Milieu-encyclopedie

Oosthoek milieu-encyclopedie

Gepubliceerd op 01-12-2020

Energie

betekenis & definitie

Energie is het vermogen om arbeid te verrichten. De zon is altijd de belangrijkste bron geweest van alle krachten op aarde.

Veel minder invloed hebben de maan en de omwenteling van de aarde, waaraan eb en vloed te danken zijn. Dank zij de zon waait de wind, valt er regen en stromen de rivieren. De zon doet de planten groeien, die op hun beurt voedsel vormen voor alle dieren en de mens. Steenkool, olie en gas dienen voor verwarming. Hierbij is er sprake van in planten opgeslagen warmte: d.i. zonlicht dat in vroeger tijden door planten werd opgevangen. Auto’s rijden op zonnewarmte van wel 300 mln. jaar geleden.Energie is kracht die beweging kan teweegbrengen of iets kan verwarmen. Dat kan dus direct uit zonlicht, wind- en waterkracht, maar ook via opgenomen voedsel. Chemische energie noemt men dat.

De spieren werken op energie uit voedsel. Deze energie kan men laten overgaan in beweging, b.v. om een fiets te laten rijden. Een klein deel van de lichaamsenergie kan dan met behulp van een dynamo in elektriciteit worden omgezet, die als licht via het lampje de fiets weer verlaat. Vroeger gebruikten de mensen hun eigen spieren of die van trekdieren als er kracht moest worden uitgeoefend. Voor warmte gebruikte men vooral houtvuur. Met meer technisch vernuft kon men gebruik maken van wind en water om molens te laten draaien en schepen te laten varen.

Door de uitvinding van de stoommachine beschikte de mens plotseling over veel meer kracht en nam de behoefte aan brandstoffen snel toe. Het was het begin van de industriële revolutie. Turf en hout bleken al gauw niet meer voldoende om de machines te laten draaien. Steenkool en olie, vanouds bekend maar toen nog weinig gebruikt, wonnen aan betekenis. Nog later ontdekte men dat stoommachines ook grote dynamo’s kunnen aandrijven voor het opwekken van elektriciteit. Daarmee kan men licht maken en motoren laten lopen zoals mixers en scheerapparaten, maar ook treinen. De toepassingen van elektriciteit zijn uit de westerse maatschappij niet meer weg te denken.

Schaarste, afhankelijkheid en kwetsbaarheid Tot aan het begin van de jaren zeventig leek er geen einde te komen aan de welvaartsgroei, die mede gebaseerd was op steeds meer energie en steeds meer gemaksprodukten. Energie werd trouwens goedkoper, omdat er steeds meer van werd ontdekt. Eerst steenkool, maar later vooral olie uit het Midden-Oosten, aardgas uit Groningen en olie uit de Noordzee. Het wereldenergieverbruik groeide na 1950 met gemiddeld 5 % per jaar (in Nederland 7 %). Die energie werd vnl. geleverd door niet of nauwelijks geïndustrialiseerde landen met een gering eigen verbruik. Alle prognoses voor de toekomst werden gebaseerd op een zeer sterke stijging van het energieverbruik.

Zo zou b.v. het Ned. elektriciteitsverbruik in het jaar 2000 achtmaal zo groot zijn als in 1972. In België verwacht men tot 1993 een jaarlijkse stijging van 2,5 % in het elektriciteitsverbruik. In 1972 verscheen het eerste rapport van de Club van Rome, Grenzen aan de groei, waarin o.m. werd gewezen op de beperkte beschikbaarheid van energie- en grondstoffenreserves. Hoewel veel cijfers uit dit rapport later zijn achterhaald, was de hoofdgedachte juist. In 1973 ontstond bovendien een oliecrisis doordat de olieexporterende landen (de OPEC-Ianden) de bij de inflatie achtergebleven prijs van ruwe olie sterk verhoogden. De verhogingen veroorzaakten een grote schok en enorme economische problemen voor de geïndustrialiseerde wereld.

Toch lijken er ook positieve kanten aan deze ontwikkeling te zitten, want de geïndustrialiseerde wereld werd abrupt genezen van de waan dat er geen einde zou komen aan de immer stijgende welvaart op basis van goedkope energie. Het ontwaken uit die welvaartsdroom vertoont drie aspecten: de milieubezwaren tegen de energiegroep het besef dat de energiebronnen eindig zijn en vooral het besef van toenemende afhankelijkheid van olieproducerende landen. Het geïndustrialiseerde West-Europa blijkt ontzettend kwetsbaar te zijn geworden, vanwege de grote afhankelijkheid van de olietoevoer uit de OPEClanden (en straks mogelijk van gas uit de USSR). Vandaar de grote interesse voor olie en gas uit de Noordzee en Alaska, al is de winning daarvan veel duurder. De vraag naar olie uit de OPEC-Ianden is sinds 1979 zover afgenomen, dat de OPEC in 1982 een deel van haar afzet bedreigd zag. Om in de markt te blijven, begon men de tarieven wat te verlagen of deze te stabiliseren.

Inmiddels blijkt er allengs anders tegen het energieprobleem te worden aangekeken. Terwijl vroeger de energievoorziening alleen een zaak was van ingenieurs (voor de techniek) en van economen (voor de prijs), blijkt nu dat energie veel meer op gevolgen voor milieu en samenleving wordt bekeken. Ook komen de wereldpolitieke consequenties steeds vaker in het geding dank zij milieu-organisaties, consumentenorganisaties, sommige politieke partijen en derdewereldbewegingen.

De verschillende soorten van energiebronnen In 1950 voorzag steenkool nog voor 60 % in het wereldenergieverbruik, maar dit aandeel is afgenomen tot ca. 30 % in 1973. Nu is het percentage weer enigszins gestegen. Voor Nederland zijn deze percentages extremer: 60 % in 1950 en 4 % in 1973. In België daalde aanvankelijk in de tweede helft van de 20e eeuw het aandeel van steenkool in de elektriciteitsvoorziening (naar 13 %). Sinds 1974 stijgt zij echter weer (tot 33 % in 1982). Er zijn nog zeer grote hoeveelheden steenkool in de aarde aanwezig. De winning ervan is echter slecht voor de gezondheid (stoflong) en het milieu (aantasting van het landschap en verontreiniging van gronden oppervlaktewater).

In de jaren vijftig en zestig was doorgaans de winning van olie en gas goedkoper en schoner; toen is men overgegaan op deze ‘nieuwe’ brandstoffen. Steenkool werd en wordt vanwege de hoge verbrandingswaarde vooral toegepast bij het opwekken van warmte en stoom. Verder wordt zij vooral gebruikt bij de produktie van ijzer en tegenwoordig ook weer voor de produktie van elektriciteit.

Het directe bezwaar van het gebruik van steenkool is vooral het ontstaan van grote hoeveelheden afval bij de produktie en bij de verbranding. Een indirect bezwaar is dat er zeer veel kooldioxide per opgewekte hoeveelheid energie in de lucht komt, wat versneld kan leiden tot klimatologische effecten.

De voorraden steenkool zijn in vergelijking met die van aardolie en aardgas groot. De voorraad is waarschijnlijk nog toereikend voor enkele eeuwen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat op grote schaal toepassing van kolenvergassing zowel bovengronds als ondergronds mogelijk is. Bij ondergrondse vergassing zijn kolenlagen op zeer grote diepte bruikbaar, maar het procédé is nog erg duur en wordt weinig gedaan. Doordat steenkool op vrij veel plaatsen in grote hoeveelheden voorkomt, m.n. in de USSR, in Noord-Amerika en in China, is er weinig kans dat een machtsblok deze energiebron als pressiemiddel gebruikt. Met olie of aardgas kan veel eerder politieke druk worden uitgeoefend.

Aardolie is thans nog de belangrijkste energiebron in de geïndustrialiseerde westerse wereld (60 % van het totale verbruik). Het voordeel van olie t.o.v. steenkool is dat olie gemakkelijker is te winnen en te transporteren (via pijpleidingen en supertankers). Bij de huidige groei van het verbruik zal olie echter rond het jaar 2000 schaars worden. Deze wetenschap heeft mede ertoe geleid dat de OPEC-Ianden de prijs van de olie sinds 1973 aanpasten aan de prijzen van andere produkten op de wereldmarkt. Doordat olie voor veel industrieën zowel brandstof als grondstof is, kwam deze politiek hard aan. De westerse landen hebben de prijsverhogingen redelijk goed opgevangen, maar voor de ontwikkelingslanden kwam de klap harder aan.

Nadelen van het gebruik van aardolie zijn o.a. de milieuverontreinigingen bij de winning (verontreiniging van de Perzische Golf, de Golf van Mexico en de Noordzee), de gevaren bij het transport (breken van pijpleidingen en rampen met olietankers), bij opslag en raffinage. Het lijkt erop, dat naarmate de olieprijs stijgt het steeds belangrijker wordt om nieuwe olievelden te vinden; bij de exploratie en exploitatie daarvan worden nieuwe technieken gebruikt.

Van de bekende reserves bevinden zich 42 % in de OPEC-Ianden van het Midden-Oosten en Noord-Afrika en 23 % in de USSR, andere landen in het Oostblok en China.

Aardgas is ontstaan tijdens de vorming van steenkool en aardolie. Het wordt op zeer veel plaatsen in de wereld aangetroffen en gewonnen. Aardgas heeft het grote voordeel dat het gemakkelijk is te vervoeren en dat het bij de winning en verbranding nauwelijks milieuverontreinigingen teweegbrengt. Bij voortzetting van het huidige gebruik zullen na 2000 nog maar weinig landen over grote reserves beschikken. De huidige reserves liggen voor ca. 40 % in de USSR en andere landen in het Oostblok, voor 25 % in het Midden-Oosten en slechts voor 6 % in Nederland. In België komt geen aardgas voor.

Thans wordt een pijpleiding vanuit Siberië naar West-Europa gelegd. Om afhankelijkheid van de USSR tegen te gaan heeft de Amerikaanse president in 1982 grote politieke druk uitgeoefend op de Westeuropese landen om niet mee te werken aan de bouw van die pijpleiding.

Uraan is een niet-fossiele energiebron.

Het radioactieve metaal levert bij de kernsplijtingsprocessen energie op. In kerncentrales kan hiermee elektriciteit worden gemaakt. De belangrijkste milieuproblemen vormen de verwerking en de opslag van het kernafval. De voorraden uraanerts zijn tamelijk beperkt. Zonder gebruik te maken van de opwerkingsfabrieken en kweekreactoren zou uraan slechts 20-50 jaar toereikend zijn. Alleen Zuid-Afrika, Australië, de vs en Canada beschikken over aanzienlijke voorraden.

Door opwerkingstechnieken is het mogelijk veel langer te doen met uraan, doordat daarbij de stof plutonium ontstaat die kan worden gebruikt in de kweekreactoren (o.a. te Kalkar). De brandstof wordt daarin veel efficiënter gebruikt dan in gewone reactoren. Kalkar aan de Rijn in de BRD en de Phoenix aan de Rhône bij Marcoule in Frankrijk zijn nog slechts prototypen. De kweekreactor is, fysisch gezien, minder aantrekkelijk, instabieler en duurder dan de huidige reactoren. Het grootste probleem van de kweekreactoren is het vrijkomen van zuiver plutonium, dat zeer giftig is en gebruikt kan worden voor het maken van kernwapens.

Kernfusie is een andere vorm van kernenergie. Hierbij hoopt men kernen van zwaar waterstof (deuterium) of zwaar waterstof met tritium met elkaar te laten versmelten. Dit is het proces waaraan de zon haar energie ontleent. Het is echter de vraag of het fysische proces van de zon op aarde in een beheersbare vorm is na te bootsen. De technologische problemen die bij het bouwen van een kernfusiereactor optreden zijn zo enorm, dat voorlopig voor het jaar 2025 geen wezenlijke bijdrage van kernfusie-energie is te verwachten en dat die vorm van energie dan erg duur zal zijn.

Verdeling van het energieverbruik over de wereld in 1980.

aandeel in wereldenergieverbruik aandeel in wereldbevolking % % West-Europa 18,7 8,4 vs 26,8 5,2 USSR 17,0 6,2 Japan 5,3 2,7 overige landen 32,2 77,4 Duurzame energie Tegenover de fossiele energiebronnen en uraan die uitputbaar zijn, staan de duurzame energiebronnen, waartoe behoren: zonne-energie, windenergie, bio-energie, energie uit golfbewegingen, waterkracht en getijdenenergie. Deze bronnen hebben gemeen dat energie wordt afgetapt van natuurlijke energiestromen die niet opraken. Zij komen echter merendeels in wisselende mate ter beschikking, zodat bij de toepassing ervan de mogelijkheid van opslag van energie erg belangrijk is. Dit geldt natuurlijk ook bij gebruik van fossiele brandstoffen of uraan, maar daar is al veel ervaring mee opgedaan. Aan allerlei methoden voor opslag van duurzame energie wordt hard gewerkt. Er zijn b.v. plannen ontwikkeld om met windkracht water op te pompen in spaarbekkens om op momenten waarop dat nodig is elektromotoren aan te drijven (plan-Lievense) of energie op te slaan door grote reservoirs op te warmen met zonne-energie en die warmte in de winter weer te benutten.

Een groot voordeel van duurzame energiebronnen is dat een aantal problemen van de fossiele brandstoffen en de kernenergie (milieu, uitputting, afhankelijkheid en kwetsbaarheid) zich in veel mindere mate voordoet. De hoeveelheid zonne-energie die elke dag de aarde bereikt, is al 10 000 maal zo groot als de dagelijkse behoefte aan energie in de hele wereld.

Verliezen bij omzetting en transport Energie gebruiken is energie van hoge kwaliteit omzetten in een energiesoort van mindere kwaliteit, totdat uiteindelijk alles overgaat in warmte. Elektriciteit is een energiesoort van hoge kwaliteit. Men kan met een goede elektromotor 90 % van de elektrische energie omzetten in een draaiende beweging. Bij elke energie-omzetting treedt warmteverlies op, in dit voorbeeld dus 10 %. Elektriciteit is geen primaire energie, zij wordt opgewekt door omzetting van zonne-energie, windkracht, waterkracht of de verbranding van fossiele brandstoffen. Daarbij treden vaak grote omzettingsverliezen op, soms meer dan 70 %.

Bij het vervoer van aardgas gaat 7 % van de energie-inhoud verloren door lekken en door de energie die nodig is voor de pompstations. Bij het opwekken van elektriciteit uit aardolie treden verliezen op bij de zuivering van aardolie tot stookolie, het vervoer naar de centrale, de verbranding zelf, de wrijving in de turbine en de generator en tenslotte in het leidingnet. Onderweg gaat in totaal ca. 66 % verloren. Deze verliezen komen vrij als warmte in de omgeving, het meeste daarvan in het koelwater van de centrale. Bij de opwekking van elektriciteit uit kernenergie bedraagt het totale verlies 70-80 %.

Energieverbruik In de jaren 1960-74 met steeds dalende energieprijzen groeide het energieverbruik in Nederland met ca. 8 % per jaar en het elektriciteitsverbruik zelfs met 9-10 %. Nadien bedroeg de energiegroei nog maar 2 % per jaar en sinds 1981 is er sprake van een teruggang (5,1 % t.o.v. 1980). In België steeg het elektriciteitsverbruik in de periode 1974-76 2,9 %. Tot 1980 bleef het verbruik stijgen om in 1981 en 1982 te dalen; in 1983 was er opnieuw een lichte stijging. In de meeste landen stijgt het elektriciteitsverbruik nog steeds. Dit geldt vooral voor landen als Frankrijk en Zweden, waar van oudsher de huizen elektrisch worden verwarmd.

M.n. op het platteland waar geen gasleidingen maar wel elektriciteitsnetten zijn aangelegd, schakelt men over van de dure stookolie op elektriciteit. Daarbij komt dat de elektriciteitsvoorziening een grote bedrijfssector is geworden met vaak een monopoliepositie. Elektriciteit wordt in grote centrales opgewekt en door een uitgebreid leidingnet bij de gebruikers bezorgd. In Nederland wordt 25 % en in België 23,8 % van de primaire energie (olie, gas, steenkool, uraan) gebruikt voor elektriciteitsopwekking. Door het lage rendement (65 -70 % verliezen) maakt elektriciteit echter ten hoogste 8 % van het totale Ned. energieverbruik uit. De Belg. centrales hebben een rendement van 88 % en droegen voor 24,7 % bij aan het energieverbruik.

Energiebesparing Energiebesparing is sinds enkele jaren ontdekt als de goedkoopste energiebron; d.w.z. een gulden die is uitgegeven aan energiebesparing is beter besteed dan een gulden die wordt uitgegeven aan energieproduktie. Bij energiebesparing denkt men al gauw aan allerlei technische maatregelen die tot minder energie- en grondstoffenverbruik leiden, zoals het isoleren van huizen, efficiëntere auto’s en betere produktieprocessen. In feite kan men beter spreken van doelmatig energiebeheer of efficiënter gebruik. Op het totale verbruik Franse zonne-energiewordt alleen bespaard als men het verbruikspatroon verandert, b.v. door minder apparatuur te gebruiken, in plaats van met de eigen auto met het openbaar vervoer te reizen en geen onnodig licht te laten branden.

Bij een gelijkblijvend consumptiepatroon kan veel worden bespaard door, behalve een doelmatiger gebruik van de ingezette brandstof, verschuivingen teweeg te brengen in de nationale produktiestructuur (energieverslindende industrieën afstoten) en in de infrastructuur (afstand wonen—werken verkleinen). Bij de beide laatste mogelijkheden gaat het vooral om overheidsenergiebeleid op lange termijn.

Het huidige beleid van de overheid gaat uit van de volgende ideeën over de te verwachten problemen per periode.

Tot 1985 blijft de dreiging van een olietekort bestaan vanwege de instabiele situatie in het Midden-Oosten. Door het instandhouden van voldoende voorraden en het ad hoe vinden van oplossingen moet aan dergelijke dreigingen het hoofd worden geboden.

Verwacht wordt dat in de periode 1985-90 de olie- en gasprodukties van niet-Arabische landen veel groter zullen worden. De OPEC-Ianden zullen daarentegen hun totale produktie niet meer verhogen. Aan de steenkoolproduktie en de kernenergie wordt een groeiend aandeel in de energievoorziening toegekend, maar tevens moeten de energiebesparende maatregelen die in de loop der jaren werden gepropageerd dan effect sorteren. In veel landen (o.a. Nederland en België) is veel wetenschappelijk onderzoek gericht op de milieu- en veiligheidsaspecten van steenkool en kernenergie.

In de jaren negentig zal de geïndustrialiseerde wereld gewend zijn geraakt aan de energieproblematiek; de hoge energieprijs heeft de investeringen gericht op een veel zuiniger industriële produktie. De nieuwe, schone steenkooltechnieken leiden tot een groter verbruik van steenkool, terwijl in bepaalde landen ook alternatieve energiebronnen meer kunnen worden ingezet. Nieuwe, beter aangepaste kerncentrales zullen zijn ontwikkeld. Volgens het huidige overheidsbeleid moet men zich vooral richten op de technologische ontwikkelingen die het mogelijk maken dat kolen en kernenergie de rol van aardolie overnemen. Na 2000 moet het totale energiesysteem veel efficiënter zijn geworden. Het huidige overheidsbeleid beïnvloedt deze periode door nu onderzoek te stimuleren naar duurzame energiebronnen, naar kernfusie en eventueel veilige kerncentrales.

Energiebeleid Het energiebeleid van de overheden van de meeste landen is gebaseerd op de volgende redenering.

Ten behoeve van de gewenste welvaart dient het energieverbruik te stijgen. Omdat de ontwikkelingslanden ver achter liggen in welvaart moet daar het verbruik zelfs sneller stijgen. Voor de fossiele brandstoffen, olie en aardgas, is men steeds afhankelijker van de OPEC-Ianden, die bovendien maar een beperkte hoeveelheid olie leveren, omdat anders hun voorraden te snel uitgeput raken. Het is daarom nodig naar aanvullende energiebronnen te zoeken en tegelijkertijd er naar te streven de energie efficiënter te gebruiken. Werkelijk minder groeien van het energieverbruik gaat echter ten koste van de concurrentiepositie van de industrie en dus ten koste van de welvaart. Vermindering van de groei van het energieverbruik is dus maar beperkt mogelijk.

Nederland heeft gelukkig nog aardgasreserves, die voor de groei van het energieverbruik aangesproken kunnen worden. Maar om toch ook iets voor het nageslacht en voor noodgevallen te bewaren, moet Nederland, net als andere westerse landen, de nadruk leggen op steenkool en kernenergie. De milieu- en veiligheidsproblemen daaromtrent zijn technisch op te lossen, vooral als kolen en kernenergie worden gebruikt voor de elektriciteitsproduktie in grote centrales, waardoor de nadruk komt te liggen op het ‘schone’ gebruik van elektriciteit.

De toepassing van duurzame energiebronnen (zon, wind, aardwarmte enz.) is nog niet goed ontwikkeld. Zij zijn zeker niet beschikbaar voor gebruik op grote schaal in de 20e eeuw in West-Europa. Verder moet volgens de visie van de meeste (westerse) regeringen niet worden vergeten dat iedere keuze op het energiegebied risico’s met zich meebrengt; een vermindering van het energieverbruik, die misschien niet nodig is, betekent minder welvaart.

Er zijn echter ook andere visies, die de laatste tijd steeds meer naar voren komen. Men stelt daarbij dat de mogelijkheden van energiebesparingen en van duurzame energiebronnen duidelijk zijn onderschat, terwijl die van steenkool en kernenergie te veel worden overschat. De OPEC-Ianden blijken de laatste jaren ook minder machtig dan men dacht, en de verwachte spanning tussen olievraag en -aanbod is tot dusver nog steeds uitgebleven. Uiteraard bestaan er over de rol die steenkool en kernenergie moeten gaan spelen nog grote meningsverschillen. In Nederland (waar men over veel gasreserves beschikt) liggen de zaken duidelijk anders dan in België, dat vrijwel geen eigen energiebronnen heeft en voor kernenergie heeft gekozen.

Maatschappelijke discussie over energie Juist nu de energievoorziening zo belangrijk is geworden in de samenleving komt er ook veel meer discussie los over de richting waarin het beleid moet gaan.

In België heeft een dergelijke discussie nog niet plaatsgevonden.

Geïnspireerd door de discussies over de inzet van kernenergie bij de energievoorziening hebben verscheidene landen moeten besluiten de discussie over het toekomstig beleid te verbreden. In Nederland heeft dit geleid tot de opzet van de brede maatschappelijke discussie (BMD) over energie.

Een door de Ned. regering ingestelde Stuurgroep heeft in 1982-83 een discussie georganiseerd in twee fasen, een informatiefase en een discussiefase. In de discussiefase is aan zeer vele organisaties en individuen de kans gegeven hun mening te geven over het te voeren energiebeleid.

De Stuurgroep heeft deze informatie verzameld in een rapport en hierover kon op allerlei niveaus worden gediscussieerd. In dit rapport wordt gebruik gemaakt van verschillende toekomstbeelden of scenario’s. Naast twee overheidsscenario’s waarin de groei van het energieverbruik doorzet, is er ook een scenario gehanteerd van het Centrum voor Energiebesparing. Hierin wordt een beleid verwerkt dat leidt tot een vermindering van het energieverbruik door de nadruk te leggen op sterke energiebesparing, de inzet van milieuvriendelijke technieken en een grotere nadruk op een dienstenaanbod dicht bij de gebruikers. Volgens dit scenario zouden de werkgelegenheidseffecten hierin zeer positief zijn, en mede hierdoor krijgt dit scenario een toenemende belangstelling. Aan het einde van de BMD zal de Stuurgroep de resultaten rapporteren aan de regering en het parlement, waarna de definitieve besluitvorming over het Ned. energiebeleid zal plaatsvinden.

De energiecrisis in de derde wereld Weinig mensen realiseren zich dat de meest schrijnende energieproblemen zich voltrekken in de ontwikkelingslanden.

Hier vormt op het platteland brandhout de belangrijkste maar schaars geworden brandstof en is olie onbetaalbaar. De schulden van de ontwikkelingslanden stijgen torenhoog, terwijl bovendien de rijke landen steeds minder ontwikkelingshulp bieden. Voorzover landen in de derde wereld nog olie kunnen kopen, is het vooral voor de rijken in de steden en niet voor de mensen op het platteland. In veel ontwikkelingslanden brokkelt het verkeer en transport tussen stad en platteland steeds meer af en neemt de verpaupering van de steden snel toe. Uit rapporten van de VN blijkt dat de basisvoorziening van energie in die landen niet alleen door hoge energieprijzen in gevaar komt, maar ook als gevolg van ontbossing, erosie en natuurrampen. Brandhout dat vroeger vlakbij kon worden gesprokkeld, is ver weg of onbetaalbaar en men gaat over tot het verbranden van mest.

Dat betekent minder vruchtbare landbouwgronden en dus minder voedsel. Zo dreigen velen in een gevaarlijke vicieuze cirkel terecht te komen.

Energie en milieu Elke beïnvloeding van de omgeving begint bij een bron. Vanuit deze bron komen storende of verontreinigende componenten in de biosfeer. De bron kan van chemische aard zijn (b.v. een verbrandingsproces) en aan het milieu vreemde stoffen toevoegen. Soms ook zijn de toegevoegde stoffen niet vreemd aan het milieu, doordat zij in de natuur zelf in grote hoeveelheden worden geproduceerd (zwavelverbindingen, koolmonoxide en kooldioxide). De bron kan ook fysisch van aard zijn en b.v. geluid, licht, warmte of ioniserende straling produceren. Bij de energievoorziening van de westerse samenleving zijn zowel bij energieproduktie als energieverbruik verscheidene chemische en fysische milieu-aspecten in het geding.

Bij de discussie over de relatie energie en milieu blijkt echter dat men het milieu steeds ruimer gaat interpreteren. Ook aspecten van planologie en risico’s worden daar meestal ruimschoots bij betrokken. Toenemend energieverbruik zal op het gebied van de milieubescherming zeer ernstige problemen tot gevolg hebben, indien er niet nü al voldoende aandacht aan wordt besteed; de luchtverontreiniging zal b.v. verder toenemen in stedelijke en industriële zones die nu al tot de meest verontreinigde gebieden behoren; het water zal in steeds sterkere mate de invloed ondergaan van thermische verontreinigingen en van afvalstoffen; de opwarming van het oppervlaktewater zou zelfs het biologisch en ecologisch evenwicht kunnen verstoren; de produktie van kernenergie brengt steeds nijpender wordende problemen mee, o.a. dat van de opslag van grote hoeveelheden vaste radioactieve afvalstoffen. Aan een juiste keuze van de vestigingsplaats voor installaties voor de produktie, omzetting en gebruik van energie zal men steeds meer aandacht moeten besteden, indien men het milieu wil beschermen. [prof.ir.E.J.Tuininga] Litt. Nota Energiebeleid, Kamerstukken 1979-80, 15802; J.D.Fast, Energie uit atoomkernen (1980).