Politieke stroming die de vrijheid van handelen van het individu vooropstelt. Een groot deel van de liberalen koppelt hieraan het streven naar een beperkte overheidsinmenging.
Het liberalisme kent ook een duidelijke kapitalistisch-economische component met beginselen over vrijhandel, vrije concurrentie en vrijheid van ondernemingsvorming. Een monarchie met veel macht voor de vorst is strijdig met de vrijheid van het individu en dus met het liberale gedachtegoed. Daarom hebben liberalen met name gedurende de negentiende eeuw getracht de macht van de Koning in te perken ten gunste van de gekozen volksvertegenwoordiging en het electoraat. Het Nederlandse liberalisme is echter nooit anti-monarchaal geweest. Nadat de positie van de Koning staatsrechtelijk was ingesnoerd, speelden liberalen een belangrijke rol in het tot stand brengen van het beeld van het koningshuis als symbool van nationale eenheid.Koning Willem I wenste gedurende de eerste periode van zijn bewind een hechte economische samenwerking tussen het geïndustrialiseerde zuidelijke deel van het Koninkrijk der Nederlanden en het noordelijke, op handel gerichte deel. Om deze samenwerking te bevorderen en economische groei te realiseren voerde de koning een sterk interveniërend beleid. Tegen de kosten van dit beleid en het gebrek aan economische vrijheid kwam de eerste liberale oppositie van de grond. In 1828 sloten de katholieke en liberale oppositie in het zuidelijk deel van het Koninkrijk een politiek verbond uit afkeer tegen Willem I’s taal- en godsdienstpolitiek. Deze samenwerking is bekend geworden onder de naam ‘unionisme’. De unionistische beweging stond aan de basis van de Belgische opstand in 1830.
Zowel in het Noorden als het Zuiden van het Koninkrijk waren intussen vooral jonge liberale Kamerleden gaan beseffen dat de parlementaire controle op de Koning en zijn regering in het toenmalige constitutionele bestel te mager was. Mede om die reden werd in 1829 de tienjaarlijkse begroting weggestemd.
De tienjaarlijkse begroting van 1839 werd eveneens door de Tweede Kamer verworpen, waarna enkele ministers hun ontslag indienden. Dit vormde de eerste stap op weg naar de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid. Als gevolg van deze politieke crisis en de afscheiding van België kwam de regering in 1840 met voorstellen voor een grondwetsherziening. Hierin werd onder andere de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers geregeld, evenals de invoering van het contraseign. Diverse liberalen, onder wie J.R. Thorbecke, vonden de veranderingen echter te gering en stemden tegen.
In 1844 nam Thorbecke het initiatief tot een ingrijpend voorstel voor grondwetsherziening, waarbij onder andere volledige ministeriële verantwoordelijkheid en de rechtstreekse verkiezing van leden van de Tweede Kamer zou worden ingevoerd (het voorstel van de ‘negenmannen’). Dit initiatief haalde geen meerderheid in de Tweede Kamer.
Kort nadat revolutionaire bewegingen in grote delen van Europa (zoals Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk) liberale veranderingen hadden geëist, bleek koning Willem II genegen, buiten zijn ministers en het parlement om, een staatscommissie in het leven te roepen ter herziening van de grondwet in liberale richting. Met de Grondwet van 1848 (met onder andere volledige ministeriële verantwoordelijkheid en rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer) was door de liberalen een belangrijke slag binnengehaald. Uitwerking van de Grondwet vond onder andere plaats in de Gemeentewet, de Provinciewet en de Kieswet.
Het conservatieve kabinet-Van Zuylen van Nijevelt (1866-1868) kwam diverse malen in aanvaring met de Tweede Kamer. De regering liet de Kamer tot twee keer toe ontbinden. Koning Willem III speelde hierin een belangrijke rol door het kabinet ontslag te weigeren. Een motie van het liberale Kamerlid P. Blussé van Oud Alblas waarin stond dat de laatste Kamerontbinding geen enkel landsbelang diende, werd vervolgens aangenomen en na het (herhaalde) verwerpen van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken trad het kabinet af. Sindsdien wordt een dergelijke vorm van tussentijdse Kamerontbinding door de regering niet meer geaccepteerd. Hiermee was het proces van inperking van de macht van de vorst in liberale ogen voor het belangrijkste deel volbracht.
Tegen het eind van de negentiende eeuw was de rol van de conservatieve beweging in Nederland uitgespeeld. In dezelfde tijd kwamen de eerste echte politieke partijen op. De confessionelen wonnen aan kracht en de socialisten betraden het politieke toneel. Daarmee brak het tijdperk van de verzuiling aan, een periode waarin veel liberalen bang waren voor desintegratie van de samenleving. Om deze desintegratie tegen te gaan nam een aantal liberalen het initiatief tot de viering van Prinsesse- en later Koninginnedag. Tot die tijd hadden nationale feesten herdenkingsdagen niet als bindend element gefunctioneerd, doordat elk volksdeel zijn eigen visie op de geschiedenis had.
In de persoon van de jonge prinses Wilhelmina werd wel een verbindend element gevonden. De opgerichte Oranjeverenigingen raakten echter al snel gesplitst in protestants-christelijke en openbare.
Terwijl andere groeperingen veelal tot een grote politieke beweging kwamen, kwam partijvorming bij de liberalen met veel moeite tot stand. Zij vormden verschillende partijen die meer progressief of juist meer conservatief van inslag waren. Met het opkomen van de politieke bewegingen van confessionelen en socialisten en de uitbreiding van het kiesrecht nam de steun voor de versplinterde liberalen aan het eind van de negentiende eeuw af. De vooralsnog laatste liberale minister-president is de partijloze P.W.A. Cort van der Linden (1913-1918). Hij vervulde in 1901 een belangrijke rol in de onderhandelingen voor het aanstaande huwelijk tussen koningin Wilhelmina en prins Hendrik.
Als premier wist Cort van der Linden het neutrale Nederland de Eerste Wereldoorlog door te loodsen en hij was een belangrijke grondlegger van de pacificatie tussen de belangrijkste politieke stromingen van 1917 (algemeen mannenkiesrecht en financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs). Koningin Wilhelmina was zeer met hem ingenomen.
In 1948 kwam de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (WD) tot stand, een liberale partij aan de rechterkant van het politieke spectrum. Bijna twee decennia later vormde een aantal sociaal-liberalen een nieuwe partij die grote bestuurlijke veranderingen nastreefde (zoals het referendum, gekozen burgemeester en minister-president): D66. Eind jaren ’90 van de 20e eeuw sprak fractieleider Th. de Graaf van D66 zich uit voor hervorming van het monarchaal bestel. Hij wilde de Nederlandse monarchie veranderen naar Zweeds voorbeeld, wat zou moeten leiden tot een ceremoniële functie zonder daadwerkelijke macht en invloed op het regeringsbeleid. Zijn pleidooi vond geen gehoor bij de overige regeringspartijen, al zei de sociaal-democratische minister-president W. Kok wel toe te laten onderzoeken of het koningschap aan vernieuwing toe was.
De conclusie van de door Kok opgestelde notitie Het koningschap was echter dat grote veranderingen niet nodig waren. In 2001 ontstond enige commotie rond het gelukstelegram dat de WD jaarlijks aan de koningin stuurt ter gelegenheid van haar verjaardag. Deze blijk van trouw aan het koningshuis stuitte een deel van de liberale jongerenbeweging JOVD met gematigd-republikeinse opvattingen tegen de borst.
Zie ook conservatisme >Thorbecke.