Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Subsidiariteit

betekenis & definitie

Het subsidiariteitsbeginsel behelst een visie op de verhouding tussen personen en gemeenschappen of collectiviteiten. Het omvat drie fundamentele ideeën:

(1) De menselijke persoon is de bestaansgrond van alle collectieve activiteiten. Om die reden moet geen collectiviteit tot zijn taak rekenen wat door de afzonderlijke persoon zelf gedaan kan worden. (2) Gemeenschappen en collectiviteiten ondersteunen de personen om het goede leven gestalte te geven. Op de eerste plaats zijn dat de kleinere sociale eenheden rondom de personen. Deze kleinere eenheden mogen niet de mogelijkheid en de middelen ontnomen worden die nodig zijn om te bewerkstelligen waartoe zij in staat zijn. Meer omvattende sociale eenheden moeten hun activiteiten dus beperken tot gebieden die de macht en de mogelijkheden van minder omvattende sociale eenheden te boven gaan. (3) De meer omvattende sociale eenheden, in het bijzonder de staat, moeten verschillende vormen van sociale verbondenheid respecteren en de minder omvattende sociale eenheden helpen, zodat zij beter in staat zijn om zelf te doen waartoe zij geschikt zijn.

Het beginsel heeft dus een tweevoudige betekenis voor de staat en de andere meer omvattende sociale verbanden ten opzichte van de minder omvattende verbanden en de afzonderlijke personen: terughoudendheid waar mogelijk, steunverlening waar nodig. Het onderstreept dat besturen of macht uitoefenen betekent de mogelijkheidsvoorwaarden scheppen waarbinnen personen en groepen zich kunnen ontplooien. Vanuit deze overweging zet het beginsel aan tot een omschrijving van de competenties van verschillende bestuursniveaus.

Historische ontwikkeling
Een van de eersten die gedachten over subsidiariteit formuleerde was de Duitse lutherse filosoof Wolff. Het beginsel werd aanvankelijk vooral door conservatieven ontwikkeld ter verdediging van traditionele sociale verbanden tegen het vorstelijk absolutisme, later ook door romantici tegen het liberale individualisme. Toen het beginsel door bisschop Von Ketteler in 1848 impliciet en door de encycliek Quadragesimo Anno expliciet onder woorden werd gebracht, behelsde het echter ook waardering voor de afzonderlijke persoon. Daarmee werd de moderne rechtsstaat aanvaard. De formulering was het resultaat van het zoeken naar een evenwichtige positie waarbij, in afwijzing van zowel individualisme als collectivisme de plaats van de afzonderlijke mens in de gemeenschap gewaarborgd wordt. Tussen de aanvankelijk anti-individualistische organische visie en het liberalisme werd door Von Ketteler een synthese gevonden in een christelijk vrijheidsbegrip. Bij hem ligt de nadruk telkens op vrijheid tot Selbstverwaltung, als een moreel genormeerde vrijheid. In eerste instantie van afzonderlijke personen, en waar die tekort schieten in hun vermogens van de kleinere gemeenschappen. En waar die tekort schieten de grotere gemeenschappen. Dat is de te respecteren’ hiërarchische orde’.

Hoewel het subsidiariteitsbeginsel op het eerste gezicht slechts een formeel kader biedt voor afbakening van bestuurlijke competenties, kan het niet los gezien worden van de christelijke opvatting van personalisme en solidariteit die zich in de nieuwe tijd uitkristalliseerden. Het vergt immers een geprononceerde opvatting over het op de juiste wijze functioneren, respectievelijk tekort schieten van personen en gemeenschappen. Subsidiariteit is gericht op de waardigheid, participatie en verantwoordelijkheid van de mens en de ontplooiing van zijn vermogens in gemeenschappen. Subsidiariteit, solidariteit en menselijke waardigheid gelden in de katholieke sociale ethiek na het Tweede Vaticaans Concilie (1963) als morele criteria waaraan democratische burgers zelf de ontwikkelingen in hun samenleving kunnen toetsen.

Toepassingen in theorie en praktijk
Het subsidiariteitsbeginsel is ontstaan binnen een organische visie op de samenleving. Deze visie heeft historisch op twee wijzen gestalte gekregen. Enerzijds als de scholastieke visie die de samenleving als een lichaam zag, waarvan het hoofd de centrale plaats inneemt en de delen onzelfstandig zijn. Deze visie kan tot autoritair denken leiden. Anderzijds als de kantiaanse visie, waarin wederkerige constituerende relaties bestaan tussen de delen onderling en tussen de delen en het geheel. Aldus krijgen in het subsidiariteitsbeginsel de delen een relatieve en relationele zelfstandigheid. De staat, als meest omvattende gemeenschap, draagt er met het oog op het algemeen welzijn zorg voor dat de personen, de kleinere en de grotere gemeenschappen zich kunnen realiseren naar hun eigen aard, competenties en verantwoordelijkheden. Zij waakt tegen ontoelaatbare grensoverschrijdingen en treedt op waar de vermogens van de lagere gemeenschappen tekort schieten. Maar steeds subsidiair, dat wil zeggen ‘plaatsvervangend’, in de positie tredend van de ander ter verdediging van die ander, nooit door misbruik te maken.

In de periode dat het subsidiariteitsbeginsel door de rooms-katholieke kerk geformuleerd wordt als maatstaf voor de ordening van de maatschappij, krijgt het binnen de kerk zelf geen plaats. De heersende concepten van de kerk als volmaakte gemeenschap (societas perfecta) en als mystiek lichaam van Christus zien de kerk als een gemeenschap met zo’n eigen aard dat beginselen uit de sociale filosofie er niet verplichtend voor kunnen zijn. Niet ten aanzien van de bestuurlijke structuur van de kerk en nauwelijks ten aanzien van de positie van de afzonderlijke gelovigen. Ondanks verzet van Von Ketteler wordt het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid afgekondigd. Na Vaticanum II wordt de kerk echter ook opgevat als het ‘volk Gods’, dat wil zeggen een menselijke organisatie, waarvoor sociale wetmatigheden gelden. Met het begrip communio wordt vervolgens getracht eenheid te brengen tussen deze opvatting en de meer hiërarchische opvatting van de kerk. Binnen de organische communio-opvatting kunnen tussen de delen en het (centrum van het) geheel wederzijds constituerende relaties bestaan, waarbij het subsidiariteitsbeginsel een afbakenende rol kan spelen. Kerkrechtelijk is dit echter (nog) niet erkend.

De Katholieke Volkspartij erkende het subsidiariteitsbeginsel als een van haar politieke beginselen. Op basis daarvan werd een gezinsbeleid voorgestaan en in de jaren 1950-’60 de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie ingevoerd. In het CDA (opgericht 1980) is het beginsel samengebracht met de protestantse opvatting van ‘soevereiniteit in eigen kring’ en herdoopt tot 'gespreide verantwoordelijkheid’. Dit beginsel inspireert de partij tot bevordering van een maatschappij waarin naast de overheid en de markt ook een ‘maatschappelijk middenveld’ wordt gerespecteerd.

In het Verdrag van Maastricht (1992) heeft de Europese Unie het subsidiariteitsbeginsel aanvaard als regulerend principe voor de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten. De Europese Commissie is sindsdien bij het uitbrengen van beleidsvoorstellen verplicht een verantwoording bij te voegen op grond van een ‘subsidiariteitstoets’.

Literatuur
Backhaus, J.G., ‘Christian Wolff on Subsidiarity, the Division of Labor and Social Welfare’, in: Seventh Annual Heilbronn Symposion in Economics and the Social Sciences, Talheim, 1995.
Kersbergen, K., B-J. Verbeek, ‘Het veranderlijke subsidiariteitsbeginsel van de EU en zijn effecten’, Beleidswetenschap, vol. 10 nr. 1, 2005, pp. 32-44.
Leys, A., Ecclesiological Impacts of the Principle of Subsidiarity, Kampen, 1995.
Walgrave, J., ‘Verantwoording en uitbouw van een katholiek-personalistische gemeenschapsleer’, in: J. Ponsioen (red.), Welvaart, welzijn en geluk. Een katholiek uitzicht op de Nederlandse samenleving, Hilversum, 1960, pp. 9- 128.
Wissen, G. van, De christen-democratische visie op de rol van de staat in het sociaal-economisch leven, Amsterdam, 1982.
Wolff, Chr., Grundsätze des Natur- und Völckerrechts, Halle, 1754,111.21. Met name par. 836, 972,1022).

(C. Klop)