Klassieke economie betekenis & definitie

De opvattingen van economen die tot aan de Tweede Wereldoorlog gemeengoed waren.

De eerste wetenschappelijke econoom was de Schot Adam Smith (1723-90), die in 1776 zijn Inquiry into the Causes and Nature of the Wealth of Nations publiceerde. De kern van zijn betoog was dat de economie zichzelf regelde. De belangrijkste drijfveer in de economie was het eigenbelang: `Laat ieder zijn eigen belang nastreven en het zal ertoe leiden dat ieder, zonder het te willen, de belangen van het geheel zal dienen'. In een dergelijke theorie paste een zeer bescheiden overheidsrol. Deze gedachte is terug te vinden in de term laissez-faire, die letterlijk `laat maar gaan' betekent. Vrijheid van handelen voor individuen en economische mededingers leidt tot het beste resultaat op economisch gebied. Smith en zijn volgelingen propageerden het economisch liberalisme.

In grote lijnen is deze gedachte van een zichzelf regulerende markt met een passieve overheid in een groot aantal landen tot in de jaren dertig in praktijk gebracht. Daarom wordt wel van de klassieke economie gesproken, namelijk een economische theorie die als model werd aanvaard. Tijdens de economische wereldcrisis van de jaren dertig bleek heel nadrukkelijk dat de klassieke economie niet meer werkte. Zonder overheidsingrijpen waren de economische problemen onoplosbaar. Aarzelend ging men de bakens verzetten, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse president Roosevelt met zijn New Deal deed.



Na de Tweede Wereldoorlog werden algemeen de ideeƫn van de Britse econoom John Maynard Keynes aanvaard. De Keynesiaanse theorie zag juist het gebrek aan koopkracht en het achterblijven van investeringen van bedrijven en overheden als de ernstigste problemen van de economische wereldcrisis. In tegenstelling tot de klassieke economen wilde hij niet wachten tot de economische situatie vanzelf beter zou worden. In plaats daarvan moest de overheid ingrijpen om de koopkracht te verbeteren en de investeringen te stimuleren.

Laatst bijgewerkt 13-06-2017