Literatuur, Geschiedenis en Theorie

J.A. Dautzenberg (2009)

Gepubliceerd op 06-02-2017

postmodernisme

betekenis & definitie

De term postmodernisme ontstond rond 1960 in de VS als aanduiding voor de beeldende kunst van onder andere de popart (neomodernisme 1. kunst). Het woord werd echter al snel gebruikt voor allerlei kunstrichtingen en dreigde zo elke betekenis te verliezen.

In de tijd dat het ook in Europa begon door te dringen, had het echter een nieuwe betekenis gekregen. Men duidt er tegenwoordig die kunststromingen mee aan die niet voortbouwen op het Modernisme van rond WO I, maar die elementen uit allerlei stromingen gebruiken. Het postmodernisme is een eclectische kunst. Deze term, die oorspronkelijk uit de filosofie afkomstig is, betekent dat men niet op één stroming teruggrijpt, maar uit allerlei richtingen en stromingen datgene haalt wat men voor zijn eigen kunst­uiting nuttig vindt, óók als die oorspronkelijke stromingen niets met elkaar te maken hebben of zelfs aan el­kaar tegengesteld zijn.

Dit geeft de kunstenaars een veel grotere vrijheid dan voorheen. Het betekent ook dat de eis van originaliteit, die sinds de Romantiek aan alle kunst werd gesteld, veel minder belangrijk is geworden en soms zelfs geheel terzijde is geschoven. In de postmoderne bouwkunst zijn naast elkaar elementen te vinden van bijvoorbeeld het 18e-eeuwse neoclassicisme, de 19e-eeuwse Romantiek en de glas- en staalbouw van de nieuwe zakelijkheid. In de literatuur betekent dit eclecticisme onder meer dat de grenzen tussen literatuur en lectuur soms vervagen, evenals de grenzen tussen de verschillende genres: in ogenschijnlijk realistische teksten duiken ineens elementen op uit de griezelliteratuur, een genre dat vrijwel steeds tot de triviale literatuur behoort.

In het literaire postmodernisme is daarnaast het begrip ‘werkelijkheid’ problematisch geworden. Het is niet zonder meer duidelijk wat een feit is en wat fictie. De mens - en dus de schrijver - probeert op twee ma­nieren vat te krijgen op de meerduidige werkelijkheid. Hij schrijft erover, d.w.z. brengt ze onder in taal, maar is zich tegelijk ervan bewust dat zijn taal, zijn manier van schrijven, de werkelijkheid vervormt. En hij gebruikt zijn verbeeldingskracht (fantasie, leugens, simplificaties) om de realiteit te onderzoeken, maar weet dat dit niets garandeert over waarheid en onwaarheid.