Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Zelfverwerkelijking

betekenis & definitie

Voor de klassieke Griekse filosofen was zelfverwerkelijking een concept dat paste binnen een teleologische opvatting van de kosmos. De hele werkelijkheid streeft naar zijn natuurlijke bestemming. Voor de mens, het ‘tussenwezen’ (Aristoteles), dat zowel aan het dierlijke als aan het goddelijke participeert, betekent dit dat hij het beste in zichzelf, zijn redelijkheid, dient te ontwikkelen. Zijn zelfrealisatie leidt tot integratie in een kosmische harmonie die hem overstijgt. Paradoxaal genoeg kan een mens slechts tot zelfrealisatie komen door zichzelf te overtreffen.

Vanaf het begin van de moderne tijd wordt zelfverwerkelijking veel minder voor de menselijke soort als geheel dan vanuit een individualistisch perspectief gedefinieerd. Zelfrealisatie krijgt nu betekenis vanuit een cultuur van de authenticiteit. Er wordt verondersteld dat mensen in staat zijn om in zichzelf een diepe bron van waarde te ontdekken, van waaruit het leven zinvol wordt. Dit ideaal blijft echter zeer onbepaald. Het kan even goed leiden tot soft relativisme en narcisme als tot altruïstisch engagement in publieke acties.

Enkele theoretische discussies
In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw hebben structuralistische filosofen het impliciete essentialisme in het begrip ‘zelfverwerkelijking’ bekritiseerd. Suggereert dit begrip niet dat er een ‘zelf’ bestaat dat voorafgaat aan zijn manifestatie in de externe werkelijkheid of dat los van enige sociale relaties kan worden gedefinieerd? De geschiedenis van de mens(heid) zou dan een soort odyssee zijn, waarbij de mens door allerlei omstandigheden van zijn oorsprong en wezen vervreemd raakt. De hoop om via een dialectische omweg de archè terug te winnen als telos wordt in dit enigszins naïeve metafysische schema nooit helemaal opgegeven.

Toch is een niet-essentialistische invulling van het begrip ‘zelfverwerkelijking’ denkbaar. Jon Elster bijvoorbeeld onderscheidt louter consumptieve van zelfrealiserende activiteiten door hun tijdsstructuur. Consumptie verschaft onmiddellijk plezier, maar geeft op termijn een saai en leeg leven. Wie van de ene naar de andere kick holt, blijft uiteindelijk gefrustreerd achter. Activiteiten waarin men zichzelf realiseert zijn aanvankelijk lastig en worden slechts op langere termijn beloond. Wie begint te werken, heeft het vaak moeilijk. Men moet nieuwe routines aanleren, de nodige discipline respecteren, samenwerken met onbekenden en vroeg opstaan. Wie volhoudt bouwt vakmanschap en karaktereigenschappen op die door anderen zullen worden gewaardeerd. Zelfrealisatie wordt hier niet alleen verbonden met lange-termijnplannen, die een leven ‘vullen’, maar ook met het op gang brengen van een virtueuze cirkel waarin fierheid over het eigen kunnen en waardering door en voor anderen ten nauwste samenhangen. Deze inzichten sluiten nauw aan bij die van Charles Taylor, die op zijn beurt benadrukt dat de waarden die mensen in hun eigen hart menen te vinden nooit louter uitdrukking van individuele willekeur kunnen zijn, maar aanspraak maken op een soort objectiviteit, die de individuele ‘smaak’ overstijgt.

Grote vraag hierbij is of de overheid al dan niet de plicht heeft om mensen te stimuleren tot creativiteit en zelfverwerkelijking eerder dan tot een louter consumptief leven. John Rawls en de meeste hedendaagse liberalen menen dat de overheid zich dient te beperken tot het scheppen van gelijke kansen voor alle individuen, maar dat ze zich verder dient te onthouden van elke vorm van paternalisme. Rawls bekritiseert in dit verband het perfectionisme, dat hij associeert met het aristotelische principe, het idee dat mensen de morele verplichting hebben om hun ‘natuurlijke’ kwaliteiten zo goed mogelijk te ontwikkelen. Men kan met Rawls akkoord gaan dat de overheid niet per se moet proberen mensen tegen hun zin gelukkig te maken, maar toch zijn niet alle levenswijzen even veel waard. De overheid heeft ons inziens wel degelijk het recht om in de mate van het mogelijke verslavende levensstijlen te ontmoedigen, hoger onderwijs te promoveren en de arbeidszin te stimuleren.

Indien er een plicht tot zelfrealisatie bestaat, dan kan men die toch niet al te stringent opleggen. Anders leidt dit immers tot de slavernij van de getalenteerden: mensen met heel veel talenten worden dan verplicht om heel hard te werken voor zichzelf en voor de ondersteuning van hun minder begaafde medeburgers.

Literatuur
Elster, J., Sour Grapes: Studies in the Subversion of Rationality, Cambridge, 1983.
Rawls, J., Een theorie van rechtvaardigheid, vertaald door F. Bestebreurtje, Rotterdam, 2006 (1971).
Taylor, Ch., Sources of the Self: The Making of Modern Identity, Cambridge, 1989.

(A. Vandevelde)