Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Speciësisme

betekenis & definitie

‘Speciësisme’ (van het Latijnse species, soort) is een in de dierenethiek ontwikkeld begrip ter aanduiding van het ‘soortegoïstisch’ gedrag (Teutsch 1987, p. 21) van de mens tegenover de dieren. Het neologisme ‘speciësisme’ werd voor het eerst door Richard Ryder gebruikt en heeft een stempel gedrukt op het vroeg in de jaren zeventig ontstane debat rond de morele status van dieren (vergelijk Singer 1975). Ryder gaf de volgende definitie:

‘Ik gebruik het woord “speciësisme” om het wijd verbreide onderscheid aan te duiden dat de mens hanteert ten opzichte van de andere soorten, en vanwege de parallel met de term “racisme”. Speciësisme en racisme zijn beide vormen van vooroordelen die op de uiterlijke verschijning berusten - als een individu er anders uitziet, wordt hij geclassificeerd als moreel afwijkend. Racisme wordt tegenwoordig door de meeste intelligente en emotioneel ontwikkelde mensen verworpen en het lijkt voor zich te spreken dat deze mensen hun betrokkenheid ook dienen uit te breiden tot andere species. Speciësisme en racisme (evenals seksisme uiteraard) zien over het hoofd of onderschatten de overeenkomsten tussen “discriminator” en “gediscrimineerde”, en beide vormen van vooroordelen geven blijk van een egoïstische minachting van de belangen van anderen en van hun lijden.’ (Ryder 1983, p. 5).

Hoewel het verwijt van het speciësisme aan het adres van de traditionele ethiek vooral door de vertegenwoordigers van het utilitarisme naar voren werd gebracht, heeft het ook bij de vertegenwoordigers van andere ethische theorieën, met name binnen de dieren- en milieu-ethiek ingang gevonden.

Omdat het begrip ‘speciësisme’ vaak zeer globaal wordt gebruikt, is het raadzaam diverse varianten ervan te onderscheiden. Men kan onderscheid aanbrengen tussen a) ‘radicale’ en ‘milde’ en tussen b) ‘gekwalificeerde’ en ‘ongekwalificeerde’ versies van speciësisme. Bij radicaal speciësisme hebben menselijke belangen te allen tijde voorrang op de belangen van de dieren, onafhankelijk van biologische, emotionele of overige bedenkingen. Het milde speciësisme beslist in geval van botsende belangen van mens en dier ten gunste van de mens, echter zonder het bestaan van de belangen van het dier ook in moreel opzicht principieel te ontkennen. Een ongekwalificeerd speciësisme koppelt morele status louter aan het behoren tot de species, een gekwalificeerd speciësisme beschouwt door de species bepaalde kwaliteiten als moreel relevant.

Morele status van levende wezens
Uit het begrip ‘speciësisme’ spreekt het verwijt dat iemand het behoren tot een bepaalde soort op ontoelaatbare wijze opwaardeert tot een criterium voor morele oordelen. Doorgaans wordt dit verwijt onderbouwd doordat iemand wijst op de nauwe ontwikkelingshistorische en fysiologische nabijheid van mens en dier, dan wel op de gradaties binnen het (ook de mens omvattende) dierenrijk, die een categoriaal onderscheid tussen mens en dier twijfelachtig maken (vergelijk Singer 1975). Men eist dan dat de waardering van de morele status van levende wezens met deze gradaties in overeenstemming wordt gebracht (Ryder 1983).

Degenen die alleen aan mensen lidmaatschap van het morele universum toekennen, ontberen volgens de tegenstanders van het speciësisme een adequate bepaling van morele relevantie. Ook ontberen ze een onpartijdig - en dus ‘welbegrepen’ - moreel standpunt (vergelijk Wolf 1992). Niet het behoren tot de soort, maar het al of niet bezitten van bepaalde eigenschappen is - aldus dit standpunt - bepalend voor de morele status van een entiteit (vergelijk Krebs 1997; Singer 1979). Genoemd worden hier fysiologische en psychische eigenschappen die de soort overstijgen en met het oog op de morele status een constitutieve rol dienen te krijgen: het vermogen om te lijden (Bentham 1996/1789, p. 283), belangen (Singer 1975), vermogen tot gevoelens (Krebs 1997, p. 997), ‘subject-van-het-eigen-leven-zijn’ (Regan 1984, pp. 243-248; vergelijk ook Wolf 1992, pp. 57-86). Omdat de aanwezigheid van deze eigenschappen in het dierenrijk slechts als continuüm van groeiende organische complexiteit zinvol te begrijpen is (Schneider 1992), heeft uitsluiting van alle dieren veel weg van willekeurig soortegoïsme.

De speciësisme-critici plaatsen uiteraard ook kanttekeningen bij de klassieke ‘wezenskenmerken’ die de mens van de dieren zouden onderscheiden, zoals persoonlijkheid, zelfbewustzijn, rede en taalvermogen. Deze kenmerken worden als niet-steekhoudend van de hand gewezen, enerzijds door te wijzen op het ontbreken ervan bij (sommige) mensen (foetussen, ernstig verstandelijk gehandicapten, comapatiënten), anderzijds door te wijzen op de empirische bewijzen voor de voorstadia van deze eigenschappen bij hogere diersoorten (vergelijk Skirbekk 1995).

Ter overwinning van de als willekeurig bekritiseerde uitzonderingspositie van de mens wordt geëist dat dieren overeenkomstig hun moreel relevante eigenschappen als moral patients worden erkend. Refererend aan een (de mens overstijgend) veralgemeniseerd moreel gelijkheidsprincipe (Rippe 1994) werken de diverse vertegenwoordigers van de speciësisme-kritische dierenbeschermingsethiek de eis uit, dat levende wezens overeenkomstig hun behoeften recht moet worden gedaan (Habermas 1992).

Kritiek
Het speciësisme-verwijt kan op uiteenlopende vraagstellingen worden betrokken. Het kan gaan om een algemene afwijzing van de opvatting dat de mens een uitzonderingspositie in het universum toekomt, maar ook om een kritiek op de neiging om willekeurige species-grenzen als moreel relevant te beschouwen. Door de vermenging van deze vragen raakt uit het zicht dat het tweede verwijt plausibel is, terwijl een uitzonderingspositie van de mens, geheel onafhankelijk van vragen omtrent het toebehoren tot een species, wel is te verdedigen. Er is vanuit zowel de traditionele ethiek als de dierenbeschermingsethiek bezwaar gemaakt tegen de relativering van het onderscheid van mens en dier. Zo zijn er dier-ethische posities, die een uitzonderingspositie van de mens verdedigen maar wel de willekeurige omgang met dieren op morele gronden afkeuren (Schneider en Karrer 1992, pp. 119-127; Muller 1995, pp. 119-123). Ook wordt de vertegenwoordigers van het speciësisme-verwijt een onkritisch verruimd moraalbegrip verweten, dat de kracht van morele argumenten en instituties ondergraaft (vergelijk bijvoorbeeld Tugendhat 1997). Bovendien staat de houdbaarheid van de analogie van speciësisme aan de ene en racisme en seksisme aan de andere kant ter discussie. Op kentheoretische gronden is bovendien te betwijfelen of het speciësistische denken wel op vooroordelen berust (vergelijk Williams 1985, p. 118).

Literatuur
Bentham, J., An Introduction to the Principles of Morals and Legislation, ed. by J. Burns and Hart, H., Oxford, 1996 (1789).
Feinberg, J., ‘The Rights of Animals and Unborn Generations’, in: W. Blackstone (ed.), Philosophy and Environmental Crisis, Athens, 1974.
Habermas, J., Erläuterungen zur Diskursethik, Frankfurt/M., 1992.
Krebs, A., (Hrsg.), Naturethik, Frankfurt/M., 1997.
Muller, A., Ethische Aspekte der Nutztierhaltung, Stuttgart, 1995.
Rachels, J., Created from Animals. The Moral Implications of Darwinism, Oxford, 1990.
Regan, T., The Case for Animal Rights, Londen, 1984.
Rippe, K. P, ‘Die Diskussion um den moralischen Status von Tieren’, Ethica, vol. 2, 1994, pp. 131-153.
Ryder, R. D., Victims of Science, Londen, 1983.
Schneider, M., ‘Tiere als Konsumware? Gedanken zur Mensch-Tier-Beziehung’, in: Schneider, M., A. Karrer, (Hrsg.), Die Natur ins Recht setzen. Ansatze für eine neue Gemeinschaft allen Lehens, Karlsruhe, 1992.
Singer, P, ‘The Oxford Vegetarians - a Personal Account’, International Journal for the Study of Animal Problems, vol. 3, 1982, pp. 6-9.
Singer, R, Animal Liberation, Londen, 1975.
Singer, R, Practical Ethics, Cambridge, 1979.
Skirbekk, G., ‘Ethischer Gradualismus: jenseits von Anthropozentrismus und Biozentrismus?’, Deutsche Zeitschrift für Philosophie, vol. 43, 1995, pp. 419-434.
Teutsch, G. M., Lexikon der Tierschutzethik, Göttingen, 1987.
Tugendhat, E., ‘Wer sind alle?, in: Krebs, vol. 25, 1997, pp. 100-110.
Williams, B., Ethics and the Limits of Philosophy, Londen, 1985.
Wolf,J-C., Tierethik, Freiburg, 1992.
Wolf, U., Das Tier in der Moral, Frankfurt/M., 1990.

(J. Badura)