Milieu-encyclopedie

Oosthoek milieu-encyclopedie

Gepubliceerd op 01-12-2020

Raad van Europa

betekenis & definitie

internationale organisatie van Europese staten, met als doel het bevorderen van de Europese eenheid, het in stand houden van de parlementaire democratie en het verbeteren van de leefomstandigheden van de Europese volkeren. De in 1949 te Straatsburg opgerichte Raad was de eerste Europese intergouvernementele organisatie.

Alle 21 Westeuropese landen, met gezamenlijk meer dan 380 mln. inwoners, zijn inmiddels als lid toegetreden, terwijl Finland en Joegoslavië vaak door waarnemers zijn vertegenwoordigd. De Raad tracht zijn doel te verwezenlijken door o.m. harmonisatie van wetgevingen, het bevorderen van culturele en sociale voorzieningen, verbeteren van het onderwijs en de volksgezondheid en het waken tegen schendingen van de mensenrechten. In tegenstelling tot de EG, waarvan de besluiten een wettelijk bindend karakter hebben, heeft de Raad van Europa alleen een adviserende bevoegdheid.Ter zake van het milieu streeft de Raad naar verbetering van de bestaande milieuwetten, naar een verantwoorde planning en beheer van het natuurlijke milieu, het bevorderen van milieu-effectenstudies bij allerlei economische activiteiten, het ontwerpen en invoeren van beschermende maatregelen voor de flora, fauna en ecologisch belangrijke gebieden, het intensiveren van de voorlichting aan het publiek (met speciale aandacht voor de schoolgaande jeugd) en het bevorderen van maatregelen tegen grensoverschrijdende water- en luchtvervuilingen.

Het Comité van Ministers, waarin de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten zitting hebben, stelt het werkprogramma op in samenspraak met de Raadgevende Vergadering. Voor specifieke milieuproblemen wordt bovendien eenmaal per drie jaar een speciale ministerconferentie van de betrokken vakministers gehouden. De uitvoering van het werkprogramma geschiedt door 13 stuurgroepen. Een hiervan, het Europees Comité voor de Bescherming van de Natuur en de Natuurlijke Hulpbronnen, is voor de milieuproblematiek verantwoordelijk. Ca. 20 beleidsambtenaren en even zoveel vakspecialisten nemen aan het overleg deel en stellen het werkplan op voor vier groepen van specialisten. Om tot een juiste taakverdeling met andere organisaties te komen, nemen vertegenwoordigers van o.a. de Food and Agriculture Organization, de EG, de United Nations Educational Scientific and Cultural Organization (UNESCO) en de IUCN als waarnemers aan deze vergaderingen deel.

De eerste groep specialisten heeft als taak de bescherming van bedreigde plante- en diersoorten en van landschapstypen die door allerlei oorzaken dreigen te verdwijnen. Zij verricht inventarisaties op Europese schaal, constateert welke soorten en landschapstypen worden bedreigd en waardoor, en formuleert voorstellen om tot een goede bescherming, dan wel juist beheer te komen. De resultaten zijn in een reeks rapporten in de Nature and Environment Series gepubliceerd, die een goed beeld geven van de status van het natuurlijk milieu in Europa.

De tweede groep houdt zich bezig met de problemen rond de ruimtelijke ordening en het beheer van het natuurlijke milieu. Dit werk resulteerde in o.a. een vegetatiekaart van Europa, een overzicht van de bestaande natuurbeschermingswetten die in de verschillende landen bestaan en van de technieken die bij milieu-effectrapportages worden gebruikt, richtlijnen voor het integreren van de natuur in stedelijke gebieden.

De derde groep richt haar aandacht vooral op het beheer van beschermde en nog te beschermen gebieden. Hierbij wordt na een grondige voorstudie en een terreinbezoek door onafhankelijke deskundigen, aan een aantal zeer belangrijke Europese nationale parken en natuurreservaten het Europese Diploma uitgereikt. Dit certificaat blijkt in de praktijk een uitstekende vorm van herverzekering te zijn, die al menige aanslag op deze gebieden heeft helpen voorkomen. Deze diploma’s worden, na inspectie door buitenstaanders, iedere vijf jaar verlengd. Deze derde groep werkt ook aan de totstandkoming van het netwerk van biogenetische reservaten. Steunend op de inventarisatierapporten van de eerste groep, gaat zij b.v. na: hoeveel vegetatietypen er binnen het landschapstype Atlantische heiden voorkomen, waar zich representatieve stukken hiervan bevinden, welke delen hiervan afdoende worden beschermd en welke nog niet.

Als resultaat moet er uiteindelijk in dat deel van Europa waar zich Atlantische heiden bevinden, een netwerk ontstaan van op regelmatige afstand van elkaar liggende reservaten, waarin alle vegetatietypen van de heide goed worden beschermd en beheerd. Speciale aandacht wordt hierbij gegeven aan de in dit landschapstype voorkomende fauna-elementen. Dit deel van het werkprogramma zal in de toekomst als Europese bijdrage worden ingébracht in het Man and biosphere program van UNESCO, dat op wereldwijde schaal hetzelfde beoogt.

De vierde groep streeft naar een verbetering van de informatie en een intensivering van de voorlichting op het gebied van natuurbeheer en milieuproblematiek voor een breed publiek. Hierbij krijgt de integratie van deze onderwerpen in onderwijsprogramma’s speciale aandacht. Zij wordt hierin gesteund door het Informatiecentrum, dat in ieder land een nationaal agentschap heeft. Dit centrum geeft o.a. in vijf talen het tijdschrift Naturopa uit. Daarnaast organiseert het op Europese schaal regelmatig voorlichtingscampagnes over bepaalde natuurbeheersproblemen, zoals het beheer van oevers van meren en rivieren.

De resultaten van de werkzaamheden van deze vier groepen dienen te worden toegepast en in beleid te worden vertaald d.m.v. ontwerpen van resoluties, charters en internationale verdragen. Deze worden, nadat ze in het voltallige natuurbeschermingscomité zijn behandeld, ter goedkeuring aan het Comité van Ministers voorgelegd, om zo tenslotte een bouwsteen te worden van een Europees milieubeleid. Een voorbeeld hiervan is het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en van hun leefmilieu in Europa, de Conventie van Bern, die in 1979 werd gesloten en die in 1982 in werking trad.