Koninkrijk, sinds 1830 onafhankelijk, sinds 1831 geregeerd door het Huis Saksen-Coburg-Gotha. Het heeft lang geduurd voordat het Huis Oranje-Nassau vriendschappelijke betrekkingen aanknoopte met het Belgische koningshuis.
Dat had uiteraard alles te maken met de ontstaansgeschiedenis van de onafhankelijke Belgische staat. Volgend op de ineenstorting van het Franse Keizerrijk stuurde Engeland aan op de hereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, teneinde een sterke bufferstaat tegen Frankrijk tot stand te brengen. Op 21 september 1815 legde de zoon van de laatste ‘Noordelijke’ stadhouder Willem V de grondwettelijke eed af als ‘Koning der Nederlanden’.Het economisch beleid van Willem I wierp voor de Belgische gewesten belangrijke vruchten af. Om het analfabetisme te bestrijden werd de uitbreiding van het lager onderwijs grondig aangepakt. Voorts richtte Willem I verscheidene athenea voor middelbaar onderwijs, een rijksnormaalschool (Lier) en drie rijksuniversiteiten (Gent, Leuven en Luik) op. Op taalgebied streefde de koning naar de geleidelijke invoering van het Nederlands als officiële taal in Vlaanderen. De onderwijspolitiek van Willem I stuitte echter op hevig katholiek verzet. Willem I vond slechts steun bij de liberale opinie, die ook gevoelig was voor de resultaten van het economische beleid.
Na 1825 kwam hierin echter een kentering. Onder invloed van het Franse liberalisme legden jongere liberalen, voor wie het antiklerikalisme minder aantrekkingskracht bezat, de nadruk op de strijd voor een nieuwe staatsorde gebaseerd op het beginsel van de natiesoevereiniteit en de erkenning van de individuele vrijheden.
Liberalen en katholieken sloten zich geleidelijk aaneen en in 1828 kwam de Unie van de katholieke en liberale oppositie tot stand (het zogenaamde monsterverbond of Unionisme). Mede onder invloed van de slechter wordende economische toestand en de Franse Julirevolutie kwam het op 25 augustus 1830 te Brussel tot relletjes, die vrij onverwacht leidden tot de afscheuring van de zuidelijke provincies en tot de oprichting van het koninkrijk België.
Na de mislukte opmars van de Hollandse troepen onder leiding van zijn jongere zoon Frederik stemde koning Willem I in met een administratieve scheiding van het Noorden en het Zuiden. De Prins van Oranje zou de zuidelijke helft van het Koninkrijk gaan besturen. De prins werd door de Belgen echter niet als nieuwe soeverein aanvaard en moest België verlaten. Op 20 december 1830 erkenden de grote mogendheden in Londen de scheiding van België en Nederland. Het inmiddels te Brussel bijeengekomen Nationaal Congres verkoos op 3 februari 1831 de hertog van Nemours, tweede zoon van de Franse koning, tot ‘Koning der Belgen’. Onder internationale druk weigerde deze bij monde van zijn vader echter de kroon te aanvaarden.
Op 4 juni 1831 ging het Congres over tot de verkiezing van prins Leopold van Saksen-Coburg-Gotha tot vorst. Deze legde op 21 juli 1831 de eed af als eerste Koning der Belgen. De Tiendaagse Veldtocht, die kort daarop op last van koning Willem I ondernomen werd, liep door tussenkomst van het Franse leger niet uit op een herstel van de vroegere verhoudingen. Koning Willem I weigerde de afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden te accepteren en Leopold I als Koning der Belgen te erkennen. Bij Willem I was de verontwaardiging over de Belgische ‘ontrouw’ bijzonder groot en hij gaf zijn verzet tegen de Belgische onafhankelijkheid pas in 1839 op. Ook zijn opvolger Willem II legde zich niet aanstonds neer bij het ‘verlies’ van België.
In het revolutiejaar 1848 was er wel een briefwisseling tussen hem en koning Leopold I. Willem III zocht verdere toenadering en ontmoette als eerste vorst uit het Huis Oranje-Nassau, koning Leopold I, in Wiesbaden in 1860 en in Luik in 1861. In 1883 bracht hij met koningin Emma een staatsbezoek aan België, dat in mei 1884 met een tegenbezoek door koning Leopold II en koningin Marie-Henriette beantwoord werd.
Internationale ontwikkelingen hebben de twee landen, allebei kleine mogendheden die voor hun voortbestaan afhankelijk waren van het voeren van een strikte neutraliteitspolitiek, langzaam maar zeker in elkaars armen gedreven. Van doorslaggevende betekenis was de heroriëntering van de Engelse buitenlandse politiek.
Londen, dat gold als de voornaamste beschermer van de Belgische neutraliteit, besloot vanaf de jaren 1860 een isolationistische koers te varen, waardoor men in Brussel ging geloven dat de Engelse garantie praktisch was komen weg te vallen. De onzekerheid over zijn eigen voortbestaan, nog vergroot door de toenemende internationale spanning en de blokvorming in Europa aan het eind van de eeuw, heeft ertoe geleid dat het land, dat zich kwetsbaar voelde vanwege de strategische positie die het tussen de mogendheden innam, toenadering zocht tot Nederland. Dit resulteerde in 1910 in een staatsbezoek van koning Albert I (1875-1934) en koningin Elisabeth aan Nederland, gevolgd door een staatsbezoek van koningin Wilhelmina en prins Hendrik aan België in 1911. Na de Eerste Wereldoorlog werden de betrekkingen jarenlang overschaduwd door de vruchteloze onderhandelingen die gevoerd werden naar aanleiding van het Belgische verlangen naar grenscorrecties in het kader van het Verdrag van Versailles. Pas de dreiging van Duitse agressie bracht de beide landen weer dichter bij elkaar. Koning Leopold III (1901-1983), die als peetoom aanwezig was bij de doop van prinses Beatrix op 12 mei 1938, bracht in november van dat jaar een staatsbezoek aan Nederland, dat in mei 1939 door koningin Wilhelmina werd beantwoord.
Tijdens dat bezoek ontvouwde de Belgische koning zijn plan voor een vredesinitiatief van de gezamenlijke neutrale landen. De vredesoproep, die namens de regeringen van de Scandinavische landen, België, Luxemburg en Nederland op 23 augustus werd uitgesproken, bleef onbeantwoord, evenals de gezamenlijke Belgisch-Nederlandse vredesoproep, die op 7 november op initiatief van koningin Wilhelmina werd gedaan. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn beide landen, niet meer afzonderlijk maar gezamenlijk in Benelux- en NAVO-verband, trouwe partners van elkaar. De nauwe samenwerking op regeringsniveau wordt onderstreept door de hartelijke betrekkingen die tussen de beide vorstenhuizen bestaan. Het staatsbezoek van koning Boudewijn (1930-1993) aan Nederland in 1959 werd een jaar later door koningin Juliana beantwoord; op het staatsbezoek van koningin Beatrix aan België in 1981 volgde een officieel bezoek aan Nederland van koning Boudewijn en koningin Fabiola, enige weken voor het overlijden van de koning. Koning Albert II (geb. 1934) bracht in 2000 een staatsbezoek aan Nederland. Voorts zijn traditiegetrouw beide vorstenhuizen op eikaars bruiloften en begrafenissen op hoog niveau vertegenwoordigd.
Zie ook > Belgische opstand> Tiendaagse Veldtocht.