Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Vrijgevigheid

betekenis & definitie

Vrijgevigheid (Grieks eleutheriotès', Latijn liberalitas; Engels generosity, liberality; Duits Freigebigkeit, Frans génerosité, liberalité) is de vrijwillige en gretige bereidheid om ruimschoots te geven, dat wil zeggen meer te geven dan men op grond van wet, regel, contract of andere afspraak verplicht is. De vrijgevige beoogt niet enig voordeel te behalen, maar is vrijgevig omwille van het goede of ‘schone’ (zoals Aristoteles zegt) van de handeling zelf. Vrijgevigheid completeert zo de wettelijke rechtvaardigheid. De vrijgevige is, in tegenstelling tot iemand die slechts aan zijn verplichtingen voldoet, moreel prijzenswaardig. Vrijgevigheid heeft in de westerse cultuurgeschiedenis tenminste drie gedaantes: een Grieks-aristotelische, een christelijke en een groteske.

Historische ontwikkeling
In de oudheid is Aristoteles’ begrip van vrijgevigheid bepalend. Voor hem is vrijgevigheid een ethische deugd, een door opvoeding, scholing en gewoontevorming te verwerven kwaliteit die onontbeerlijk is voor een goed en gelukkig leven. Vrijgevigheid houdt het juiste midden tussen het tekort (de ondeugd gierigheid) en het exces (de ondeugd verkwisting). Aristoteles beperkt het object van vrijgevigheid tot geld en materiële goederen. De vrijgevige geeft aan wie het passend is te geven. De verkwister geeft te veel, waardoor hij zichzelf te gronde richt, of hij geeft aan de verkeerden. De gierigaard is te zeer aan zijn bezit gehecht, en zijn ondeugd is meestal ongeneeslijk. Dat gierigheid een groter kwaad genoemd wordt dan verkwisting, houdt verband met het Griekse ideaal van autarkie, dat door vrijgevigheid bevorderd wordt. Door bovenmatige vrijgevigheid schaadt men zichzelf, terwijl de gierigaard door zijn zelfgerichtheid de gemeenschap schaadt, wat voor de Grieken erger is. Door vrijgevig te zijn, zelfs als dit enigszins bovenmatig is, demonstreert men zijn onafhankelijkheid, en draagt men bij aan de gemeenschap. Vrijgevigheid wordt dan ook, als iedere deugd, met vreugde bedreven (EN 1119b20-1122al6). Andere opvattingen van vrijgevigheid in de oudheid, zoals de liberalitas, die door Cicero wordt behandeld, verschillen niet wezenlijk van de aristotelische vrijgevigheid.

In de christelijke traditie is vrijgevigheid niet een deugd op zichzelf, maar staat zij in de context van de zorg voor de behoeftigen (armen, zieken). In die zin is zij een morele verplichting ten opzichte van anderen, verbonden met barmhartigheid en naastenliefde. Vrijgevigheid is bij uitstek het geven van aalmoezen. Wat men niet strikt nodig heeft voor het levensonderhoud van zichzelf en de zijnen, schenke men weg. Om daarbij zelfverheffing te voorkomen, zegt Jezus in de Bergrede dat de aalmoes in stilte en niet zichtbaar gegeven moet worden (Matteüs 6: 3). Door de invloed van Thomas van Aquino (STh IIaIIae, q. 32), die op Aristoteles teruggrijpt, treden in het christendom het deugdkarakter van vrijgevigheid, en daarmee het juiste midden, op de voorgrond. Maar het christendom kent ook de onmatige kant van vrijgevigheid. Beroemd is de raadselachtige passage uit de Heilige Schrift waarin Jezus gezalfd wordt met een overvloed aan kostbare mirre, en Judas daartegen even verstandige als huichelachtige bezwaren maakt (Johannes 12: 1-11). Met name Moyaert (1998) wijst op deze en andere mateloze kanten van het christendom. De schepping zelf, tenslotte, die een schepping uit het niets is (creatio ex nihilo), wordt beschouwd als een daad van Gods generositeit.

In de dominante discoursen van de moderne tijd, waarin instrumenteel en functionalistisch denken overheersend zijn, economische aspecten doorslaggevend en contractopvattingen van menselijke verhoudingen vanzelfsprekend, speelt vrijgevigheid geen grote rol. Vrijgevigheid leeft, onzichtbaar voor deze dominante perspectieven, vooral in de privésfeer van gezin en vriendschappen, bijvoorbeeld in cadeaurituelen. Er zijn niettemin tegenbewegingen, die wellicht daarom post-modern genoemd worden. Zo is voor de door Nietzsche geïnspireerde Bataille niet de schaarste maar de overvloed fundamenteel voor de menselijke gemeenschap. Verspilling, seksuele uitspattingen en offers vormen voor hem de kern van het bestaan, want zij brengen ons in contact met het heilige. De feministische Cixous verzet zich tegen de ‘mannelijke’ schaarste-economie en verdedigt de gevende betekenisovervloed van de écriture féminine. Zowel Bataille als Cixous grijpen terug op het klassieke Essai sur le don van de antropoloog Mauss. Deze beschrijft onder meer de zogenaamde ‘potlatch’ rituelen van bepaalde niet-westerse culturen: de gewoonte om buitensporige hoeveelheden van vaak eerste levensbehoeften weg te geven of zelfs te vernietigen, waaraan de gever veel prestige ontleende.

Men zou de niet-calculerende excessieve vormen van vrijgevigheid, voorzover zij ingaan tegen de (moderne) geregelde burgerlijke samenleving, kunnen samenvatten met de term ‘grotesk’. Tot de groteske traditie van vrijgevigheid in het westen behoren behalve Nietzsche en Bataille zulke uiteenlopende figuren als Diogenes de Cynicus, de vroeg-christelijke woestijnvader Anthonius de Kluizenaar, Rabelais en Bachtin. Eveneens in aansluiting op Mauss bespreekt Derrida in Donner le temps groteske aspecten van vrijgevigheid, en verbindt deze met christelijke noties. Derrida onderzoekt of vrijgevigheid mogelijk is zonder dat zij ruil beoogt. Als men iets geeft, zegt Derrida, vraagt het gegevene zelf (en niet zozeer de gever) om een wedergave of genoegdoening. Reeds de erkenning van het gegevene als gegevene impliceert deze genoegdoening. Om zuivere gift te blijven zou vrijgevigheid onzichtbaar moeten zijn (vergelijk Jezus in de Bergrede), ofwel onmiddellijk door alle betrokkenen moeten worden vergeten.

Literatuur
Aristoteles, Ethica Nicomachea (EN), vertaald door C. Pannier en J. Verhaeghe, Groningen, 1999.
Bataille, G., Oeuvres complètes, Paris, 1970-88.
Cicero, M.T., De plichten: leefregels gebaseerd op het stoïcisme, vertaald door J. Ector, Leuven, Amersfoort, 1984.
Cixous, H., Clément, C. La jeune née, Paris, 1975.
Derrida, J., Donner le temps: I. La lausse monnaie, Paris, 1991.
Duyndam, J., ‘Exzessives Geben. Freigebigkeit bei Levinas und anderen’, in: F. Miething, Chr. von Wolzogen (Hrsg.), Après vous. Denkbuch für Emmanuel Levinas 1906-1995, Frankfurt/M., 2006, pp. 125-138.
Komter, A., ‘De psychologie van de gift: Over geven, vergeven en vergif’, Psychologie en Maatschappij, vol. 65,1993, pp. 306-318.
Laks, A., Justice and Generosity: Studies in Hellenistic Social and Political Philosophy, Cambridge, 1995.
Mauss, M., The gift: The Norm and Reason for Exchange in Archaic Societies, London, 1990, (vert. van Essay sur le don, 1923).
Moyaert, E, De mateloosheid van het christendom: over naastenliefde, betekenisincarnatie en mystieke liefde, Nijmegen, 1998.
Poorthuis, M., Hamer op de rots: artikelen over teksten en hun uitleg in jodendom en christendom, Hilversum, 1989.
Schrift, A., The Logic of the Gift: toward an Ethic of Generosity, New York, 1997.
Thomas van Aquino, Summa Theologtae (STh), Latin text and English translation, Londen, 1964-1976.

(J. Duyndam)