Gelukzoeker betekenis & definitie

Een gelukzoeker is iemand die vrijwillig of uit noodzaak naar een ander land, een andere streek of stad trekt en met alle (ook oneerlijke) middelen fortuin en aanzien probeert te verwerven. Ook wel fortuinzoeker, avonturier of goudzoeker genoemd.

Ontdekkingsreizigers en migranten worden al sinds tijden gelukzoekers genoemd. 'Geluk' wordt dan vaker in verband gebracht met geld, aanzien en welvaart, dan met welzijn en levensgeluk. Zo zegt de Nederlandse jongeman Gerrit van Spaan in het boek De gelukzoeker over zee, of d’Afrikaansche Weg-Wijzer, uit 1694, dat hij 'bij tijd en wijle' een 'tochtje over zee' wil maken, om te bezien of 'misschien eenig beter fortuin aldaar gereserveerd was'.
In de 19de eeuw en na de Tweede Wereldoorlog zijn het de honderdduizenden Europese emigranten die gelukzoekers worden genoemd. Deze 'landverhuizers' vertrokken naar Amerika, Australië, Canada en Zuid-Afrika om slechte economische omstandigheden, religieuze spanningen, een nadelig vonnis, gedwongen huwelijk of de aardappelziekte te ontvluchten. Onder hen vele Nederlanders op zoek naar een beter bestaan.

Tegenwoordig wordt 'gelukzoeker' vaak op een negatieve manier in verband gebracht met vluchtelingen en asielzoekers. Niet als mensen die op de vlucht zijn voor oorlog, vervolging en geweld, maar azend op uitkeringen, werk en geld. Tegenstanders van open grenzen voor vluchtelingen zien hen als een bedreiging voor de verzorgingsstaat en onze 'cultuur'. Ze vrezen een aanzuigende werking van 'gelukzoekers'.

Wordt 'geluk' gelijk gesteld aan geld, kansen en rendement, dan zijn bankiers op zoek naar een topsalaris plus bonus in Londen of bedrijven die hun activiteiten naar lagelonenlanden verplaatsen ook gelukzoekers. En als onder 'geluk' ook 'levensgeluk' wordt verstaan, en een 'beter bestaan' niet alleen gaat over welvaart maar ook welzijn, levensgeluk en 'happiness', is eigenlijk iedereen een gelukzoeker.

Gepubliceerd op 13-01-2016