Milieu-encyclopedie

Oosthoek milieu-encyclopedie

Gepubliceerd op 01-12-2020

Ruimtelijke Ordening

betekenis & definitie

Met ruimtelijke ordening bedoelt men de verdeling van de ruimte over de verschillende bestemmingen, m.n. de regeling van deze verdeling. Voor dunbevolkte gebieden levert de ruimtelijke ordening gewoonlijk weinig problemen op.

De geografische omstandigheden, zoals klimaat, grondsoort, hoogteligging, loop van de rivieren, zijn meestal bepalend. In dichtbevolkte gebieden zijn er vaak wel problemen, doordat er aan de verschillende mogelijke bestemmingen van de ruimte dikwijls tegenstrijdige, particuliere of publieke belangen gekoppeld zijn. Dit heeft in vele landen ertoe geleid dat de overheid een ruimtelijke-ordeningsbeleid is gaan voeren.De systematische voorbereiding van het beleid noemt men ruimtelijke planning; de studie die zich bezighoudt met de achtergronden, noemt men de planologie. Hoewel ruimtelijke ordening weinig tot niets kan doen aan bestaande milieuproblemen, heeft zij wel invloed op komende problemen. Niet dat men er iets mee kan doen aan het lawaai van startende of landende vliegtuigen, maar wel kan men een nieuw vliegveld zodanig situeren, dat er geen woonplaatsen in de directe omgeving liggen, die onvermijdelijk met geluidshinder te kampen zouden krijgen. Bovendien kan men een spoorweg plannen, wat het aantal autokilometers en daarmee de luchtverontreiniging vermindert.

Hoofdproblemen van de ruimtelijke ordening Traditioneel gaat men bij de ruimtelijke ordening uit van vier categorieën van activiteiten: wonen, werken, recreëren en verplaatsen. Deze activiteiten eisen ruimte en hebben ook invloed op de omgeving daarbuiten. Hiermee is het beeld echter niet volledig. Aspecten als veiligheid (defensie, strijd tegen het water), openbare nutsvoorzieningen (drinkwater, elektriciteit, gas), milieuzorg en natuurbescherming horen er ook bij, terwijl er een grote wisselwerking is tussen de verschillende activiteiten.

Door een verlaging van de gemiddelde woningbezetting, o.a. het gevolg van een geringer kindertal en van het feit dat jongeren in toenemende mate zelfstandig willen wonen, zal nog vele jaren moeten worden gezocht naar nieuwe woningbouwlocaties in of aan de randen van bestaande steden of in overloopgebieden. Kleinere steden krijgen dan opeens de taak van groeikern of groeistad. In de politieke afweging, waarbij ook de werkgelegenheid een rol speelt, is het belang van de volkshuisvesting vaak doorslaggevend en moet de natuur wijken voor woningbouw. Bij stadsvernieuwing (vernieuwing van woningen of woonwijken die in slechte staat verkeren) is het vaak niet mogelijk in dezelfde dichtheid woningen te bouwen als men vroeger deed. Het gevolg is dat dus toch ook elders woningen gebouwd moeten worden. Bij de herinrichting van stadswijken wordt bovendien meer aandacht gegeven aan groenvoorzieningen en speelmogelijkheden voor kinderen.

Aanvankelijk werd bij de ruimtelijke ordening de nadruk gelegd op het scheiden van functies (wonen, werken, recreëren).

In een klein land met zoveel verschillende activiteiten roept dit steeds meer problemen op, waardoor tegenwoordig de integratie of verweving van functies steeds meer aandacht krijgt. Bovendien wordt sinds 1973 de kwaliteit van het milieu als een belangrijk element van het beleid gezien. De praktijk heeft echter aangetoond dat er toch negatieve invloeden op het milieu plaatsvinden, die in de planning onvoldoende of geheel niet waren voorzien. Voor een deel zijn dit cumulatieve effecten die de erfenis vormen van het verleden, waarin te eenzijdig op economische groei gerichte maatschappelijke ontwikkelingen en industrialisatie gepaard gingen met sterke verstedelijking, enorme uitbreiding van de infrastructuur, verhoogd energieverbruik, grotere grondstoffenbehoefte en mechanisatie en intensivering van de landbouw. Maar ook de bevrediging van luxe behoeften vraagt steeds meer ruimte (jachthavens, caravanparken enz.).

Wonen en werken beïnvloeden elkaar in belangrijke mate. In het verleden werden de woongebieden met opzet in de nabijheid van het werk gesitueerd, omdat geen arbeidstijd verloren mocht gaan aan tijdrovende verplaatsingen (bovendien waren de middelen daarvoor niet aanwezig). Met het toenemen van de welvaart is men meer waarde gaan hechten aan de leefbaarheid van de woonomgeving. Bij het inrichten van nieuwe werkgebieden wordt dan ook de invloed op woon- en recreatiegebieden zoveel mogelijk beperkt: industriële activiteiten gaan zoveel mogelijk naar industrieterreinen, met als bijkomende voordeel dat het goederenverkeer niet meer door de woonwijken hoeft te gaan. Om de kwaliteit van het milieu op te voeren is het streven naar recreatie- en groenvoorzieningen in de woonomgeving versterkt, hoewel in bestaande situaties vaak niet voldoende ruimte aanwezig is. Men zocht daarvoor ‘oplossingen’ door rond grote bevolkingsconcentraties omvangrijke recreatiegebieden in te richten, overigens zonder te beseffen welke milieuwaarden daardoor verloren gaan.

De zgn. bufferzones, gebieden tussen opdringende steden, kwamen onder grote druk te staan. Daarom wordt er nu meer nadruk gelegd op het verbeteren van de leefsituatie in de steden zelf. Het groen en de recreatievoorzieningen worden naar de bewoners gebracht in plaats van andersom.

Een oude misvatting is dat stadscentra vooral een werk- en dienstenfunctie hebben. Kaalslag van woongebieden maakt plaats voor kantoorkolossen en vierbaanswegen om deze bereikbaar te maken. De schade daarvan voor de leefbaarheid van de omringende wijken is schromelijk onderschat. De vlucht uit de stad met als gevolg het ontstaan van slaapsteden elders (de suburbanisatie) verhevigde de verloedering van het leefmilieu in de oude steden. Ook de open ruimte werd steeds meer verbruikt. In het polderland in het westen des lands tekenen de contouren van een fantasieloze hoogbouw zich dreigend af in het teruggedrongen landschap.

Steeds meer mensen ontdekken het lawaai en de stress van het verkeer en de aftakeling van het landschap. De saaiheid van de groene slaapsteden leidde tot de herontdekking van de stad als leefmilieu. Er vindt steeds vaker een heroverweging plaats van geplande grote verkeerswegen door de steden. Ook de visie op de landelijke gebieden is aan het veranderen. Lange tijd heeft men die gezien als agrarisch gebied met resten woeste grond die op den duur ook een agrarische bestemming zouden krijgen. Nu meent men dat een scheiding van deze functies in bepaalde gebieden onontkoombaar is, terwijl in andere gebieden gestreefd moet worden naar verweving, b.v. het samengaan van landbouw en natuurbeheer in weidevogelgebieden.

Beleid in Nederland Ruimtelijke ordening wordt in de Oriënteringsnota Ruimtelijke Ordening (1973) omschreven als ‘het zoeken van de best wederkerige aanpassing van ruimte en samenleving’. Het is duidelijk dat zo iets niet vanzelf gebeurt. Daartoe dient een beleid te worden gevoerd, waarbij de betrokken overheden (rijk, provincies en gemeenten) een keuze doen uit de verschillende ontwikkelingsmogelijkheden en rekening houden met eikaars belangen. Daarbij gaat men niet alleen uit van de belangen van de huidige bewoners, maar ook van die van de toekomstige. Internationale ontwikkelingen en verplichtingen hebben ook hun invloed op het beleid.

Planningsinstrumenten Ten einde te verzekeren dat in allerlei plannen voldoende gewicht wordt gegeven aan de milieu-aspecten is een aantal instrumenten ontwikkeld. Voor voorgenomen activiteiten die belangrijke nadelige effecten voor het milieu kunnen hebben, dient een milieu-effectrapport te worden opgesteld. Vooruitlopend op het van kracht worden van dat deel van de Wet ABM, wordt reeds een milieu-effect-rapportage-interimbeleid gevoerd. Door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is de emissieregistratie ontwikkeld met het doel inzicht te krijgen in de milieubelasting door grote individuele bedrijven, terwijl er een collectieve registratie bestaat voor kleinere vervuilers. Om meer inzicht te krijgen in de huidige milieusituatie in Nederland zijn de nationale meetnetten voor lucht- en waterverontreiniging opgezet. Zij maken deel uit van de zgn. monitoring, een geheel van inspectietechnieken waarmee het milieu en de daarin optredende veranderingen systematisch worden vastgelegd.

De graad van vervuiling kan worden getoetst aan normen voor de verschillende bestemmingen (natuur, wonen, industrie). De verontreinigingsgraad kan op een kaart worden aangegeven, evenals de geluidsintensiteit langs wegen en rond vliegvelden. Deze milieukwaliteitskartering vormt een aanvulling op de landschaps-ecologische karteringen, waarbij aandacht wordt besteed aan de landschappelijk/visuele aspecten en aan de natuurwetenschappelijke waarden.

Een meer theoretische, methodologische grondslag voor een ecologische ruimtelijke planning wordt gegeven in het Globaal Ecologisch Model (GEM), waarin vooral de functies van het natuurlijk milieu voor de samenleving worden beschreven, m.n. het verband tussen de eigenschappen van het natuurlijk milieu en verschillende vormen van ruimtegebrek. De theoretische relaties die het GEM onderscheidt, moeten nog praktisch uitgewerkt worden. Daarop vooruitlopend is het mogelijk de gegevens van de verschillende karteringen in de besluitvorming te betrekken.

Uitvoering In de Wet op de ruimtelijke ordening (1965) worden de regels gegeven voor de wijze van besluitvorming, de politieke organen die voor de besluitvorming verantwoordelijk zijn, de plannen en methoden die gehanteerd kunnen worden, de ambtelijke diensten die de besluitvorming voorbereiden, welke adviesraden moeten worden gehoord, welke plannen moeten worden opgesteld en wanneer ze moeten worden herzien enz. Ook zijn regels gegeven voor de coördinatie tussen rijk, provincies en gemeenten. Iedere bestuurslaag heeft in beginsel de vrijheid een eigen beleid te voeren, maar de hogere overheid beschikt over de middelen om in te grijpen als de lagere overheid het beleid van de hogere op onaanvaardbare wijze zou doorkruisen (b.v. onthouding van goedkeuring, vernietiging van besluiten).

De door het rijk getrokken grote lijnen zullen door de provincies in streekplannen worden ingevuld en uitgewerkt. Op gemeentelijk niveau vindt een doorwerking daarvan plaats in bestemmingsplannen. De burger, belanghebbenden of actiegroepen hebben inspraak en recht van beroep bij bestemmings- en streekplannen. Ook bij planologische kernbeslissingen is inspraak voorzien. Hiervan wordt m.n. door de landelijke milieu-organisaties veelvuldig gebruik gemaakt.

Actiegroepen kunnen op vergelijkbare manier als de vakbonden hun belangenbehartigers vinden bij de leden van de Tweede Kamer, Provinciale Staten of gemeenteraad. In bepaalde actiegroepen is zoveel deskundigheid aanwezig, dat zij bij de leden van die instanties vaak een gewillig oor vinden. In een aantal gevallen hebben zij de besluitvorming zo weten te beïnvloeden, dat de schade aan het natuurlijk milieu werd beperkt.

De rol van het Rijk In 1960 en in 1966 verschenen resp. de Eerste en Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening in Nederland. Uit beide sprak nog de verwachting dat de toekomstige ontwikkeling duidelijk kan worden geschat en in plannen vastgelegd. In 1973 verscheen echter als eerste deel voor de Derde Nota de Oriënteringsnota Ruimtelijke Ordening, die getuigt van veranderde inzichten, m.n. op het gebied van het milieu, die nopen tot een andere, flexibeler aanpak. De periode die men redelijk kan overzien, de planhorizon, blijkt meestal veel korter dan tot het jaar 2000. De hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid zijn weergegeven in drie nota’s: de Oriënteringsnota Ruimtelijke Ordening, de Verstedelijksnota (1976) en de Nota Landelijke Gebieden (1977). Daarnaast zijn er specifieke territoriale nota’s over de Waddenzee en het Markerwaardgebied gekomen.

De sectornota’s, die om de 5-7 jaar zullen worden herzien, geven het beleid voor een twaalftal beleidssectoren met belangrijke ruimtelijke implicaties. In de structuurschema’s staat aangegeven waar en hoe ingrijpende voorzieningen zullen worden getroffen.

De rol van de lagere overheden De gemeenteraad kan voor het grondgebied van de gemeente structuur- en bestemmingplannen opstellen. In een structuurplan wordt de toekomstige ontwikkeling van de gemeente sterk programmatisch aangegeven. Een bestemmingsplan geeft de bestemming van de in het plan genoemde grond aan en geeft zo nodig gebruiksvoorschriften voor de grond en opstallen in het plangebied. Voor het niet tot de bebouwde kom behorende gebied is de gemeenteraad verplicht een bestemmingsplan vast te stellen, voor de bebouwde kom mag het. Door de mogelijkheid om bepaalde gebieden de bestemming agrarisch gebied met landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarde of de bestemming natuurgebied te geven is het bestemmingsplan een belangrijk instrument tot natuurbehoud. Een bestemmingsplan heeft wel beperkingen.

Zo kan men een boer niet dwingen tot een bepaald soort beheer. Het gevolg is vaak dat in het bestemmingsplan een scheiding plaatsvindt tussen gebieden met uitsluitend agrarisch beheer of met beheer als natuurreservaat. Ondanks deze beperkingen is het bestemmingsplan een betrouwbaar instrument voor natuurbeheer, mede doordat dit het enige plan is dat de burger rechtstreeks bindt via bouw- en aanlegvoorschriften. Door Provinciale Staten worden streekplannen vastgesteld die de hele provincie of een deel ervan beslaan. De streekplannen ontwikkelen zich steeds meer tot het belangrijkste integratiekader van alle ruimtelijke relevante maatregelen, ook die van het rijk. De gemeentelijke bestemmingsplannen worden getoetst aan het streekplan.

Daardoor heeft het streekplan indirect invloed op de bestemming en het gebruik van de ruimte en op de bescherming van natuur en landschap. Op basis van ecologische karteringen kan in het streekplan een zonering worden aangegeven voor de toelaatbaarheid van cultuurtechnische, stedelijke, infrastructurele of recreatieve activiteiten. In aanvulling op een zonering in het streekplan moeten provinciale verordeningen worden opgesteld om bepaalde activiteiten zoals ontgrondingen, grondwaterpeilverlagingen en het dempen van sloten te voorkomen. Wanneer slechts een beperking van agrarische activiteiten gewenst is, kan een (vrijwillige) beheersovereenkomst worden gesloten. Is een nog verder gaande bescherming nodig, dan kunnen gronden worden aangekocht en als reservaat worden beheerd. In het streekplan kunnen activiteiten die vervuiling of hinder met zich brengen, zo gesitueerd worden dat zij zo weinig mogelijk overlast veroorzaken.

Gebieden kunnen worden aangegeven waarin bepaalde activiteiten al of niet mogen worden uitgeoefend. Daarnaast kan afstand aangehouden worden tussen vervuilende activiteiten en plaatsen die daar gevoelig voor zijn. Tenslotte kunnen grenzen (milieunormen) worden aangegeven aan de vervuiling of overlast die men nog toelaatbaar acht in bepaalde gebieden.

Sectoraal ruimtelijk beleid De landbouw bepaalt voor grote delen van het landelijk gebied het landschap en de kwaliteit van bodem, water en lucht. Afzonderlijke bedrijven hebben hun invloed door de wijze van bedrijfsvoering: gebruik van machines, kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Voor het gebruik van landbouwmachines moeten de wegen verbreed worden en zullen de percelen groter en rechthoekig moeten worden. Wanneer voor een groot aantal bedrijven een ruilverkaveling wordt uitgevoerd, dan vindt een ingrijpende verandering van het landschap plaats: kavels worden vergroot, beken genormaliseerd, wegen rechtgetrokken, nieuwe, uniforme bedrijfsgebouwen geplaatst. Veelal vindt nivellering van het landschap plaats en een achteruitgang van de kwaliteit van de natuur. De voorgenomen Landinrichtingswet, die de Ruilverkavelingswet van 1954 moet gaan vervangen, bevat de nieuwe inzichten en maakt het mogelijk gerichter bij te dragen aan het natuurbeschermings-, verstedelijkings-, verkeers- en recreatiebeleid.

De openluchtrecreatie is in omvang en intensiteit toegenomen, zowel de dag- en verblijfsrecreatie op het land als de recreatie op het water. De gevolgen daarvan voor het natuurlijk milieu zijn op vele plaatsen zichtbaar: duingebieden worden platgelopen en meren raken overbezet.

Het Structuurschema Openluchtrecreatie stelt daarom grenzen aan de verschillende vormen van openluchtrecreatie. Het beleid is terughoudend voor gebieden waar de schade aan de natuur te groot dreigt te worden (Veluwe, Waddeneilanden, duinen en Zuid-Limburg) en stimulerend waar mogelijkheden aanwezig zijn (b.v. een groenstructuur in de Randstad).

Wat het natuurbehoud betreft voorziet het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud de ontwikkeling van 18 nationale parken, grote eenheden natuurgebied en voorts grote landschappelijke eenheden, waarbinnen de instandhouding van het algemene karakter van die gebieden dient te worden nagestreefd. De Waddenzee is in feite het omvangrijkste en relatief meest ongerepte natuurgebied van Nederland. In de Nota Waddenzee is het beleid neergelegd, dat als hoofddoelstelling het behoud en de ontwikkeling van de ecologische waarden kent. Dit geldt ook voor de Oosterschelde. Voor andere grote wateren, zoals Grevelingen, IJsselmeer en Haringvliet, zullen plannen worden ontwikkeld. Bij ontwikkelingen in de nabijheid van deze wateren zullen de gevolgen voor het aquatisch ecosysteem van meet af aan aandacht krijgen.

Delfstofwinning wordt onderscheiden in winning van diepgelegen delfstoffen (b.v. olie, gas en zout) en winning van aan de oppervlakte gelegen delfstoffen (m.n. zand en grind). Bij de winning van diepgelegen delfstoffen, die soms wel tientallen jaren duurt, wordt het landschap tijdelijk verstoord. Na beëindiging van de winning zijn de gevolgen nauwelijks zichtbaar of kunnen gemakkelijk ongedaan worden gemaakt. Wel blijft er de kans op calamiteiten (b.v. een spuiter) die gepaard kunnen gaan met ernstige verontreiniging. Bij de winning van zand, grind en klei blijft vaak een gat van tientallen of honderden hectaren over. Zo’n afgraving kan volgestort worden met puin of huisvuil, wat wel het risico inhoudt van vervuiling van het (grond)water.

Een andere mogelijke eindbestemming is die van recreatiewater (visplas, watersportgebied). Ontgrondingen hebben naast de directe aantasting ook nog het nadeel dat er vaak geen goed einddoel is voor het overgebleven gebied. Het transport van personen en goederen vergt een infrastructuur van autowegen, spoorwegen, vliegvelden en waterwegen. Bij de aanleg daarvan spelen zowel het directe als het indirecte ruimtebeslag een rol. Voor de aanleg moet meestal landbouwgebied, bos of natuurterrein wijken. Bij de toenemende schaarste aan natuurgebieden gaat elke aanslag zwaarder wegen.

Het indirecte ruimtebeslag vloeit vooral voort uit de geluidshinder. Tot op enkele honderden meters van (spoor)wegen kunnen geen geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen, scholen of ziekenhuizen worden gebouwd. Het Structuurschema Verkeer en Vervoer biedt inzicht in de ruimtelijke consequenties op langere termijn. Het vervoer via leidingen is geregeld in het Structuurschema Buisleidingen. Elektriciteitscentrales worden daar gesitueerd waar zij gemakkelijk van brandstoffen kunnen worden voorzien, waar koelwater aanwezig is en waar de afstand tot de gebruikers niet te groot is. Zij vragen veel ruimte voor aan- en afvoerwegen en voor de opslag van brandstoffen.

Zij veroorzaken ook luchtverontreiniging, vooral bij het stoken van kolen of olie. Het koelwater kan problemen geven door thermische verontreiniging. Hoogspanningskabels zijn vaak landschappelijk-visueel bezwaarlijk en op sommige plaatsen, b.v. in vogeltrekroutes, vliegen veel vogels zich ertegen te pletter. Het Structuurschema Elektriciteitsvoorziening behandelt de locatiekeuze van centrales en de bijbehorende infrastructuur.

Industrieën zijn soms in de stad gelegen, doordat zij van oudsher reeds daar gevestigd waren. Nieuwe bedrijven zal men liever op industrie- of haventerreinen vestigen. Het Structuurschema Zeehavens geeft inzicht in de toekomstige ontwikkelingen in zeehavengebieden. In vergunningen die volgens de milieuwetgeving verplicht zijn, worden vaak voorwaarden gesteld om uitworpen en hinder te beperken, maar toch blijven woningen in de buurt van bedrijven vaak bloot staan aan luchtverontreiniging, geluidshinder, overlast van transport en blijft de kans op explosies aanwezig. [drs. LJ.de Ruiter, ir. H.Wardenaar] Ruimtelijke ordening in België Sinds het ontstaan van het Koninkrijk België in 1830 is in twee opeenvolgende fasen de geürbaniseerde oppervlakte (inclusief wegen en andere infrastructuurvoorzieningen) aanzienlijk toegenomen, ten koste van het landelijk grondgebruik: eerst een afname van het areaal aan bos, heide en woeste gronden, in een later stadium gevolgd door een afname van de produktieve landbouwoppervlakte.

De huidige ruimtelijke situatie wordt dan ook gekenmerkt door een hoge urbanisatiegraad, met een markant overwicht in het Vlaamse Gewest. Alhoewel reeds eerder, o.m. voor de Tweede Wereldoorlog, parlementaire initiatieven werden ondernomen, werd de ruimtelijke ordening in België pas in de jaren zestig bij de wet van 29.3.1962, houdende de Organisatie van de Ruimtelijke Ordening en van de Stedebouw, in juridische zin geregeld. Art. 1 van deze bepaalt dat ‘... de ruimtelijke ordening van het land, de streken, gewesten en gemeenten wordt vastgesteld in plannen. Die ordening wordt ontworpen zowel uit economisch, sociaal en esthetisch oogpunt als met het doel ’s lands natuurschoon ongeschonden te bewaren’. Illustrerend voor de late totstandkoming alsmede voor het uitblijven van een voldoende regulerende slagkracht van deze wet is de versterking van de desurbanisatie- en vooral van de suburbanisatietendens. Tendensen die in het bijzonder tot uiting komen in ruimte verslindende lintbebouwing, verkavelingswoede, en de vlucht uit de grote stad.

Bodembestemmingsplannen vormen de gangbare planningsinstrumenten. Het zijn cartografische plannen, die vastleggen wat op bepaalde gronden mag gebeuren en die naar gelang van het soort plan een bepaalde juridische draagkracht bezitten (‘bindende en verordenende kracht’). De bodembestemmingsplannen zijn in een hiërarchisch systeem gerangschikt met op het lokale, gemeentelijke vlak bouwplannen, verkavelingsplannen en aanlegplannen.

Van de laatste moeten genoemd worden het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA), dat voor een deelgebied van de gemeente geldt, en het Algemeen Plan van Aanleg (APA), voor het totale gemeentelijke grondgebied. Daarnaast is er op een hoger niveau voor een deel van een provincie het gewestplan ingevoerd. Een nationaal plan en streekplannen, alhoewel juridisch mogelijk, hebben nooit het daglicht gezien. Het gewestplan, dat de grootste aandacht gekregen heeft, is feitelijk een samengevoegd gemeentelijk plan van aanleg dat als een bovengemeentelijk beleidsdocument fungeert. Voor het gehele Belg. grondgebied worden in principe 48 gewestplannen opgemaakt, waarbij ca. 25 goedgekeurde gewestplannen Vlaanderen bestrijken. Elk gewestplan met bijgaande algemene en bijzondere voorschriften legt d.m.v. een kaart voor ieder bodemperceel de juridische bestemming vast.

In deze zin zijn de gewestplannen vervat in een statisch raamwerk, met weinig oog voor het maatschappelijk gebeuren; vanuit de planologische invalshoek wordt dit dan ook wel eens aangeduid met de term eindtoestandsplanning. Bovendien zijn er markante afwijkingen tussen de gestelde doelen en de concrete uitvoering ervan. Zo werkt de toegestane speelruimte ten aanzien van bepaalde bodembestemmingen o.a. woonzone en woonuitbreidingsgebieden de versnippering van de ruimte en de daarmee gepaard gaande negatieve milieubeïnvloeding nog in de hand. Ingrepen in deze situatie d.m.v. ambtelijk-politieke richtlijnen resulteren vaak niet in een rechttrekken van de misgegroeide situatie maar in een verdere uitholling van de voorschriften. Dit geeft aanleiding tot het opduiken van een soort pseudowetgeving, wat de rechtszekerheid, ook ten aanzien van het natuur- en milieubehoud, zeker niet verbetert.

Medezeggenschap van de burger al dan niet georganiseerd blijft in de huidige ruimtelijke ordening beperkt tot een vorm van inspraak die op de verschillende planniveaus individuele bezwaarschriften verzamelt. Planologische kernbeslissingen en brede maatschappelijke discussies over hete hangijzers in de samenleving bestaan in België niet. De geslotenheid van het beleid komt ook tot uiting op het bestuurlijk vlak in de centralistische opvatting van de ruimtelijke ordening, waarbij weinig manoeuvreerruimte wordt toegestaan in de lage bestuurlijke niveaus (provinciaal, gemeentelijk). Dit impliceert o.a. dat verschillende belangengroepen, waaronder verenigingen voor natuur- en milieubehoud, zich in eerste instantie naar het nationaal bestuursniveau richten. De ruimtelijke ordening neemt in België een tamelijk zwakke plaats in en wordt verdrongen door andere sterkere sectoren (b.v. het infrastructuurbeleid). Van een integrale aanpak, waarbij het ruimtelijk, sociaal en economisch aspect op hun onderlinge samenhang en verenigbaarheid worden doorgelicht en waarbij het milieu eventueel waarde wordt toegekend, is dan ook geen sprake.

Indien men de Belgische situatie spiegelt aan de nabuurlanden, mag men stellen dat het ruimtelijk beleid weinig doorzichtig is, zeggings- en overtuigingskracht mist en weinig oog heeft voor planning en planologie. Toch stemmen een aantal positief te noemen ontwikkelingen hoopvol. Sinds de staatshervorming is nl. de beleidsmaterie inzake ruimtelijke ordening, natuurbehoud, landinrichting, tezamen met belangrijke aspecten van het milieubeleid naar de gewesten (Vlaanderen, Wallonië, Brussel) toe geregionaliseerd. Dit geeft aan deze gewesten de bevoegdheid om de zgn. geregionaliseerde materie bij decreet op een eigen wijze uit te werken en in te vullen. Het is dan ook niet verwonderlijk, gezien de knelpunten van de ruimtelijke problematiek, dat de overheid, op grond van een groeiende belangstelling bij de burgers, tracht te komen tot een kwalitatieve bijsturing van de ruimtelijke beleidsmaterie. Zo wordt in beleidsmiddens gedacht aan een aanpassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening bij decreet, alsmede aan een vernieuwing van de landinrichting voor het landelijke gebied, om tegemoet te komen aan de nieuwe maatschappelijke behoeften en planologische visies.

Ook de aandrang om tot een decentralisering van de beslissingsbevoegdheid te komen naar het provinciaal niveau toe, wordt in bepaalde kringen sterk aangevoeld. Het provinciaal bestuursniveau is nl. sinds de in 1976 doorgevoerde fusie van gemeenten sterk in de verdrukking gekomen. Een hervorming van dit intermediaire niveau zou o.m. kunnen betekenen dat het tot nu toe onbestaande streekplan als richtsnoer een functie zou kunnen krijgen. Daarnaast wordt ook gewerkt aan een ‘structuurschets (structuurplan) voor het ruimtelijk beleid in Vlaanderen’. Dit is een globale visie op lange-termijnontwikkelingen in Vlaanderen, in verband met de diverse ruimtevragende activiteiten. Ze bevat daarnaast politiek onderbouwde doelstellingen, die nauw aansluiten bij de gewenste toekomstige ruimtelijke inrichting, met daaraan gekoppelde uitvoeringsinstrumenten om deze doelstellingen te bereiken.

[drs. R. Nys]