Gepubliceerd op 29-06-2020

nationalisme

betekenis & definitie

Stroming die gericht is op nationale trots en verheerlijking van de eigen natie. Nederland heeft geen sterke nationalistische traditie.

Het nationalisme was geïncorporeerd in andere politieke stromingen. Hoewel tussen nationalisme en monarchie een sterke relatie verwacht kan worden, is die lang niet altijd vanzelfsprekend. De vorstelijke families van Europa waren door familiebanden lange tijd vooral op elkaar georiënteerd en op continuering en uitbouw van hun dynastieke belangen. Het was daarbij van ondergeschikt belang waar die werden verwezenlijkt. Pas in de achttiende en negentiende eeuw kwam hier door diverse revoluties en het ontstaan van natiestaten verandering in. Monarchieën werden daardoor gedwongen zich om te vormen tot symbolen van nationale eenheid en onafhankelijkheid. Ook de diverse Oranjes hadden moeite met deze omschakeling.Zo stemde erfprins Willem Frederik in 1802 in ballingschap tegen de wil van zijn vader in met een voorstel van keizer Napoleon om in ruil voor vijf miljoen gulden en enkele bezittingen in Duitsland afstand te doen van alle aanspraken in de Lage Landen. Willem I’s oudste zoon, de latere koning Willem II, was opgegroeid in ballingschap. Als Prins van Oranje ondernam hij diverse pogingen om de Franse koning van zijn troon te stoten en diens plaats in te nemen. Ook probeerde hij in 1830 koning te worden van het net onafhankelijk geworden België.

Tot 1795 was Nederland geen eenheidsstaat geweest maar een statenbond. Ten tijde van de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland en de inlijving bij het Franse Keizerrijk werd Nederland omgevormd tot een meer unitaire staat. Nationaal besef of nationale trots was beperkt. In 1815 kwam de vereniging met de Zuidelijke Nederlanden tot stand. Dit betekende een flinke gebiedsuitbreiding maar tegelijkertijd een meer pluriforme natie. Ondanks het door koning Willem I gevoerde integratiebeleid kwam een echte eenheid door culturele, taal- en religieuze verschillen niet goed tot stand.

De afscheiding van België in 1830 betekende dat Nederland een klein land was geworden. Menigeen stelde zich de vraag of het land nog wel zelfstandig bestaansrecht had. Het nationalisme is in de negentiende eeuw sterk bevorderd door de liberalen. Verwacht werd dat een groeiend nationaal besef, onder meer geïnspireerd door liberale hervormingen, zou zorgen voor meer steun voor de liberale beweging. De grondwetsherziening in het revolutiejaar 1848 leidde bij veel liberalen tot hernieuwd optimisme over de kracht van het kleine vaderland.

In de periode tussen ongeveer 1870 en 1918 was er sprake van een oplevend nationalisme. In die periode deden zich belangrijke maatschappelijke veranderingen voor, als gevolg van onder meer een groeiende industrialisatie en het ontstaan van een massabeweging. Tegelijkertijd nam de steun voor de liberalen af en waren confessionele en socialistische politieke partijen in opkomst. Als reactie op het gevoel van desintegratie namen de liberalen bijvoorbeeld het initiatief tot de viering van Koninginnedag. De tot dan toe gevierde feest- en herdenkingsdagen (zoals herdenkingen van grote veldslagen uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog of geboortedagen van nationale helden) spraken onder meer als gevolg van verschillen in perceptie van het verleden niet alle bevolkingsgroepen evenzeer aan en konden in hun ogen het volk dan ook niet verenigen. Ook werden in deze periode veel Oranjeverenigingen opgericht.

De Boerenoorlogen in Zuid-Afrika tussen aan de ene kant de republieken Transvaal en Oranje-Vrijstaat en aan de andere kant het Britse imperium zorgden voor oplaaiende nationalistische gevoelens in Nederland. De Nederlandse wortels van de ‘Boeren’ bezorgden de kleine republiekjes veel sympathie. Koningin Wilhelmina kon dan ook op veel steun rekenen toen zij in 1900 de Transvaalse president Paul Kruger officieel ontving.

In eerste instantie had het hernieuwde nationalisme vooral geleid tot terugkijken naar het verleden, na 1890 werd het meer op de toekomst gericht. Dit toekomstgerichte karakter was bijvoorbeeld terug te vinden in de viering van het herdenkingsjaar 1913 (honderd jaar herstelde onafhankelijkheid), waarbij vooral benadrukt werd dat Nederland veel te bieden had op alle terreinen van de moderne samenleving.

De jaren dertig van de twintigste eeuw lieten de opkomst van het nationaal-socialisme zien. De Nederlandse pendant van deze beweging, de NSB, werd door koningin Wilhelmina met afschuw bekeken om haar goddeloze karakter en als on-Nederlands bestempeld. In de Tweede Wereldoorlog groeide de koningin uit tot symbool van het verzet tegen de Duitsers. Vlak na het aantreden van koningin Juliana nam Nederland afscheid van zijn kolonie Nederlands-Indië (1949). Het verlies van Nederlands-Indië was voor velen kort daarvoor nog ondenkbaar geweest en had tot hernieuwde vragen omtrent de levensvatbaarheid van het kleine Nederland geleid.

In de naoorlogse periode werd nationalisme in Nederland een wat besmet begrip. In deze periode ging Nederland deelnemen aan internationale organisaties als de Verenigde Naties, de NAVO en de Europese Gemeenschap. Vaak werd erop gewezen dat Nederland een soort gidsland voor de wereld zou moeten zijn (de dominee en de koopman verenigd). Aan het begin van de 21e eeuw kwamen nationalistische tendensen weer wat op als reactie op problemen rond de multiculturele samenleving en werd gedebatteerd over het ‘wezen’ van Nederland. Voor de Nederlandse monarchie lijkt hierbij vooral een rol weggelegd in het bijdragen aan het behoud van de eenheid van het land.

Zie ook Boerenoorlog> liberalisme > nationaal-socialisme.

< >