Gepubliceerd op 29-06-2020

revolutiejaar 1848

betekenis & definitie

In het voorjaar van 1848 kwamen in verschillende Europese landen al jaren onder de oppervlakte levende spanningen van politieke en sociale aard tot uitbarsting. Verschillende monarchen werden van hun troon gestoten, andere vorsten konden zich met moeite handhaven.

In diverse landen (waaronder Nederland) leidde de revolutionaire wind tot ingrijpende veranderingen in het staatsbestel. Uiteindelijk herwonnen de contrarevolutionaire krachten in de meeste landen terrein en werden de hervormingen weer geheel of gedeeltelijk teruggedraaid. Nederland hield aan het revolutiejaar de liberale ‘Grondwet van Thorbecke’ over.Het Congres van Wenen had geleid tot een nieuwe inrichting van Europa, waarbij vooral rekening was gehouden met de dynastieke belangen van de vorstenhuizen en nauwelijks met de ontwaakte nationalistische gevoelens van de verschillende volkeren. De macht van de vorsten was hersteld en opkomende liberale bewegingen die meer politieke invloed voor de burgers eisten, kregen nul op het rekest. In 1830 ging een eerste revolutiegolf door Europa die in Frankrijk de ‘burgerkoning’ Louis Philippe aan de macht bracht (de ‘juli-monarchie’) en in de Lage Landen leidde tot de Belgische opstand. Internationale situatie Op 22 februari 1848 eisten radicale arbeiders in Parijs het vertrek van het conservatieve ministerie-Guizot. De ongeregeldheden liepen uit de hand. Twee dagen later trad koning Louis-Philippe, die geen grip op de situatie kreeg, af en werd in Frankrijk de Tweede Republiek uitgeroepen. De nieuwe republiek bleek geen lang leven beschoren; de gekozen president Lodewijk Napoleon Bonaparte, zoon van de voormalige Koning van Holland, werd in 1852 als Napoleon III tot keizer uitgeroepen.

Nadat het nieuws van de Parijse revolte was doorgedrongen, werden in diverse Zuid-Duitse staten snel nieuwe grondwetten ingevoerd. In Beieren werd koning Ludwig I tot aftreden gedwongen wegens een liefdesaffaire met een buitenlandse danseres. De revoluties in de Duitse staten kwamen voor een belangrijk deel voort uit nationalistische gevoelens en het ideaal van Duitse eenwording. Toen half maart in Berlijn het oproer uitbrak, beloofde de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV dan ook niet alleen een grondwet, maar ook om een voortrekkersrol bij de Duitse eenwording te spelen. De revolutionairen behaalden een succes toen half mei in Frankfurt een overkoepelend Duits parlement (de Nationale Vergadering) werd ingesteld, dat vergaderde over de vormgeving van de toekomstige Duitse staat. Na de weigering van de Pruisische koning om keizer te worden van het nieuw te vormen Duitse Rijk, ontbond het Frankfurter parlement zichzelf in mei 1849.

Een op democratische leest geschoeide Duitse eenwording was mislukt. In Pruisen zelf liep de revolutie ook ten einde toen bleek dat de koning kon rekenen op de steun van het grootste deel van de bevolking.

Op 13 maart werd het onrustig in Wenen toen een grote menigte het ontslag van het ministerie-Metternich eiste. Metternich, ooit voorzitter van het Congres van Wenen, had alle nationalistische en liberale uitingen in het Oostenrijkse keizerrijk al decennialang stevig de kop in proberen te drukken. Het kabinet stapte op en de keizer deed toezeggingen over meer autonomie voor de verschillende rijksdelen en een nieuwe liberale grondwet. Toen de revolutionaire beweging, die in korte tijd over het hele Habsburgse Rijk was uitgewaaierd, door onenigheid aan kracht begon te verliezen, werd door de regering gewelddadig een eind aan de ongeregeldheden gemaakt. Om meer krediet voor de monarchie te verwerven, trad keizer Ferdinand op 2 december 1848 terug ten gunste van zijn neef Franz Josef.

Situatie in Nederland Vanaf 1843 kwam Nederland economisch in zwaar weer terecht. Grote delen van de bevolking verpauperden. In diverse steden braken hongeroproeren uit, zoals bijvoorbeeld in de zomer van 1847 in Groningen en Friesland. Deze laatste ongeregeldheden werden door militair ingrijpen beëindigd. In die jaren werd een stroom oppositieblaadjes verspreid, waaronder de zogenaamde lilliputters, die relatief veel gelezen werden. Hierin stelden radicale journalisten als Eilert Meeter, Jan de Vries en Adriaan van Bevervoorde de economische en politieke situatie in het land aan de kaak.

Toch was er in Nederland in het begin van 1848 nauwelijks sprake van een concrete revolutionaire dreiging; het politiek bewustzijn was bij het grootste deel van de bevolking niet sterk ontwikkeld. Na de val van de juli-monarchie in Frankrijk in februari 1848 besloot de Nederlandse regering tot een samenwerkingsverdrag met België voor het geval Franse legers een aanval naar het noorden zouden ondernemen. Dit betekende het einde van de aspiraties van Willem II voor restauratie van zijn gezag in België. Op 9 maart 1848 bood de conservatief-liberale regering 27 voorstellen voor grondwetsherziening aan de Tweede Kamer aan. De voorgestelde aanpassingen waren niet bijzonder ingrijpend en gingen naar de zin van veel liberalen in de Kamer dan ook niet ver genoeg. Het nieuws van de opstand in Duitsland en de concessies die daar waren gedaan, had Nederland toen al bereikt.

Ook in Nederland werd de situatie gespannen. Op 12 maart besloten zowel meer progressieve als meer conservatieve liberalen voorstellen voor grondwetswijzigingen bij de Kamer in te dienen. In de volgende nacht werd koning Willem II naar eigen zeggen van conservatief tot liberaal. Enkele dagen daarvoor was hij door onder andere Van Bevervoorde geïnformeerd over de politieke situatie in het land. Onder de indruk van de revoluties in het buitenland deelde de koning op 13 maart aan de voorzitter van de Tweede Kamer mee dat hij zonder overleg met zijn ministers een ingrijpende grondwetsherziening wilde initiëren. De ministersploeg diende daarop haar ontslag in.

Op 17 maart benoemde Willem II een commissie die hem moest adviseren over aanpassingen van de grondwet (‘met overweging’ van de wensen van de Tweede Kamer, niet noodzakelijk in overeenstemming met die wensen) en over de samenstelling van een nieuw ministerie. De commissie stond onder voorzitterschap van Johan Rudolf Thorbecke. Alle leden behoorden tot de voormalige groep van ‘negenmannen’. Hun voorstellen voor wijziging (onder andere volledige ministeriële verantwoordelijkheid en rechtstreekse verkiezing van de leden van de Tweede Kamer) werden onder druk van de koning vrijwel volledig door het parlement aangenomen.

Op 24 maart werd in Amsterdam een demonstratie gehouden, georganiseerd door de radicale groep rond Van Bevervoorde en De Vries en Duitse communistische arbeiders uit de hoofdstad. Doel was om van het gemeentebestuur maatregelen tegen de werkloosheid en armoede te eisen. Doordat de massa niet in beweging kwam, liep dit zogenaamde Damoproer uit op een totale mislukking; er waren meer toeschouwers dan demonstranten. De relletjes werden zonder veel moeite door politie en leger beëindigd. Daarmee was het revolutionaire gevaar in Nederland geweken.

Het Frankfurter parlement dat tijdens de revolutie in Duitsland was ingesteld, besliste in de zomer van 1848 dat het niet kon toestaan dat Limburg deel van Nederland zou blijven uitmaken. Dit wakkerde in Limburg kortstondig separatistische gevoelens aan. Resoluut ingrijpen van de Nederlandse regering en het ontbreken van een reële machtsbasis in het Frankfurter Parlement zorgden ervoor dat Limburg voor Nederland behouden bleef.

< >