Militaire expeditie, in augustus 1831 op bevel van koning Willem I ondernomen om gunstiger voorwaarden te scheppen voor de scheiding van Noord- en ZuidNederland. Onder aanvoering van de Prins van Oranje, prins Frederik en hertog Karel Bernhard van Saksen-Weimar-Eisenach trok het Nederlandse leger tussen 2 en 12 augustus naar Brussel, met als doel de net aangetreden Belgische koning Leopold I te dwingen de Londense protocollen te respecteren.
Het Noord-Nederlandse volk zag de campagne in de eerste plaats als een vergeldingsactie tegen de muitzieke Belgen. Vooral studenten, georganiseerd in Jagerkorpsen, lieten zich meeslepen door nationale gevoelens. Leopold I trachtte aan het hoofd van een geïmproviseerde Belgische strijdmacht de Nederlandse opmars een halt toe te roepen. De hoofdmacht van zijn troepen werd op 6 en 7 augustus door de beter georganiseerde Nederlanders uiteengeslagen. Op 11 en 12 augustus verloren de Belgen ook de voorhoedegevechten bij Bautersum, en werd Leopold gedwongen zich terug te trekken in en nabij Leuven. De Fransen boden hierop hun hulp aan.
Om verdere escalatie te voorkomen grepen de Engelsen vervolgens in door Willem I te dwingen een wapenstilstand te sluiten. Na hun intocht in Leuven de stad viel op 12 augustus kregen de Nederlandse troepen de opdracht zich terug te trekken achter de grens van Noord-Brabant. Hoewel het leger ruim 1100 doden, gewonden en vermisten telde en de opmars tot staan was gebracht, werd de veldtocht in Noord-Nederland gevierd als een grote overwinning. Tientallen gelegenheidsgedichten verschenen om de moed van de studentenjagers te bezingen en duidelijk te maken dat de eer van het Noorden was gered.Zie ook Belgische opstand.