Utilitarisme betekenis & definitie

Het utilitarisme (het Latijnse utilitas betekent ‘nut’ of ‘voordeel’) is een consequentialistische theorie die handelingen moreel waardeert naar de gevolgen ervan. De waardering vindt plaats volgens de criteria die geïmpliceerd zijn in het principe volgens welke het gaat om het geluk, opgevat als de maximalisering van plezier en de minimalisering van pijn. Het gaat daarbij niet om de bevordering van nut voor ieder afzonderlijk individu, maar om de maximalisering van de som van het nut voor alle betrokkenen. Inzake de vraag wat van nut is, geldt alleen het subjectieve oordeel van de individuen. De aggregatie daarvan tot ‘het grootste nut voor het grootste aantal’ geschiedt vanuit onpersoonlijk perspectief.

Historische ontwikkeling
De door Jeremy Bentham beroemd geworden formule ‘het grootste geluk voor het grootste aantal’ geldt als het eerste grondbeginsel van het utilitarisme en bezit in het door grote sociale kwesties getekende Engeland van die tijd een belangrijke betekenis voor de opkomende democratische hervormingsbewegingen. Vanwege deze programmatische these werd en wordt het utilitarisme evenwel tot op de huidige dag scherp filosofisch bekritiseerd. Dat het geluk, in de zin van het hedonisme als genot en plezier begrepen, moreel betekenisvol zou zijn werd al vroeg op zeer polemische toon door de critici van Bentham bestreden.

Dit bracht John Stuart Mill, de bekendste vertegenwoordiger van het klassieke utilitarisme na Bentham en auteur van het essay Utilitarianism (1863), tot de poging een kwalitatieve bepaling van geluk op te stellen, die het mogelijk moest maken te onderscheiden tussen ‘hogere’ en ‘lagere’, ‘betere’ en ‘slechtere’ genietingen. Deze poging moest de zuiver kwantitatieve criteria van Bentham (intensiteit, duur, zekerheid of onzekerheid, nabijheid of distantie, vruchtbaarheid en zuiverheid van genot en plezier) aanvullen opdat het, aldus Mill, ook vanuit utilitaristisch oogpunt nastrevenswaardiger zal blijken een ‘ontevreden Socrates’ dan een ‘tevreden zwijn’ te zijn. Mill faalt echter in zijn opzet omdat hij de vraag of iets het waard is nagestreefd te worden (of iets desirable is), niet anders weet te beantwoorden dan door te wijzen op het feit dat het nagestreefd wordt en dus nagestreefd kan worden (desirable is).

Met Henry Sidgwick treedt de derde prominente vertegenwoordiger van het vroege utilitarisme aan de dag. Zijn werk Methods of Ethics (1875) geldt als de zorgvuldigste uitwerking van deze moraaltheorie in haar klassieke gedaante en is van beslissend belang voor de academische erkenning van het utilitarisme. Een opmerkelijk aspect van Sidgwicks betoog komt tot uitdrukking in zijn opvatting omtrent een normatieve praktische ethiek waarin utilitaristische calculus en gezond verstand (common sense) voortdurend in wisselwerking met elkaar staan. Het utilitarisme vervangt de gangbare morele opvattingen niet, maar maakt ze tot onderwerp van reflectie en correctie. De hoogste principes van het gezonde verstand worden hierbij als ‘centrale axioma’s’ tot onderwerp van morele oordelen waarbij utilitaristische overwegingen uitsluitend aan de orde komen ‘om punten vast te stellen waar de resultaten van het gezonde verstand onduidelijk of contradictoir blijken’ (Sidgwick 1875, II, Cap. IV §1). Deze opvatting van Sidgwick die kan gelden als voorloper van de door Rawls geformuleerde gedachte van het reflective equilibrium, heeft veel bijgedragen tot een grotere acceptatie van het utilitarisme - door Sidgwick zelf aangeduid als ‘empirisch hedonisme’. Bovendien heeft Sidgwicks opvatting de basis gelegd voor het wetenschappelijk gefundeerde morele denken aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw.

Aan het moderne utilitarismedebat dat weer opleefde in de tweede helft van de twintigste eeuw dankt de moderne praktische ethiek vele waardevolle inzichten en differentiaties. Twee onderscheidingen, die tussen het act- of handelingsutilisme en het regelutilitarisme en die tussen het geluks- en het preferentie-utilitarisme, zijn in dit verband van eminente betekenis.

Handelings- versus regelutilitarisme
Volgens vele critici is het afwegen van vreugde en lijden bij vragen van morele aard ongepast. Iets zo beslissends als de vraag of een handeling moreel juist of onjuist is, mag niet door een calculus worden beslist. Deze tegenwerping steunt op deontologische theorieën die zich beroepen op de onvoorwaardelijke geldigheid van morele rechten en plichten. Het utilitarisme kan geen onvoorwaardelijk geldige morele rechten in de deontologische zin van het woord funderen: of iemand een recht heeft of niet, is in consequentialistische theorieën altijd afhankelijk van het resultaat van de afweging van de gevolgen. Tegen het utilitarisme worden in hoofdzaak twee principiële tegenwerpingen in stelling gebracht: ten eerste wordt bestreden dat wij bij ons dagelijkse handelen in staat zijn alle handelingen overeenkomstig hun nuttigheidswaarde te beoordelen. Ten tweede wordt gesteld dat wij speciale banden onderhouden met anderen die ons tot een bijzondere inachtneming van hun behoeften en belangen verplicht. Zo kunnen familieleden onderling aanspraak maken op een bijzondere steun die losstaat van de universele afwegingen van vreugde en lijden. In het op Smart (1956) en Brandt (1959) teruggaande onderscheid tussen handelings- en regelutilitarisme, wordt beoogd beide problemen te overwinnen.

Terwijl bij het klassieke act- of handelingsutilitarisme de afzonderlijke handelingen het onderwerp zijn van de utilitaristische afweging van de gevolgen, worden in het regelutilitarisme de morele handelingsregels beoordeeld: welke regel zou, wanneer hij algemeen gevolgd werd, de beste gevolgen hebben. Het regelutilitarisme heeft weliswaar duidelijke voordelen, maar bevat zelf ook een grote moeilijkheid. Immers, om superieur te kunnen zijn aan het handelingsutilitarisme zouden de regels moreel bindend moeten zijn, maar dat kan uiteindelijk niet consequentialistisch worden gefundeerd. Er hoeft maar één tegen de regels indruisende handeling meer nut op te leveren dan het alternatief dat met de regels in overeenstemming is en de regel kan al niet meer als moreel gerechtvaardigd worden beschouwd. Zo’n fundering vereist dat er iets anders in acht wordt genomen dan de gevolgen van een handeling. Hare (1981) heeft in dit verband voorgesteld twee niveaus van moreel denken te onderscheiden: het intuïtieve en het kritische niveau. Op het intuïtieve niveau gelden onze morele intuïties, dat wil zeggen de morele regels waarvan wij in het licht van onze dagelijkse moraal overtuigd zijn. Op het kritische niveau van het morele denken worden de relevante feiten in de beschouwing betrokken en worden de regels in een utilitaristische calculus op hun belang voor alle betrokkenen getoetst. Hoewel morele regels op het intuïtieve niveau aanvankelijk weliswaar geldigheid bezitten, moet deze geldigheid in morele conflictsituaties op kritisch niveau, in het licht van alle feiten, kunnen worden bevestigd. Door Hare’s theorie van de twee niveaus kan ook binnen het utilitarisme van rechten sprake zijn, ook al verliezen die, als prima-facie-rechten, hun onvoorwaardelijke geldigheidsaanspraak die ze binnen deontologische ethieken bezitten.

Geluks- versus preferentie-utilitarisme
Evenals bij het klassieke zijn ook bij het contemporaine utilitarisme belangrijke kanttekeningen geplaatst, zoals de vraag wat er onder het beginsel van de maximalisering van het geluk kan en moet worden verstaan. Uitgaande van de veronderstelling dat mensen het leven minstens een minimale hoeveelheid nut weten te ontlokken, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het volgens de utilitaristische calculus geboden is de som van de nuttigheid ook te vergroten door de vermeerdering van het bevolkingsaantal. Deze repugnant conclusion (Parfit 1984) lijkt echter onacceptabel en daarom wordt door sommige utilitaristen ten behoeve van de nuttigheidscalculus de voorkeur gegeven aan het nut-gemiddelde (bijvoorbeeld Harsanyi 1982). Dienovereenkomstig kan alleen door vergroting van het nut voor het individu, maar niet door vermeerdering van het aantal individuen, een vermeerdering van het totale nut worden bereikt. Alleen vanuit utilitaristische overwegingen is het bevorderen van het gemiddelde nut ten opzichte van het totale nut echter niet te funderen. Een beoordeling overeenkomstig het nutgemiddelde wordt zelfs onaannemelijk als het om negatieve nutgrootheden gaat. Hierbij lijkt het wel degelijk relevant hoeveel individuen er moeten lij den, en is een vermindering van uitsluitend het gemiddelde lijden ontoereikend.

Pas het preferentie-utilitarisme vermijdt de tekortkomingen van het geluksutilitarisme. Hierin gaat de aandacht niet uit naar plezier- en pijntoestanden als zodanig, maar naar belangen of preferenties, en in welke mate daaraan tegemoet wordt gekomen. Het aantal individuen is dan irrelevant, want niet de hoeveelheid preferenties en daarmee het aantal dat deze preferenties bezit is moreel relevant, maar alleen de vervulling of niet-vervulling van die individuele preferenties die feitelijk bestaan of naar alle waarschijnlijkheid zullen bestaan.

Een bezwaar tegen het preferentie-utilitarisme volgt uit het feit dat wij in veel situaties niet weten en ook niet kunnen weten wat onze ‘werkelijke’ preferenties zijn. Het preferentie-utilitarisme vergt, zo lijkt het, van de moreel handelende persoon een te sterke mate van kritische zelfreflectie omtrent de eigen wensen en behoeften alsmede een enorme feitenkennis betreffende de eigen preferenties en die van anderen. Hier ziet het preferentie-utilitarisme zich voor een principiële moeilijkheid geplaatst die aan consequentialistische overwegingen inherent is: een moreel oordeel kan slechts zo goed zijn als de empirische kennis waarop het is gebaseerd. Tegenover deze moeilijkheid staat evenwel het voordeel dat het principe van autonomie, dat in het contemporaine morele denken doorgaans een centrale positie krijgt toebedeeld, gemakkelijk geïntegreerd kan worden. Want in het preferentie-utilitarisme wordt uitdrukkelijk de aanspraak erkend dat de inhoud van hetgeen iemand als zijn individuele geluk beschouwt door hemzelf wordt bepaald en deze aanspraak kan hij ten opzichte van andere personen laten gelden.

Een volgend punt van kritiek tegen het preferentie-utilitarisme houdt verband met het feit dat binnen deze opvatting geen onderscheid tussen terechte en onterechte preferenties kan worden gemaakt. Wanneer alleen de subjectieve gevoelens van bevrediging of frustratie van morele betekenis zijn, dienen alle preferenties, of ze nu op ‘eerzame’ doelen zijn gericht of op het uitvoeren van een misdaad, in acht te worden genomen. Een dergelijk ‘sentimenteel utilitarisme’ (Birnbacher 1988 en 1990) is voor menig criticus onacceptabel. Hier dient echter een onderscheid te worden gemaakt tussen het principe van de gelijke behandeling van alle preferenties enerzijds en het morele oordeel over preferenties anderzijds. De gelijke behandeling van alle preferenties vormt de eigenlijke methode met behulp waarvan in het preferentie-utilitarisme een moreel oordeel wordt geveld. Om een cirkelredenering te vermijden, kan hier geen voorselectie van preferenties plaatsvinden volgens criteria die zelf een moreel oordeel, en dus een utilitaristische afweging van alle preferenties vooronderstellen. Echter, het principe van de gelijke behandeling verhindert het preferentie-utilitarisme niet om de gevolgen van misdadige of schadelijke preferenties bij de morele afweging te betrekken. Integendeel: voor zover de preferenties met gevolgen verbonden zijn, dienen ze ook te worden meegewogen. Weliswaar is het voornemen van een moordenaar als zodanig niet voldoende voor een morele veroordeling, maar voor zover het zelfs maar waarschijnlijk is dat dit voornemen in daden wordt omgezet of dat er andere vergelijkbaar schadelijke consequenties uit voortvloeien, moet het koesteren van dergelijke preferenties ook vanuit utilitaristisch standpunt worden veroordeeld.

Actuele probleemgebieden
De rechtvaardigheid is een van de meest prominente thema’s van de moraalfilosofie. Hoewel Mill het laatste hoofdstuk van zijn Utilitarianism helemaal wijdt aan het verband met de rechtvaardigheid, moet vastgesteld worden dat de utilitarist geen inhoudelijk rechtvaardigheidsbegrip kan ontwikkelen. Omdat het utilitarisme altijd uitsluitend op de som van het geluk is gericht, kunnen verdelingen van sociale goederen niet ex ante als rechtvaardig worden geïdentificeerd. Een morele beoordeling van bepaalde verdelingsstructuren kan slechts plaatsvinden in het licht van de te verwachten uitwerkingen op het geluk in de samenleving. Daar staat tegenover dat in alle varianten van het utilitarisme met het principe van de gelijke behandeling een belangrijk element van rechtvaardigheid aan de dag treedt (Bentham: ‘Ieder telt voor één, niemand telt voor meer dan één’). Enkele recente stromingen binnen het utilitarisme, zoals het zogenoemde ‘rechtvaardigheidsutilitarisme’ (Trapp 1988), spannen zich in voor het opnemen van een rechtvaardigheidsbegrip.

Een ander begrip dat in het utilitarisme slechts indirect gefundeerd kan worden, is de menselijke waardigheid. In al zijn prominente varianten is het utilitarisme anti-antropocentrisch, dat wil zeggen dat het aan de mens als zodanig geen bijzondere status toekent. Daarmee is ook het geval denkbaar dat in het resultaat van een utilitaristische afweging niet-menselijk lijden en geluk zwaarder wegen dan het lijden en geluk van de mens. In het bijzonder in het debat rond de Australische preferentie-utilitarist Singer (1993) wordt dit punt steeds weer benadrukt en scherp bekritiseerd. Het Singer-debat heeft daarenboven de aandacht op een punt gevestigd dat tot op dat moment vrijwel volledig buiten schot was gebleven: de vraag naar de ethische beoordeling van de gevolgen van een utilitaristische benadering van problemen. Er kunnen immers ingrijpende negatieve consequenties voortvloeien uit een consequentialistische behandeling van bepaalde thema’s, of wanneer de zekerheid van bepaalde morele beginselen en waarden wordt ondergraven. Zo dient de utilitarist overeenkomstig zijn eigen aanspraak ook de controversiële vraag te stellen of er ingrijpende negatieve consequenties mee verbonden zijn als hij door zijn benadering bepaalde taboes doorbreekt. Deze vraag blijft tot op heden in hoge mate onopgelost. In elk geval moet evenwel ook de wedervraag worden beantwoord: namelijk of niet ook het handhaven van een moreel taboe met zwaarwegende gevolgen verbonden kan zijn.

In geval van grote economische, politieke en sociale veranderingen is het utilitarisme ondanks alle moeilijkheden voor vele ethici een aantrekkelijke theorie, omdat het aan de voorwaarden van het pluralisme lijkt te beantwoorden zonder daarbij tot relativistische gevolgtrekkingen gedwongen te zijn: onafhankelijk van religieuze en wereldbeschouwelijke verschillen is de waarde van geluk en de onwaarde van het lijden voor nagenoeg alle moreel handelende personen inzichtelijk. Tegen de achtergrond van een pragmatische moraalopvatting die toenemend aan betekenis wint, kan deze funderingswijze als de kracht van het utilitarisme worden geduid: wie meer eist dan het utilitarisme kan bieden, moet ook de bijbehorende bewijslast dragen.

Literatuur
Bentham, J., An Introduction to the Principles of Morals and Legislation, Londen, 1996 (1789).
Birnbacher, D., Verantwortung für zukünftige Generationen, Stuttgart, 1988.
Birnbacher, D., ‘Der Utilitarismus und die Ökonomie’, in: B. Bievert u.a. (Hrsg.), Sozialphilosophische Grundlagen ökonomischen Handelns, Frankfurt/M., 1990, pp. 65-85.
Brandt, R. B., Ethical Theory, Englewood Cliffs, N.J., 1959.
Frey, R.G. (ed.), Utility and Rights, Oxford, 1990.
Hare, R. M., Moral Thinking, Oxford, 1981.
Harsanyi, J.C., ‘Morality and the Theory of Rational Behaviour’, in: A. Sen, B. Williams (eds.), Utilitarianism and beyond, Cambridge, 1982, pp. 23-38.
Höffe, O. (Hrsg.), Einführung in die utilitaristische Ethik, Tübingen, 1992.
Kohier, W.R., Zur Geschichte und Struktur der utilitaristischen Ethik, Frankfurt/M., 1979.
Mackie, J. L., Ethics. Inventing Right and Wrong, Harmondsworth, 1977.
Mill, J. S., Utilitarianism, Indianapolis, 1976 (1863).
Parfit, D., Reasons and Persons, Oxford, 1984.
Rawls, J., Een theorie van rechtvaardigheid, vertaald door F. Bestebreurtje, Rotterdam, 2006 (1971).
Sen, A., B. Williams (eds.), Utilitarianism and beyond, Cambridge, 1982.
Sidgwick, H., Methods of Ethics, Londen, 1962 (1874).
Singer, P., Practical Ethics, 2nd Edition, Cambridge, 1993.
Smart, J.J.C., ‘Extreme and Restricted Utilitarianism’, Philosophical Quarterly, vol. 5, 1956 no.6, pp. 345-354.
Smart, J.J.C., B. Williams, Utilitarianism - for and against, Cambridge, 1973.
Trapp, RW, ‘Nicht-klassischer’ Utilitarismus, Frankfurt/M., 1988.

(M. Kayss)

Gepubliceerd op 19-04-2017