Leren betekenis & definitie

Leren gaat heel verschillend bij kinderen.

Voor het leren van bepaalde vaardigheden of kennis bestaat meestal een vaste tijd en een vaste volgorde. Een kind kan alleen die dingen leren waar hij op grond van zijn leeftijd en ontwikkeling aan toe is. Een baby kan niet eerder lopen dan zitten. Dat is biologisch bepaald, omdat er eerst bepaalde spieren ontwikkeld moeten zijn om een volgende stap te kunnen zetten. Een kind gaat ook niet eerst hele zinnen zeggen en daarna pas losse woorden. Praten begint met klanken oefenen - daarmee ontwikkelt hij ook de spiertjes waarmee hij bepaalde letters kan vormen - en daarna is een kind pas in staat om woordjes uit te spreken. Dan volgen er zinnen. Als een kind aan een volgende stap toe is, is dat de tijd om die dingen te leren. Zo'n periode wordt 'gevoelige periode' genoemd. Leren lopen rond het eerste jaar gaat veel beter dan rond het tweede jaar. Krijgt een kind te laat de kans om iets te leren, zoals leren lopen, dan kost het hem veel meer moeite dan wanneer hij het in de gevoelige periode leert. Als een kind eraan toe is om een beetje op onderzoek uit te gaan, is het nodig dat hij daarvoor ook de kans krijgt. Een kind moet op zijn tweede jaar niet meer de hele dag in de box zitten, dat beperkt hem in de ontwikkeling die hij dan doormaakt. Het is de gevoelige periode om met de ouders in de buurt het huis te gaan verkennen. Een doof kindje kan niet leren praten omdat hij geen stemmen hoort. Kunnen horen is nodig om woordjes te leren uitspreken op het tijdstip dat kinderen leren praten.

Je leert alleen maar als je iets wilt leren. Ook een toevallig positief effect helpt bij het leren. Een kind dat probeert een kastje te openen, zal als dat lukt bijvoorbeeld de koektrommel ontdekken. Omdat hij een extra beloning heeft gekregen in de vorm van koekjes binnen handbereik, zal hij extra gemotiveerd zijn om een volgende keer weer een kastje open te krijgen. Zo'n toevallig effect werkt net als een beloning krijgen van iemand. Zo gaat het ook bij spelen. Eerst lukt het niet om puzzelstukjes goed te leggen. Als het dan toch een keer per ongeluk wel lukt, dan geeft dat moed om door te gaan of het een volgende keer weer te proberen. Vergelijk het met af en toe winnen in een loterij. Dat geeft je het idee dat er ook voor jou een prijs is weggelegd en dus koop je telkens een nieuw lot om kans te hebben op de hoofdprijs. Maar kinderen leren niet alleen de leuke dingen bij toeval. Ze kunnen zo ook dingen leren waarvan je liever niet wilt dat ze het leren. Angst is bijvoorbeeld zo'n onprettige bijwerking. Je wilt bijvoorbeeld dat een kind leert niet bang te zijn voor honden en laat hem een hond een koekje geven. Van vreugde begint de hond te blaffen en daardoor schrikt je kind, waardoor hij zijn hand dichtdoet net op het moment dat de hond toehapt om het koekje te nemen. De hond bijt in de hand en vanaf dan is het kind bang voor honden en kost het weer heel veel moeite om hem weer vertrouwen te geven in honden. Als je daar niet bij was, dan merkje wel datje kind bang is voor honden, maar dan snap je niet hoe dat komt. Voor ouders is het daarom niet altijd duidelijk waarom een kind zich ineens anders gedraagt dan anders, omdat je nooit precies weet wat een kind er inmiddels bij heeft geleerd.

Ouders hebben invioed op de volgorde van leren bij hun kind. Ouders hebben geen invloed op de volgorde waarin hun kind zich ontwikkelt, want die is aangeboren. Ouders hebben wel invloed op de kansen die hun kind krijgt om een bepaalde ontwikkeling te kunnen volgen. Een kind de gelegenheid geven om iets bepaalds te leren is dus van groot belang.

Als een kind nooit een viool krijgt, kan hij geen viool leren spelen. Hij moet op zijn minst weten dat er zoiets als een viool bestaat en uitleg krijgen en aanmoediging.