Milieu-encyclopedie

Oosthoek milieu-encyclopedie

Gepubliceerd op 01-12-2020

Lucht

betekenis & definitie

Lucht is het mengsel van gassen rond de aarde. De luchtlaag vormt maar een betrekkelijk dunne schil om de aardbol.

Men noemt haar dampkring of atmosfeer. De dichtheid van de lucht neemt in de dampkring naar boven toe geleidelijk af, wat men b.v. bij het stijgen in hooggebergte goed kan waarnemen. Op zeeniveau bedraagt de dichtheid 1,225 kg/m3, op 32 km hoogte is de dichtheid nog maar 1 % van de waarde op zeeniveau. Ook de luchtdruk neemt af met de hoogte. Samenstelling. Droge lucht bestaat vnl. uit stikstof (78,08 volume %) en zuurstof (20,95 volume %).

Alle overige bestanddelen waarvan de belangrijkste genoemd zijn in tabel 1, komen in veel kleinere concentraties voor, die bovendien naar tijd en plaats nogal kunnen verschillen. De gemiddelde samenstelling van de lucht is tot op een hoogte van ca. 80 km vrijwel constant, met uitzondering van de concentraties aan waterdamp en ozon. De hoeveelheden waterdamp in de lucht variëren gewoonlijk van 0,02—6 volume %. De concentratie van ozon in de atmosfeer vertoont een duidelijke piek op een hoogte van ca. 25 km, de ozonlaag. Behalve gassen bevat lucht ook water in de vorm van druppels en ijskristallen, terwijl er ook stofdeeltjes, stuifmeel, sporen en micro-organismen in zweven. Bovendien brengt de mens vaak vreemde gassen in de atmosfeer (b.v. freonen, PCB’S).De dampkring van de aarde is totaal verschillend van die van de andere planeten. Op grond van de theorieën over het ontstaan van de planeten, neemt men aan dat dit vroeger niet het geval was, maar dat de aardse dampkring vooral veranderde onder invloed van het leven op aarde. Ca. 5 mrd. jaar geleden bestond de oeratmosfeer van de jonge aarde vermoedelijk vnl. uit stikstof, kooldioxide, ammoniak, methaan en waterdamp. Er moet bij de dissociatie van waterdamp onder invloed van ultraviolette straling van de zon wel wat zuurstof vrijgekomen zijn, maar deze werd goeddeels verbruikt bij de oxidatie van metalen aan het aardoppervlak. In ondiepe zeeën ontstond 4-3 mrd. jaar geleden leven. En naarmate het leven evolueerde, veranderde de aardse dampkring.

Vooral na het ontstaan van het eerste plantaardige leven (blauwwieren) strekte deze invloed zich uit tot de atmosfeer. Door het proces van fotosynthese binden planten koolstof uit de kooldioxide van de atmosfeer, waarbij zij zuurstof afgeven. Hierdoor kon het zuurstofgehalte in de loop van miljarden jaren toenemen tot het huidige peil.

Eigenschappen De temperatuur van de dampkring verandert met de hoogte.

Op een hoogte van 10 km is deze -50 °C, terwijl de druk daar ca. 260 mbar bedraagt. In tegenstelling tot de dichtheid en de luchtdruk blijft de temperatuur niet steeds verder afnemen met toenemende hoogte. Op ca. 15 km hoogte wordt een minimumtemperatuur bereikt van ca. —55 °C. Dan loopt de temperatuur weer op tot ca. 0 °C op 50 km, om vervolgens weer af te nemen tot -73 °C tussen 80-90 km hoogte. Boven deze hoogte neemt de temperatuur toe tot zeer hoge waarden. Op grond van dit tempera tuurverloop is de dampkring ingedeeld in een aantal lagen, die troposfeer, stratosfeer, mesosfeer en thermosfeer worden genoemd.

Alle weersverschijnselen vinden plaats in de troposfeer, de onderste laag van de dampkring. Waar minimale en maximale temperatuurwaarden worden gevonden, spreekt men achtereenvolgens van tropopauze, stratopauze en mesopauze.

Tabel 1. De voornaamste bestanddelen (naast zuurstof en stikstof) van droge lucht.

bestanddeel concentratie ppm argon (Ar) 9300 kooldioxide (C02) 335 neon (Ne) 18 helium (He) 5,2 krypton (Kr) 1 xenon (Xe) 0,08 waterstof (H2) 0,5 methaan (CH4) 1,0 1,5 ethaan (C2H6) 0,003 etheen (C2H4) 0,005 acetyleen (C2H2) 0,003 terpenen (in bossen) 14 koolmonoxide (CO) 0,1 0,9 ozon (O3) 0,01 0,04 zwaveldioxide (S02) 0,0002 ammoniak (NH3) 0,006 0,01 lachgas (N20) 0,25 0,5 stikstofmonoxide (NO) 0,002 stikstofdioxide (N02) 0,0005 0,004

1 ppm = 0,0001 vol. %

Op 25 km hoogte bevindt zich de ozonlaag, die in de dampkring een belangrijke rol speelt (o.a. bij de absorptie van ultraviolette straling).

In de onderste luchtlagen, tot ca. 2000 m hoogte, is die temperatuurverandering bepalend voor verticale bewegingen van de lucht. Die laatste spelen een niet onbelangrijke rol bij luchtverontreiniging. Hoe meer beweging er in de lucht zit, des te sneller wordt een verontreiniging verspreid en dus verdund. Theoretisch daalt de temperatuur in een volkomen droge atmosfeer met 1 °C per 100 m. Dat heet dan een neutrale opbouw van de atmosfeer of een verticaal evenwicht. Deze volkomen droge lucht komt echter nooit voor.

Daalt de temperatuur sterker dan 1 °C per 100 m dan worden verticale luchtbewegingen gestimuleerd, de atmosfeer heet dan instabiel. Wanneer de temperatuur echter minder sterk daalt dan in de neutrale situatie of neemt deze zelfs toe bij grotere hoogte, dan worden verticale luchtbewegingen afgeremd. Men spreekt dan van een stabiele atmosferische opbouw. In een dergelijke situatie kunnen hoge concentraties luchtverontreiniging optreden.

In de troposfeer variëren richting en snelheid waarmee de lucht zich verplaatst voortdurend. Zulke wervelingen of turbulenties kunnen mechanisch zijn: door wrijving van de lucht langs het aardoppervlak met zijn obstakels, of thermisch: door opwarming van de lucht van het aardoppervlak bij zonnig weer (de verwarmde lucht is lichter dan de haar omringende lucht, zal daardoor stijgen en zo tot werveling leiden).

Luchtlagen waarin de temperatuur oploopt, kunnen ook voorkomen op grotere hoogte. Deze inversielagen versperren opstijgende luchthoeveelheden; zij sluiten als het ware een ruimte af, waarbinnen een menging van luchtverontreinigingen kan optreden. Die afgesloten ruimte wordt menglaag genoemd: hoe kleiner zij is, hoe groter de concentraties aan luchtverontreiniging zullen zijn.

Functies van de lucht De dampkring filtert de op aarde invallende straling. Een deel van het zichtbare en ultraviolette licht en een deel van de radiogolven worden doorgelaten, de rest wordt geabsorbeerd of teruggekaatst. De geabsorbeerde straling zorgt voor een temperatuurstijging. Het doorgelaten deel valt op de aarde, waar het gedeeltelijk wordt geabsorbeerd en omgezet in warmte. Daardoor gaat de aarde zelf fungeren als warmtestraler en infrarood licht uitzenden. Dit licht wordt in de dampkring vrij sterk geabsorbeerd, vooral door koolstofdioxide en waterdamp, en voor een deel weer teruggezonden naar de aarde, zodat de warmte min of meer vastgehouden wordt. Verder fungeert de lucht, vooral de ozonlaag, als filter die de schadelijke ultraviolette straling van de zon grotendeels tegenhoudt.

De lucht is voor vele organismen van essentieel belang. Zij fungeert als leverancier van zuurstof, koolstofdioxide, water en stikstof. Enkele biologische kringlopen spelen zich voor een belangrijk deel af in de lucht: o.a. de zuurstof-, stikstof-, koolstofdioxide- en waterkringloop. Voor vogels en andere vliegende dieren vormt de lucht een medium, waarin zij een goed deel van hun bestaan doorbrengen. Dan zijn er ook nog zwevende organismen in de lucht o.a. bacteriën en aëroplankton.

Luchtverontreiniging Uitademen is de eerste vorm van, overigens niet giftige, luchtverontreiniging, zo oud als het leven zelf. De natuur echter maakt dat zelf weer ongedaan: groene planten nemen de kooldioxide uit de lucht op en geven weer evenveel zuurstof aan de lucht af (fotosynthese). Maar bij luchtverontreiniging denkt men vandaag de dag wel aan wat anders dan kooldioxide, hoewel kooldioxide wel in verband wordt gebracht met het broeikaseffect. Men denkt echter bij luchtverontreiniging aan allerlei schadelijke en vaak giftige stoffen die, als gevolg van menselijke activiteit, de natuurlijke samenstelling van de dampkring desastreus veranderen. Er zijn vaste verontreinigingen: roet, vliegas en stof (dit laatste klinkt onschuldig, maar het omvat o.a. asbestdeeltjes, cement-, cokes- en kalkstof, zwevende deeltjes met arseen, cadmium, kwik en organische substanties). Daarnaast zijn er fijne druppels vloeistof en kleine vaste deeltjes die in de lucht zweven (aërosolen); verder gasvormige verontreinigingen, zoals zwaveldioxide (tast longen en metalen aan), koolmonoxide (giftig) en chloor (tast de ademhalingsorganen aan).

Tenslotte zijn er verontreinigingen door schadelijke organismen zoals bacteriën. Sommige van deze verontreinigingen kan men direct zien (stof) of ruiken (chloorgas), andere zijn zonder meetapparatuur niet waarneembaar, maar kunnen des te gevaarlijker zijn (b.v. koolmonoxide).

Luchtverontreiniging binnenshuis In landen met een gematigd klimaat (dus o.a. in Nederland en België) brengen de bewoners ca. 70 % van hun tijd binnenshuis door. Vandaar dat luchtverontreinigingen binnenshuis nogal wat invloed heb ben. Doordat men er steeds meer toe overgaat reten en kieren dicht te stoppen ten einde op de verwarmingskosten te bezuinigen, wordt de lucht in huis niet meer voldoende ververst.

De lucht binnenshuis kan ook verontreinigd worden door stoffen afkomstig uit een verontreinigde buitenlucht of, via de vloer, uit een verontreinigde bodem (Lekkerkerk). Specifiek voor het binnenmilieu zijn verontreinigingen ten gevolge van apparaten die gas of aardolie verbranden.

De in Nederland op grote schaal gebruikte aardgasapparatuur verbrandt het aardgas vrijwel volledig tot kooldioxide en water en is dus erg schoon. Wel ontstaat er een hoeveelheid stikstofoxiden. Bij slecht onderhouden of vuile apparatuur verloopt de verbranding onvolledig, waardoor een grote hoeveelheid giftige koolmonoxide vrijkomt.

Een andere belangrijke bron van luchtverontreiniging in huis (en op kantoor) is tabaksrook. Rokers vervuilen de lucht in hun omgeving zo sterk, dat zij hun medekamergebruikers automatisch tot passieve rokers maken. Een heel andere bron van verontreinigingen vormen de bouw- en isolatiematerialen die in woningen worden toegepast. Bekend in dit opzicht is → -spaanplaat, dat op grote schaal werd toegepast in de nieuwbouw. Uit soorten die met ureumformaldehyde verlijmd zijn, ontsnapt vaak op den duur formaldehydegas, wat tot klachten leidt(o.a. prikkende ogen). Ook uit het zgn. UF-schuim (ureumformaldehyde), dat gebruikt wordt voor spouwmuurisolatie, kan formaldehyde vrijkomen.

De vervuiling van de binnenlucht vormt vooral een bedreiging voor mensen die veel tijd binnenshuis doorbrengen m.n. jonge kinderen, huisvrouwen, gepensioneerden, arbeidsongeschikten, werklozen en (langdurig) zieken. Een deel van hen behoort toch al tot de zgn. risicogroepen (bejaarden, sommige categorieën WAO’ers).

De bestrijding of liever het voorkomen van luchtverontreiniging in huis is grotendeels een individuele aangelegenheid. Het is van belang dat er goed wordt geventileerd en dat het roken wordt beperkt.

Ook een weloverwogen keuze van de stoffering is een stap op de goede weg. De overheid kan veel doen door bepalingen op te stellen omtrent kwaliteit en verwerking van bouw- en isolatiematerialen. De Ned. Wet inzake luchtverontreiniging is niet zonder meer toepasbaar op de situatie binnenshuis, deze wet is specifiek bedoeld voor de buitenlucht. Tabel 2 geeft een overzicht van de belangrijkste bronnen van luchtverontreiniging in huis en welke stoffen daarbij vrijkomen.

Verontreiniging van de buitenlucht De buitenlucht is feitelijk zonder begrenzingen. Dit betekent dat verontreinigingen die in de lucht terechtkomen zich, afhankelijk van de weersomstandigheden, betrekkelijk snel over een groot gebied kunnen verspreiden. Door dit verspreiden wordt de verontreiniging verdund, waardoor de schadelijke werking al snel afneemt. Maar deze verdunning betekent ook dat het verwijderen van de verontreiniging uit de lucht onmogelijk is, dit in tegenstelling tot verontreinigingen in de bodem en sommige waterverontreinigingen. Treedt er een gevaarlijke vorm van luchtverontreiniging op, b.v. na een explosie in een chemisch bedrijf, dan kan men weinig anders doen dan zich in veiligheid stellen en wachten tot het gevaar geweken is.

Bronnen van luchtverontreiniging De drie voornaamste bronnen van luchtverontreiniging zijn de energievoorziening, het gemotoriseerde verkeer en de chemische industrie. Bij volledige verbranding van fossiele brandstoffen (steenkool, aardolie, aardgas) ontstaan kooldioxide en waterdamp, stoffen die normaal ook in de lucht aanwezig zijn. Behalve deze stoffen ontstaat bij de verbranding van steenkool en aardolie meestal ook zwaveldioxide, en bij steenkool bovendien as (die voor een deel in de lucht terechtkomt in de vorm van vliegas). Bij de hoge temperaturen die in de vuurhaarden heersen, ontstaan ook schadelijke stoffen zoals stikstofoxiden.

Als de verbranding niet volledig verloopt, ontstaan er bovendien het kleur- en reukloze koolmonoxide en gecompliceerde organische verbindingen, die kunnen stinken en/of zwart en roetachtig zijn. Het onttrekken van de voor de verbranding benodigde zuurstof heeft voor de mens nauwelijks gevolgen. Wanneer men in een keer alle fossiele brandstoffen op aarde zou verbranden, zou dit slechts 2,5 % van de in de lucht aanwezige zuurstof verbruiken; het is wel mogelijk, en zelfs waarschijnlijk, dat de hoeveelheid kooldioxide die bij die verbranding vrijkomt, ingrijpende klimatologische gevolgen zou hebben. Alleen al in 1975 is als gevolg van menselijke activiteiten op aarde 13 mrd. t kooldioxide in het milieu terechtgekomen, waarvan een deel door de oceanen is opgenomen. Hierdoor is in dat ene jaar het kooldioxidegehalte in de atmosfeer al met ca. 1 ppm gestegen tot ca. 335 ppm. De jaarlijkse toename van het kooldioxidegehalte zou op de lange duur kunnen leiden tot het → broeikaseffect, met ernstige gevolgen voor de voedselvoorziening.

Het gemotoriseerde verkeer levert ca. 10 % van de verontreiniging met kooldioxide door het verbranden van fossiele brandstoffen. Door de hoge verbrandingstemperatuur zijn auto’s de voornaamste bron van stikstofdioxide. In de uitlaatgassen van benzinemotoren komen allerlei organische stoffen voor (o.a. loodverbindingen) die afkomstig zijn van additieven (antiklopmiddelen e.d.). De uitlaatgassen van dieselmotoren bevatten vaak roet, waarin polycyclische aromaten voorkomen, waarvan er enkele kankerverwekkend zijn, en veel aldehyden. Behalve uitlaatgassen geven auto’s ook nog vaste bestanddelen af, o.a. asbestvezels, afkomstig van de koppelingsplaten en remvoeringen, en rubberdeeltjes ten gevolge van het afslijten van de banden.

De industrie en vooral de chemische industrie stoot behalve zwaveldioxide en kooldioxide steeds meer andere verontreinigende stoffen uit. Belangrijke vervuilende stoffen die zelfs al in kleine hoeveelheden schadelijk zijn, zijn o.a. fluorwaterstof, arseenverbindingen, vinylchloride (grondstof voor PVC) en dioxinen (oorzaak van de milieuramp bij Seveso, 10.7.1976). Meer lokaal van invloed is het stof dat bij het verwerken van bepaalde materialen in de lucht terechtkomt. Zo komt bij zandstralen zeer fijn kwartsstof vrij, dat vaak de oorzaak is van de beruchte stoflong. Zandstralen is daarom nog maar zeer beperkt toegestaan. Tabel 3 geeft een overzicht van de qua hoeveelheid belangrijkste luchtverontreinigende stoffen, gegroepeerd naar bedrijfstak.

Naast de drie voornaamste bronnen van luchtvervuiling zijn er nog vele andere, b.v. inrichtingen voor vuilverbranding, de bio-industrie, composteringsinstallaties, spuitbussen, bestrijdingsmethoden (o.a. het spuiten van pesticiden vanuit vliegtuigen). Luchtverontreiniging van fysische aard wordt doorgaans veroorzaakt door energiebronnen die straling of trillingen de ruimte in zenden. Voorbeelden hiervan zijn: radioactieve straling, ultraviolette straling, warmtestraling (infrarode straling), mechanische trillingen, geluid. Tenzij radioactieve straling veroorzaakt wordt door de verspreiding van kleine radioactieve deeltjes in de buitenlucht, hebben fysische luchtvervuilers een beperkte invloed. Zij spelen vooral een rol in de directe omgeving van hun bron, zoals in de procesindustrie, waarin grondstoffen worden omgezet in eindprodukten d.m.v. chemische, biochemische of fysische bewerkingen. Chemische verontreinigingen, als zodanig in de lucht gebracht, worden primaire luchtvervuilers genoemd.

In de buitenlucht kunnen zij — ten dele onder invloed van het zonlicht en katalytisch beïnvloed door aërosolen worden omgezet in andere verbindingen, die eveneens schadelijk zijn. Als zonlicht hierbij een rol speelt, spreekt men van fotochemische luchtverontreiniging. De nieuw gevormde verbindingen noemt men secundaire vervuilers.

Bekende voorbeelden van fotochemische luchtverontreiniging zijn zwavelzuur en salpeterzuur, die door oxidatieve omzettingen zijn ontstaan uit resp. zwaveldioxide (S02) en stikstofoxiden (NO en N02). Deze stoffen kunnen over grote afstand in de buitenlucht worden meegevoerd. Na uitregenen en door droge depositie zijn zij volgens velen medeverantwoordelijk voor de verzuring van bodem en meren (de zgn. zure regens in o.a. Canada en Scandinavië), hoewel dit onvoldoende is aangetoond. Ook kunnen bepaalde koolwaterstoffen uit uitlaatgassen met stikstofdioxide onder invloed van zonlicht reageren tot een mengsel dat o.a. ozon en peroxy-acetylnitraten bevat. Dit mengsel, dat het eerst bekend werd als de Los Angelessmog, werkt irriterend op de slijmvliezen, vermindert het zicht en beschadigt vele gewassen (o.a. citrusvruchten, spinazie).

Meten van luchtverontreiniging Voor het verkrijgen van kwantitatieve gegevens over luchtverontreiniging kan men overgaan tot het meten van de concentratie van de verontreinigende stoffen in de lucht, gemiddeld over een zekere tijd. De apparatuur voor het continu bepalen van concentraties in de lucht kan volautomatisch werken, zoals de snuffelpaal. De organisatie die zich hiermee bezighoudt, is het Nationale Meetnet voor Luchtverontreiniging.

De concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht zijn vaak sterk aan fluctuaties onderhevig. De maandgemiddelde concentraties van zwaveldioxide in b.v. Amsterdam vertonen duidelijk pieken, die samenhangen met de jaargetijden. Doordat in de winter meer fossiele brandstoffen verstookt worden, is ook de zwaveldioxideconcentratie hoger in die periode. Beziet men de daggemiddelde waarden van b.v. koolmonoxide en stikstofoxiden (uitlaatgassen) op een bepaalde plaats in een grote stad, over de periode van een maand, dan is doorgaans geen periodiciteit te ontdekken. Maar brengt men de halfuursgemiddelde waarden in beeld, dan zijn de spitsuren van het verkeer daarin duidelijk te herkennen.

Uit deze voorbeelden blijkt dat men zich bij het opzetten van een meetprogramma dient af te vragen welke stoffen er gemeten moeten worden, waarvoor, waar, wanneer, over welke periode en hoe frequent. Het is overigens niet voldoende de concentratie van verontreinigende stoffen op één punt te kennen. Men dient een groot aantal meetpunten verspreid over een groot gebied te hebben. Men kan dan niet alleen de concentraties op de meetpunten bepalen, maar tevens het transport van de verontreinigingen door de lucht vaststellen. Men kan ook organismen (vooral planten) gebruiken om acute en/of chronische luchtverontreiniging waar te nemen. Planten zijn vaak heel gevoelig voor specifieke verontreinigingen; zij zijn soms de eerste indicatoren van tot dan zelfs volkomen onbekende luchtverontreinigingen.

Dat was het geval met ozon- en peroxy-acetylnitraatverontreiniging in Californie, en met de laatste ook in Nederland. Uit het schadebeeld kan men dan in veel gevallen bepalen welke stof de verontreiniging veroorzaakte. Om deze redenen heeft men in Nederland een veertigtal veldjes aangelegd. Op deze proefveldjes wordt een standaard assortiment planten gekweekt, waarmee men diverse soorten luchtverontreiniging kan vaststellen (tabel 3).

Gevolgen van luchtverontreiniging Luchtverontreiniging kan nadelig zijn voor de gezondheid van mens, dier en plant. Gedurende bepaalde perioden met sterke luchtverontreiniging, zoals in het Maasdal tussen Luik en Hoei in 1930 en in Donara (vs) in 1948, sterven er meer mensen dan statistisch kan worden verwacht. Deze oversterfte bedroeg in Londen in dec. 1952 over een periode van tien dagen 4000 personen. Het staat vast dat sterke luchtverontreinigingen leiden tot een toename van het aantal ziektegevallen, m.n. van ziekten van de ademhalingsorganen. Er is ook een duidelijk verband met sterkte en duur van de verontreiniging. Het is echter moeilijk vast te stellen bij welke waarden nadelige verschijnselen gaan optreden.

Bij epidemiologische onderzoeken zijn wel de gevolgen van luchtverontreinigingen te achterhalen en eveneens de voorgekomen concentraties, maar er kan niet worden vastgesteld welk bestanddeel van de lucht tot de waargenomen gevolgen heeft geleid. Zo is in Londen, nadat vanaf 1962 de rookgehalten sterk zijn verminderd maar de zwaveldioxidegehalten op hetzelfde niveau zijn gebleven, de oversterfte sterk afgenomen.

Dieren ondervinden niet alleen nadelige gevolgen door inademing, maar ook als zij b.v. voedsel met daarop neergeslagen verontreinigingen eten. Het bekendste voorbeeld is fluorosis, met aantasting van het gebit en afwijkingen in het beendergestel zodra het voedsel geregeld meer dan ongeveer 50 ppm fluor bevat. De luchtverontreiniging door auto’s heeft directe invloed op dieren. Langs snelwegen komen ten gevolge van o.a. hoge loodconcentraties op planten minder insekten voor (zowel minder soorten als minder individuen).

De invloed op individuele planten kan door begassingsproeven worden bestudeerd. De gevoeligheid van planten hangt van vele factoren af. Bij land- en tuinbouwgewassen heeft men geconstateerd dat sommige stoffen te zamen synergistisch werken (elkaar versterken), wat het onderzoek bemoeilijkt. Een uitgebreid onderzoek in o.a. Nederland bracht aan het licht dat gebieden met een sterke luchtverontreiniging bijzonder arm zijn aan korstmossen (Rijnmond, Westland, Amsterdam). De rijkste korstmosgebieden (zowel naar aantal soorten als naar aantal en grootte van de individuen) liggen vrijwel steeds in schonere streken.

Niet alleen levende wezens ondervinden nadelige gevolgen van luchtverontreiniging, ook vele materialen worden er door aangetast. Een goed voorbeeld is de schade die luchtverontreinigingen kunnen teweegbrengen aan oude gebouwen en monumenten. In Venetië is meer dan een derde van de gebouwen en beeldhouwwerken ernstig beschadigd door de agressieve lucht in die stad; de schade neemt nog voortdurend toe. Ook voor de industrie heeft de schade aan materialen directe gevolgen. Men schat het economisch verlies ten gevolge van de schade aan materialen in 1970 alleen al in de vs in de orde van us $ 40 mrd.

Bestrijding van luchtverontreiniging Vanwege de snelle verspreiding en grote verdunning is het onmogelijk in de dampkring aanwezige verontreinigingen daaruit te verwijderen. Luchtverontreiniging valt dus niet te bestrijden; zij moet worden voorkomen. Verontreiniging met koolmonoxide kan worden voorkomen door te kiezen voor een efficiënter verbrandingsproces of (bij auto’s) door de verbrandingsgassen te leiden door een nabrander, die het koolmonoxide omzet in kooldioxide. Zwaveldioxideverontreiniging zou beperkt kunnen worden door gebruik van zwavelarme olie en zwavelarme steenkool of door rookgasontzwaveling (→ rookgas). Aangezien schone technologie vaak duurder is, ligt er voor de overheid de taak om d.m.v. heffingen op emissies en subsidieregelingen het gebruik van deze technieken te bevorderen. Het blijkt mogelijk, ondanks toenemende urbanisatie en industrialisatie, de luchtverontreiniging te beperken, maar dit eist voortdurende activiteit.

Zo is in Nederland de totale uitworp van zwaveldioxide van 1965-77 afgenomen van ruim 900 mln. kg/jaar tot 313 mln. kg, vooral door het toenemend gebruik van aardgas. In 1979 bedroeg de emissie echter al weer 405 mln. kg. De huisverwarming geschiedt in Nederland vooral met aardgas. Hierbij ontstaan wel stikstofdioxiden, maar geen zwaveldioxide. In België geldt dit niet; daar wordt vooral olie als brandstof voor huisverwarming gebruikt. De industrie is in nagenoeg alle ontwikkelde landen al aan strenge eisen onderworpen; voor elk bedrijf is een vergunning nodig, waaraan steeds strengere voorschriften worden verbonden. Door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging wordt bestreden door eisen te stellen die voor alle typen auto’s gelden, o.a. straffere beperkingen aan de uitworp van koolmonoxide, koolwaterstoffen en sinds kort ook van stikstofoxiden.

In een aantal grote industrielanden zijn luchtverontreinigende stoffen of groepen daarvan met name genoemd, terwijl van overheidswege daarbij is aangegeven wat de maximale concentratie onder bepaalde omstandigheden en gemiddeld genomen over een aangegeven tijdsduur mag zijn. Het zijn normen voor de kwaliteit van de buitenlucht op leefniveau. Zij gelden overal buiten de poorten, terreinen en ruimten van een bedrijf. Binnen deze gebieden gelden in Nederland de zgn. MAC-waarden in de atmosfeer van een bedrijf; een gezonde arbeider zou daarin gedurende zijn gehele dienstverband gemiddeld acht uur per dag moeten kunnen werken zonder schadelijke gevolgen daarvan te ondervinden. Door de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken wordt jaarlijks de Nationale MAC-lijst uitgegeven. In België wordt een analoge lijst met Toegelaten Limietwaarden (threshold limit values) gepubliceerd door het Commissariaat-Generaal voor de Bevordering van de Arbeid.

Wettelijke regeling in België Reeds in 1964 werd een kaderwet uitgevaardigd, waarin luchtverontreiniging gedefinieerd wordt als: alle soorten van lozingen in de lucht, hetzij in gasvormige, vloeibare of vaste vorm, die de gezondheid van de mens in gevaar zouden kunnen brengen of die hinderlijk zouden kunnen zijn voor dieren of planten, of die schade zouden kunnen toebrengen aan het milieu. De Wet van 28.12.1964 bepaalt de bevoegdheden van de koning om uitvoeringsbesluiten uit te vaardigen, alsook de bevoegdheden van de ministers van Volksgezondheid, Economische Zaken, Arbeid en Tewerkstelling en van Verkeerswezen ter voorkoming en bestrijding van luchtverontreiniging. Vanaf 31.12.1966 werden de eerste uitvoeringsmaatregelen getroffen, die geleidelijk werden ontwikkeld door latere besluiten. Geregeld werden o.a.: de erkenning van privé-laboratoria (1966), de oprichting van speciale beschermingszones (1971), het voorkomen van verontreiniging door industriële verbrandingsinstallaties (1975) en door verwarmingsinstallaties van gebouwen (1978). De regeling van voorafgaande vergunningen voor bedrijfsinrichtingen geschiedt bij het Algemeen Arbeidsreglement voor de Arbeidsbescherming. Normen voor motorvoertuigen zijn vastgelegd in KB’S. Vanaf 1967 werkt een meetnet voor de controle van de kwaliteit van de lucht, dat in 1978 was gegroeid tot een volautomatisch meetnet dat het gehele land omvat.

Wettelijke regeling in Nederland De Wet inzake de luchtverontreiniging werd in 1970 aangenomen en is in sept. 1972 van kracht geworden. De wet voorziet in o.a. een vergunningenstelsel en in heffingen, voorlopig alleen op brandstoffen. Enkele uitvoeringsmaatregelen betreffen: beperking van het zwavelgehalte van brandstoffen (voor zware olie vanaf medio 1976 maximaal 2,5 %) en van het loodgehalte in benzine (maximaal 0,4 g/1). Vanaf 1976 is in Nederland een volledig automatisch werkend meetnet voor zwaveldioxide in werking, dat recentelijk is uitgebreid met metingen van stikstofmonoxide, stikstofdioxide, koolmonoxide en ozon. Verder is een begin gemaakt met de registratie van alle industriële uitworpen; deze registratie is in Zuid-Limburg en Zuid-Holland gereed en zal binnen enkele jaren het gehele land omvatten. [prof.dr.E.H.Adema] Tabel 2. De voornaamste bronnen van binnenluchtverontreiniging en de stoffen die daarbij een rol spelen.

bron verontreinigende stoffen buitenlucht zwaveldioxide, stof, stikstofoxiden, ozon, koolmonoxide kook- en verwarmingsapparatuur koolmonoxide, stikstofoxiden, kooldioxide roken koolmonoxide, stof, polycyclische aromaten, stikstofoxiden, ammoniak, formaldehyde bouw- en isolatiematerialen formaldehyde, radon mens koolstofdioxide, ammoniak, geurstoffen schoonmaakmiddelen ammoniak, chloor insecticiden gechloreerde koolwaterstoffen stoffering en meubels organische stoffen, allergenen