Gepubliceerd op 29-06-2020

Beatrix Koningin der Nederlanden

betekenis & definitie

Voluit: Beatrix Wilhelmina Armgard Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, Prinses van Lippe-Biesterfeld; geboren op 31 januari 1938 in Soestdijk; oudste dochter van koningin Juliana en prins Bernhard; trouwde in 1966 met Claus von Amsberg; viert in 2005 haar zilveren ambtsjubileum. drie zonen: Willem-Alexander (1967), Johan Friso (1968) en Constantijn (1969); drie zusters: Irene, Margriet en Christina.

Beatrix werd in de vroege morgen van 31 januari 1938 op paleis Soestdijk geboren. De publieke vreugde was ook gebaseerd op het besef dat reeds een jaar na het huwelijk van prins Bernhard met kroonprinses Juliana een langdurige periode van kinderschaarste in de dynastie leek te eindigen. Beatrix’ vroegste kindertijd op paleis Soestdijk werd na de Duitse inval in mei 1940 onderbroken. Prinses Juliana week met haar twee kinderen (Beatrix en de in 1939 geboren Irene) via Londen uit naar Ottawa in Canada. Dat betekende dat beide dochters konden opgroeien ver weg van het oorlogsgeweld. Op 2 augustus 1945 keerde het prinselijk gezin inmiddels tot drie kinderen aangegroeid terug naar het bevrijde Nederland.

Beatrix, die haar schooljaren was begonnen in Canada, kwam op De Werkplaats terecht, de school van de onderwijsvernieuwer Kees Boeke in Bilthoven. Deze keuze voor creatief onderwijs werd niet vervolgd toen het moment van de middelbare school aan de orde was. Beatrix ging in 1950 naar villa Incrementum, een dependance van het Baarns Lyceum. In 1956 deed zij er eindexamen gymnasium alfa. Het beeld van die jaren dat in de bioscoopjournaals en via de beginnende televisie werd overgebracht was dat van een kroonprinses die naar school placht te fietsen, een hartstocht ontwikkelde voor het paardrijden en die leefde in een gezinsverband dat typerend kan worden genoemd voor de soberheid en de hechte verhoudingen van de jaren vijftig.

Toen ze achttien jaar werd, werd zij door de schrijfster Hella Haasse op een sierlijke, maar ook onverbloemde wijze geportretteerd: ‘Tussen Beatrix en haar vader bestaat een hechte karakterverwantschap, een gelijkgericht zijn. Hij is altijd haar maatstaf, haar voorbeeld geweest. Met een woord, een blik begrijpen zij elkaar.’ De verhouding met haar moeder was ‘gecompliceerder’. Koningin Juliana had, in de woorden van Haasse, ‘een neiging tot beschouwelijkheid’ en was van nature beschroomder. ‘Beatrix geeft de voorkeur aan het directe, onverbloemde, zij ziet de eerlijkheid nog liever bruusk en onverbiddelijk dan “aangelengd” met tact of diplomatie of een naar haar gevoel overdreven consideratie met andermans gevoelens.’ In haar persoonlijkheid vecht zij ‘kennelijk met felle tegenstrijdige gevoelens, met ergernis en onredelijkheid en niet te beredeneren verzet en onrust. Vonken van dit alles springen van tijd tot tijd te voorschijn onder de schijnbaar effen heldere oppervlakte van de persoonlijkheid die zij, oprecht strevend naar waardig en wellevend optreden, aan de toeschouwer toont.’ Beatrix ‘is een mens met een instinctieve, heel haar wezen in beroering brengende afschuw van verraad, onrecht, gebrek aan loyaliteit’. De tegenkant daarvan is, dat ze ‘zonder voorbehoud’ vurig diegenen aanhangt ‘in wie zij bepaalde karaktertrekken die zij hoog aanslaat, op den duur bevestigd ziet’.

Beatrix overschreed de drempel naar de officiële volwassenheid in 1956, toen de verhouding tussen haar vader en moeder ernstig verstoord was door wat later de Greet Hofmans-affaire is gaan heten. Was er geen oplossing gevonden, dan zou zij mogelijk haar moeder toen al hebben moeten opvolgen. Na het optreden van de Commissie van Drie was echter de weg vrij voor een universitaire studie. Naar het voorbeeld van haar moeder schreef Beatrix zich in voor een studie rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden en werd ze lid van de Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden (WSL). Ze studeerde er niet twee jaar zoals haar moeder maar volgde het gehele curriculum. In 1961 deed zij doctoraalexamen in de zogeheten vrije studierichting; een combinatie van rechten met diverse disciplines, zoals sociologie en economie.

Huwelijk Na de kwestie-Hofmans was haar huwelijk een gebeurtenis met een politieke weerklank, maar dit keer was zij zelf de hoofdpersoon. Na enkele voor het publiek onduidelijk gebleven relaties werd haar verliefdheid voor een Duitse adellijke persoon medio 1965 ontdekt dankzij de persfotograaf John de Rooy, die zich met journalist Eelke de Jong in de bossen bij het kasteeltje van de prinses, Drakensteyn, had verborgen op zoek naar beelden. De adellijke persoon bleek Claus von Amsberg te zijn. De natie leerde, voor de televisie gezeten, een prinses kennen die men niet eerder gezien had: verliefd en dansend op het gazon van Soestdijk. Haar keuze voor een Duitse echtgenoot bracht in het Nederland van de jaren ’60 een hevig debat teweeg over Nederland in de Tweede Wereldoorlog, dat de persoon van Claus von Amsberg te boven ging. Beatrix had in de aanloop naar deze onthulling de toenmalige minister-president J.

Cals bovendien lange tijd onkundig gelaten van de naam van haar geliefde. Haar werd vervolgens tijdens de parlementaire discussie over de toestemmingswet in een uitgelekte brief een bijzondere eigenzinnigheid toegeschreven door de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer G. Nederhorst. De toestemmingswet kwam er ten slotte, met enkele tegenstemmen.

Het huwelijk werd op 10 maart 1966 op aandringen van het kabinet in Amsterdam voltrokken, de stad waar de vervolging van de joden door de nazi’s het zwaarst was geweest. Burgemeester G. van Hall herinnerde aan de ‘lastige stad’ in zijn toespraak tot het bruidspaar. Er werd een rookbom geworpen naar de Gouden Koets op weg naar de Westerkerk, waar het huwelijk kerkelijk werd ingezegend door dominee H.J. Kater. De witte rook was het politieke signaal van een anarchistische groepering, de provo’s, maar ook van een culturele revolutie die zich in de volgende jaren zou manifesteren in de samenleving. Zo werd de bruiloft een datum in de geschiedenis van Nederland die de dimensie van de feestelijkheden van de monarchie oversteeg.

Op deze roerige dag volgden gelukkige jaren in het kasteel Drakensteyn in Lage Vuursche, dat de prinses al in 1963 had betrokken. Daar werd het paar de kans geboden op een huiselijke intimiteit maar ook op een intensieve voorbereiding op het koningschap. Beatrix bracht er drie zonen groot. Zij en Claus werden het middelpunt van een kring van kunstenaars en intellectuelen. De kritiek op de Duitse afkomst van de prins-gemaal verstomde en maakte plaats voor een achting voor de standing van het kroonprinselijk paar. Het was voor aller ogen ook een gelukkig huwelijk; de kroonprinses liet zich duidelijk inspireren door de internationale oriëntatie van haar echtgenoot. Koningschap Beatrix’ inhuldiging op 30 april 1980 was opnieuw een datum die de dimensie van het monarchale feest te boven ging.

Op die dag deed de kraakbeweging luidruchtig van zich spreken. De befaamde balkonscène op het Paleis op de Dam, tijdens welke de afgetreden vorstin de nieuwe koningin aan de samengestroomde bevolking voorstelde en die in 1948 een ontroerende gebeurtenis was geworden, werd in 1980 verstoord door een haperende geluidsinstallatie. En de daaropvolgende geluiden kwamen uit de kelen van personen die meenden dat ‘geen woning geen kroning’ moest betekenen. De feestdag kreeg in de Amsterdamse binnenstad het aanzien van een slagveld. In de jaren daarna, 1981 en 1983, werden er twee ongekend grote demonstraties tegen de plaatsing van kernwapens in Nederland gehouden. Beatrix besteeg de troon tijdens een uitloper van de culturele en politieke omwenteling van de jaren ’60: grootschalige protesten tegen de woningspeculatie en de kernwapens.

In 1982 werd de christen-democraat Ruud Lubbers minister-president. Hij zou tot 1994 leiding geven aan een politiek tijdperk waarin Nederland de staatsfinanciën op orde moest krijgen, de sociale voorzieningen moest herordenen en een economische structuurverandering moest doorvoeren. Koningin Beatrix kon in deze jaren haar grondwettelijke taak vervullen zonder opzien te baren, temeer daar de premier haar de nodige ruimte gaf. Op Koninginnedag 1988 de nationale feestdag die onder Beatrix op 30 april was gehandhaafd kwam zij bij verrassing naar de vrijmarkt in Amsterdam en werd in de Jordaan door een passant gekust. Dat gebaar werd uitgelegd als een verzoening met de hoofdstad, een bewijs ook dat de stemming rond de inhuldiging inmiddels ten gunste van de koningin was omgeslagen. De natie leerde een vorstin kennen die een krachtige persoonlijkheid paarde aan een sterk internationaal gerichte belangstelling.

Zij hield van decorum en liet haar paleizen in haar Haagse residentie paleis Noordeinde als ‘werkpaleis’ en Huis ten Bosch als ‘woonpaleis’ fraai restaureren. In 1988, toen zij vijftig jaar werd, liet Beatrix zich in een film voor de NOS opnieuw, maar nu in beeld, portretteren door Hella Haasse, waarbij de zakelijke inslag van de organisatie van de hofhouding opvallend was, maar ook haar hartstocht voor het beeldhouwen en de intensieve en efficiënte wijze waarop ze haar werkbezoeken voorbereidde. Aan het slot waren beelden te zien van haar te paard, in galop over het strand te Wassenaar. Het was de televisievariant van het ruiterstandbeeld. In het herdenkingsjaar 1995 manifesteerde koningin Beatrix zich op een persoonlijke en intellectuele wijze in een drietal redevoeringen. In de herdenking van een halve eeuw bevrijding besprak zij de vraag naar de reikwijdte van collaboratie en verzet in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In een toespraak tot het Israëlische parlement, de Knesseth, roerde zij het onderwerp van de ‘passieve collaboratie’ aan; dat wil zeggen de rol van de Nederlandse omstanders tijdens de wegvoering van de joden door de nazi’s. En een dag na de vijftigjarige herdenking van de Indonesische onafhankelijkheid op 17 augustus 1995 behandelde zij tijdens een staatsbezoek aan Indonesië het precaire thema van de Nederlandse rol in de dekolonisatie. Zij bood geen verontschuldiging aan voor de koloniale overheersing een zeer omstreden thema in de Nederlandse politiek maar poogde wel dit verleden te beschouwen in een op verzoening gerichte zienswijze. Naast deze intellectuele prestaties leerde men ook een sociale Beatrix kennen. Haar optreden na het neerstorten van een vrachtvliegtuig op de Amsterdamse wijk Bijlmermeer (1992) en na de vuurwerkramp in Enschede (2000), en haar bezoek aan overlevenden van de ramp op nieuwjaarsnacht in een café in Volendam, getuigden van een grote sociale bewogenheid die zij in de traditie van de monarchale rampvisites even gevoelig als waardig wist uit te werken. Het televisiebeeld van een natgeregende koningin, die op het Antilliaanse eiland Sint Maarten (1999) ook werd overvallen door een vloedgolf, is onvergetelijk. In haar werkbezoeken en in de naamgeving van het fonds voor behandeling van spierziekten sinds 1956 het Prinses Beatrix Fonds laat zij zien dat ook deze dimensie van het koningschap haar belangstelling heeft en inspanningen vraagt.

Een bewogen periode Na een lange periode van politieke stabiliteit trad koningin Beatrix tijdens de kabinetsformatie van 1994 voor het eerst persoonlijker naar buiten, omdat zij op een cruciaal moment na ingewonnen adviezen de sociaaldemocraat Wim Kok de opdracht verleende tot de vorming van een zogeheten paarse coalitie; een kabinet van sociaal-democraten, liberalen en democraten, waarvan de politieke kleur paars een breuk betekende met driekwart eeuw van confessionele dominantie in de Nederlandse politiek. Meer en meer zette zij een persoonlijk stempel op haar ambtsvervulling. De koningin bleef zich houden aan de letter van de Grondwet, maar lokte een debat uit over de berichtgeving over de monarchie met de volzin ‘De leugen regeert’. In de Tweede Kamer stelde D66 de politieke macht van de Koning ter discussie en pleitte voor een louter symbolische functie van het staatshoofd. Een crisis over het voorgenomen huwelijk van prins Willem-Alexander met de Argentijnse Máxima Zorreguieta kon in een samenspel tussen koningin en eerste minister worden vermeden. Het huwelijk van de Prins van Oranje werd op 2 februari 2002 voltrokken buiten aanwezigheid van de vader van de bruid, wiens aandeel in de militaire dictatuur die Argentinië in de jaren ’70 kende, in Nederland allerwegen op kritiek was gestuit.

Op 6 oktober 2002 overleed prins Claus. Voor het eerst sinds bijna veertig jaar trok een koninklijke rouwstoet door Den Haag naar de Nieuwe Kerk in Delft, waar zijn lichaam in een strak geregisseerde, maar ook luisterrijke en vooral indrukwekkende plechtigheid werd bijgezet in de grafkelder van de dynastie. Het beeld van een rouwende koningin, leunend op de arm van haar tweede zoon Friso, werd op het netvlies van de kijkers gegrift. Beatrix was door de dood van haar echtgenoot beroofd van een wijze partner. Op de avond van de bijzetting raakte het toenmalige kabinet onder leiding van de christen-democraat Jan Peter Balkenende in het ongerede. In de nog prille rouwperiode werd de koningin geconfronteerd met een politieke crisis, waarvan het begin en de oorzaak gelegen waren in de politieke moord op 6 mei 2002 op een succesvol lijsttrekker in de verkiezingscampagne, Pim Fortuyn.

De jaren na het overlijden van de geliefde prins waren voor Beatrix niet gemakkelijk, maar de geboorten van kleinkinderen vormden momenten van vreugde. Beatrix’ nichtje prinses Margarita zorgde met echtgenoot Edwin de Roy van Zuydewijn in 2003 voor opschudding door in een reeks interviews in weekbladen en op televisie zware beschuldigingen uit te spreken aan het adres van de koningin en de koninklijke familie. Binnen een jaar verloor Beatrix zowel haar moeder (20 maart 2004) als haar vader (1 december 2004); de reis naar Delft moest weer gemaakt worden. In april 2004 was de Oude Kerk in Delft het toneel van het huwelijk van prins Johan Friso en zijn bruid, Mabel Wisse Smit. Wat een heugelijke dag had moeten zijn, werd overschaduwd door het feit dat het paar informatie over het verleden van Mabel niet tijdig met de minister-president gedeeld had. De regering had daarop geen toestemmingswet ingediend, zodat Johan Friso door zijn huwelijk het lidmaatschap van het Koninklijk Huis verloor. Met haar zilveren regeringsjubileum in 2005 kon de koningin terugblikken op een bewogen periode.

< >