Nederlands rooms-katholiek staatsman, adviseur en vertrouweling van koningin Wilhelmina en van koningin Juliana; geboren in Roermond op 12 april 1902, overleden in Utrecht op 11 februari 1977; bekleedde na de Tweede Wereldoorlog achtereenvolgens de functies van minister van Binnenlandse Zaken, minister-president, Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon in Indonesië, vice-president van de Raad van State en minister van Staat.
De nauwe relatie van Beel met het Koninklijk Huis nam een aanvang toen hij, uit het bevrijde Eindhoven naar Londen ontboden, op 10 januari 1945 door koningin Wilhelmina werd ontvangen. De koningin verzocht hem in het bevrijde Zuid-Nederland een delegatie samen te stellen en daarmee naar Londen terug te keren. De delegatie van zeventien werd op 27 januari door Beel aan koningin Wilhelmina voorgesteld. Weldra bleek dat de delegatie niet alleen als bron van informatie was uitgenodigd, maar ook als ‘zichtzending’ van ministerkandidaten voor een nieuw kabinet-Gerbrandy waarop Wilhelmina aanstuurde. Vier van de delegatieleden werden minister in het derde kabinet-Gerbrandy; Beel werd minister van Binnenlandse Zaken en informeerde de koningin over het reilen en zeilen van de ministerraad. De relatie van Beel met koningin Wilhelmina was er een als die van een vazal en zijn vorstin.
Het was de koningin die de orders gaf. Een illustratie daarvan vormt een kabinetscrisis die zich voordeed in de rooms-rode coalitie die na de verkiezingen van 17 mei 1946 door Beel was geformeerd. Het kabinet-Beel zag zich na de eerste politionele actie op 18 augustus 1947 geconfronteerd met een verlammende tegenstelling binnen de ministerraad. Het katholieke smaldeel wilde de Nederlandse troepen naar Djokjakarta laten optrekken om de daar zetelende regering van de door Soekarno uitgeroepen Republiek Indonesië het zwijgen op te leggen. De socialistische ministers weigerden daarmee in te stemmen. Toen de premier de koningin van de impasse op de hoogte stelde, gelastte zij hem de ministerraad mee te delen dat naar Djokja moest worden opgerukt en dat men de Veiligheidsraad, die een staakt-het-vuren had gelast, moest negeren. De Veiligheidsraad nam op 31 augustus evenwel een voor Nederland niet ongunstig besluit over het Nederlands-Indonesische conflict, waardoor een meerderheid van de ministerraad afzag van het oprukken naar Djokja.
De vertrouwensrelatie van Beel met koningin Juliana was nog hechter dan die met haar moeder, maar had een ander karakter. Hier was het de ervaren Beel die de leiding had, en die de koningin begeleidde bij constitutionele problemen. Beels invloed kwam het sterkst tot uiting tijdens kabinetsformaties en kabinetscrises. De toonzetting van Beels interventies wordt goed geïllustreerd door hetgeen hij heeft opgetekend over een van de vele kabinetsformaties waarbij hij betrokken was, die van 1952. Beel zei tegen de koningin over de lopende formatie, die naar zijn smaak veel te lang duurde, ‘dat bij dit Halmaspel van de formateur partijpolitieke overwegingen te sterk domineren en dat ik het gewenst acht dat hieraan een einde komt’. De koningin toonde zich een goede leerlinge.
Bij de slotbespreking op paleis Soestdijk ging het erom of de sociaal-democratische leider W. Drees instemde met de instelling van een door Beel gewenst nieuw departement van Maatschappelijk Werk. Juliana zette Drees onder druk door tegenover hem haar teleurstelling uit te spreken dat deze niet bereid was ‘een splintertje’ van zijn departement van Sociale Zaken af te staan om aldus Beels departement van Maatschappelijk Werk mogelijk te maken Drees ging door de knieën. Beels politieke invloed op koningin Juliana werd versterkt door zijn rol als raadsman van haar familie. Deze begon in 1956 met de Greet Hofmans-affaire. Beel is degene geweest die Juliana heeft gedwongen Greet Hofmans te ontslaan om een dreigende echtscheiding af te wenden.
Sedertdien kon (en wilde) Juliana niet meer heen om Beel als zich in haar familie problemen voordeden. Hij stond haar ter zijde tijdens de Irene-kwestie, bij het, aanvankelijk omstreden, huwelijk van prinses Beatrix met de Duitser Claus von Amsberg en hij heeft in hoge mate bijgedragen aan de oplossing van de financiële perikelen van het hof die zich in de jaren zestig openbaarden. Als dank voor zijn verdiensten werd Beel benoemd tot minister van Staat.
Op verzoek van de koningin nam Beel in 1958 de leiding op zich van een interim-kabinet, dat (voorlopig) de naoorlogse rooms-rode politieke samenwerking afsloot. Het kabinet-De Quay, dat Beel vervolgens in het leven riep, benoemde hem in 1959 tot vice-president van de Raad van State. Gedurende de dertien jaren dat Beel vice-president van de Raad van State was, nam zijn betekenis als adviseur van de koningin en raadsman van het Koninklijk Huis verder toe. Het gezag dat Beel als koninklijk adviseur en beredderaar bij kabinetsformaties en -crises verwierf, verschafte hem de bijnaam ‘onderkoning van Nederland’ een benaming die vervolgens gemeengoed werd voor alle vice-voorzitters van de Raad van State. Opvallend was nog dat enkele leden van het Koninklijk Huis de uitvaart van Beel bijwoonden, wat tamelijk uitzonderlijk is.