer 672 in 1752 door de medicus Abraham van Hagen en zijn vrouw Catharina Elisabeth Trip volgde een langdurige verbouwing van het interieur in Lodewijk XV-stijl. Bijzonder is het trappenhuis met fraai gesmede koperen leuningen en een bovenportaal met grisailles. De familie Van Loon bewoonde het huis vanaf 1884 en na een restauratie (1964-'73) is het voor het publiek geopend als Museum van Loon. In de tuin staat een tuinhuis met een zandstenen gevel voorzien van beelden in nissen (1671, verfraaid na 1752). Andere voorbeelden van het werk van Dortsman zijn de gelaagde zandstenen gevels van het brede en hoge herenhuis Amstel 216 (1671) en het relatief smalle grachtenpand Herengracht 623 (1670). Het laatstgenoemde is een restant van een groter bouwblok op de hoek van Herengracht en Amstel. De verdiepingen hebben nog de originele smalle vensters. Een gelaagde gevel in de stijl van Dortsman toont verder het huis Sweedenryck (Herengracht 462; 1671), gebouwd voor Guilliam Sweedenryck. De ingangsomlijsting en het attiek met balustrade zijn voorzien van allegorische beelden. Afwijkend van de bouwstijl in deze tijd is de gevel met tot lisenen gereduceerde kolossale pilasters van het Huis de Pinto (St.-Antoniesbreestraat 69). Dit in de kern uit 1605 daterende dubbelpand - aan de achterzijde zijn nog twee tuitgevels met toppinakel zichtbaar - werd in 1651 gekocht door Isaac de Pinto. Tussen 1675 en 1680 kreeg het de huidige brede (wit geschilderde) zandstenen gevel met marmeren platen onder de vensters, waarschijnlijk naar ontwerp van Elias Bouman. De met kruisgewelven overwelfde kelder stamt uit de bouwtijd. In voorhuis- en achterzaal zijn cassettenplafonds met schilderingen behouden. Deze zijn aangevuld bij een ingrijpende restauratie van het gebouw in 1973-'75 (Y. Kok). Toen heeft men ook de kruisvensters, het attiek en de hoekschoorstenen gereconstrueerd.

Gepubliceerd op 22-05-2017