Gepubliceerd op 01-12-2020

bestrijdingsmiddelen

betekenis & definitie

(pesticiden), chemische middelen die dienen voor het bestrijden, afweren of doden van organismen die zich als plaag voordoen. Men deelt de bestrijdingsmiddelen in naar de chemische groep waartoe zij behoren, naar de organismen waartegen zij werkzaam zijn of naar de manier van werking of toepassing.

De belangrijkste chemische groepen van bestrijdingsmiddelen zijn: carbamaten, organofosfaten, chloorkoolwaterstoffen, dithiocarbamaten, aromatische nitroverbindingen.Naar de organismen waartegen de bestrijdingsmiddelen werken, onderscheidt men: acariciden (tegen spinnen en mijten), algiciden (tegen algen), bactericiden (tegen bacteriën), fungiciden (tegen schimmels), herbiciden (tegen onkruid), insekticiden (tegen insekten), mollusciciden (tegen slakken), nematiciden (tegen aaltjes) en rodenticiden (tegen knaagdieren). Daarnaast onderscheidt men groeiregulatoren, afweermiddelen (om b.v. vogels of wild af te schrikken), grond- en zaaizaadontsmettingsmiddelen.

Van al deze groepen worden herbiciden, insekticiden, grondontsmettingsmiddelen en fungiciden het meest gebruikt.

Bij insekticiden onderscheidt men naar de werking: maaggiften, die de insekten doden als zij van het gewas hebben gegeten, en contactgiften. Bij fungiciden kent men preventieve middelen (ter bescherming van nog niet aangetaste planten) en curatieve middelen (ter behandeling van aangetaste planten). Bij herbiciden onderscheidt men contactherbiciden en bodemherbiciden die werken na opname via de wortels. Een aparte groep vormen de systemische middelen. Dit zijn stoffen die in de plant worden opgenomen en over de hele plant verspreid om reeds in of op de plant aanwezige schadelijke organismen te bestrijden.

Toepassing Bestrijdingsmiddelen worden vooral toegepast in de landbouw, waar men meestal de term gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. In de moderne landbouw kweekt men in het algemeen de cultuurplanten in monoculturen: men beplant grote oppervlakken met slechts een of soms enkele planterassen. Monoculturen zijn echter ideale broedplaatsen voor ziekten en plagen. Van een natuurlijk evenwicht is geen sprake; natuurlijke vijanden van het schadelijke organisme ontbreken. Na de Tweede Wereldoorlog heeft men op grote schaal chemische middelen bij de bestrijding van schadelijke organismen ingezet. Dit werd mogelijk doordat er enerzijds steeds meer en in grotere hoeveelheden chemische middelen op de markt kwamen en anderzijds arbeidskrachten schaars werden (b.v. voor het wieden).

Behalve in de landbouw worden bestrijdingsmiddelen ook gebruikt om schade te voorkomen aan plantaardige produkten, b.v. bij het verduurzamen van hout, bij het beschermen van opgeslagen voorraden (met fumiganten), in aangroeiwerende verven voor scheepshuiden, in ontsmettingsmiddelen voor ziekenhuizen, restaurants, keukens en de levensmiddelenindustrie, als conserveermiddelen in verf, lijm en olieprodukten.

Er zijn in de wereld ca. 750 verschillende werkzame stoffen als bestrijdingsmiddel in gebruik, waarvan er minder dan 400 in Nederland zijn toegelaten.

Geschiedenis Voor de Tweede Wereldoorlog was het gebruik van bestrijdingsmiddelen beperkt tot enkele specialistische toepassingen. Direct na de Tweede Wereldoorlog is het gebruik sterk toegenomen. Aanvankelijk werden op enige schaal vooral de chloorkoolwaterstoffen gebruikt. Deze worden gekenmerkt door een breedspectrumwerking, een langzame verdwijningssnelheid en het vermogen tot ophoping in voedselketens.

Na 1950 kwamen nieuwe groepen bestrijdingsmiddelen op de markt, o.a. de organofosfaten en de carbamaten. Deze middelen worden gekenmerkt door een hoge acute toxiciteit, een redelijke verdwijningssnelheid en een breedspectrumwerking. In de loop van de jaren zijn nog vele andere groepen van bestrijdingsmiddelen ontwikkeld. Door intensieve bestudering van de werking en de bijwerkingen van de chemische stoffen, is meer bekend geworden welke eigenschappen aanleiding geven tot ongewenste effecten. Daartoe behoren grote giftigheid voor zoogdieren, slechte afbreekbaarheid en een breedspectrumwerking. Deze eigenschappen vergroten de kans op verstoring van ecosystemen en de ontwikkeling van resistentie.

Men heeft daarom sinds de jaren zeventig vooral gezocht naar middelen met een selectieve werking en een goede afbreekbaarheid. Deze eigenschappen hebben o.a. de pyrethroïden. Dit zijn synthetisch vervaardigde insekticiden die zijn ontwikkeld uitgaande van het natuurlijk voorkomende insekticide pyrethrum. De pyrethroïden worden snel uit het milieu verwijderd; hun instabiliteit is zelfs een van de problemen bij de toepassing. Bij herbiciden is selectiviteit altijd al een gewenste eigenschap geweest, omdat het cultuurgewas geen schade mag ondervinden.

Men tracht nu de mogelijke schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu te beperken, door het gebruik van bestrijdingsmiddelen in te passen in de geleide bestrijding of de geïntegreerde bestrijding. Bij de geleide bestrijding worden alleen bestrijdingsmiddelen gebruikt op momenten dat de plaagorganismen gevoelig zijn voor het middel. Dit doet men ook in de geïntegreerde bestrijding, maar daar past men alleen selectief werkende middelen toe en niet nadat de economische schadedrempel is overschreden. Bovendien maakt men zoveel mogelijk gebruik van natuurlijke vijanden van de schadelijke organismen, zoals roofmijten tegen fruitspint, kasspint en witte vlieg. Ook tracht men door b.v. het uitzetten van gesteriliseerde mannetjes het aantal nakomelingen te beperken.

Afbreekbaarheid Als residuen van bestrijdingsmiddelen in het milieu terechtkomen, moet de afbraak bij voorkeur snel verlopen. De kans op effecten op lange termijn, zoals ophoping in voedselketens, wordt daardoor verkleind. De toepassing van diverse slecht afbreekbare (persistente) bestrijdingsmiddelen is daarom beëindigd. Voorbeelden hiervan zijn chloorkoolwaterstoffen als DDT, diëldrin en aldrin.

Middelen die snel worden afgebroken, werken slechts kort en zijn daardoor veelal niet voldoende effectief. Uit het oogpunt van de werking is een geleidelijke afbraak te verkiezen. De werkingsduur van de meeste bestrijdingsmiddelen ligt tussen enkele dagen en een half jaar.

De omzettingssnelheid van bestrijdingsmiddelen en het mechanisme van de omzetting zijn sterk afhankelijk van de omgeving waarin zij terechtkomen. Op oppervlakken en in het oppervlaktewater ontleden de stoffen onder invloed van het zonlicht (fotolyse). Daarnaast treedt in water ook vaak hydrolyse op. In de bodem kunnen allerlei reacties optreden, o.a. hydrolyse en oxidatie. De omzetting door microorganismen speelt vaak een grotere rol dan de puur chemische afbraak.

Wetgeving Alle bestrijdingsmiddelen vallen in Nederland onder de Bestrijdingsmiddelenwet. De fabrikant dient uitvoerige gegevens te verstrekken voordat een bestrijdingsmiddel voor toelating in aanmerking komt. Deze gegevens betreffen de deugdelijkheid van het middel, de toxicologie voor zoogdieren in verband met de gevaren voor de mens, en het gedrag van het betrokken middel in het milieu. De snelheid waarmee de stof in het milieu wordt afgebroken is een belangrijk criterium voor de toelating.

Er is een Commissie voor Toelating van Bestrijdingsmiddelen die aan de ministers van Sociale Zaken, Landbouw en Visserij, en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer advies uitbrengt over de toelaatbaarheid. Deze wordt bepaald door het nut (verhoogde oogstopbrengst, arbeidsbesparing, betere kwaliteit, bestrijding van plagen) af te wegen tegen de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu. Een bestrijdingsmiddel wordt maximaal tien jaar toegelaten. Na afloop van deze termijn wordt het middel opnieuw getoetst. Bij de toepassing van bestrijdingsmiddelen maakt men gebruik van het systeem van de positieve lijst (d.w.z. alle middelen zijn verboden, uitgezonderd die welke zijn toegelaten).

In België regelt het KB van 5.6.1975 de erkenning, het bewaren, het verkopen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Fytofarmaceutische produkten mogen slechts in de handel worden gebracht nadat deze zijn erkend door het Ministerie van Landbouw, na raadpleging van een erkenningscomite en op een eensluidend advies van de minister van Volksgezondheid. Bestrijdingsmiddelen die niet voor landbouwkundige doeleinden worden gebruikt, komen slechts in de handel na eensluidend advies van de Hoge Gezondheidsraad. De erkenning is ten hoogste tien jaar geldig, maar kan zonder beperking worden verlengd.

Elk jaar worden de erkende of toegelaten produkten in het Belg. Staatsblad bekend gemaakt.