Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Solidariteit

betekenis & definitie

Solidariteit wordt veelal beschouwd als het equivalent van wat vroeger ‘broederschap’ heette. De term gaat terug op het oud-Latijnse in solidum, dat ‘instaan’, ‘garant staan’ voor een andere persoon betekent. Later ontwikkelde zich in het nieuw-Latijn het woord soïidaritas, dat saamhorigheidsgevoel tussen mensen aanduidt.

Descriptieve, analytische en normatieve betekenissen
Het begrip ‘solidariteit’ heeft een laag profiel en een breed betekenisspectrum. Er kunnen globaal drie betekenisniveaus onderscheiden worden: een descriptief, een analytisch en een normatief niveau.

1) Als descriptieve categorie duidt solidariteit een feitelijk bestaand gevoel van saamhorigheid en verbondenheid aan, en de daaruit voortvloeiende bereidheid het bestaan, vooral ook de schaduwkanten en risico’s ervan, met anderen te delen.
2) Als analytische, een discours structurerende categorie is ‘solidariteit’ kernconcept van theorieën over samenleven, met name bij Durkheim en Marx. Het solidariteitsbegrip geeft aan waarin het centrale moment van de sociale werkelijkheid gelegen is. In lijn hiermee beschrijft Duvignaud de menselijke betrekkingen als varianten van solidariteit, en ontwerpt Durand een morfologie van menselijke gemeenschapsvormen.
3) Als normatieve categorie is solidariteit een maatstaf ter beoordeling van tussenmenselijke betrekkingen. Achter de waardeoordelen onder dit aspect staat een conceptie van humaniteit, een beeld van wat ‘echt’ menszijn inhoudt. Zoals een wezenlijke voorwaarde voor een volwaardig menselijk bestaan is dat mensen zich vrij kunnen ontplooien en als ‘zichzelf’ tot hun recht komen, zo is een niet minder essentieel bestanddeel van het ‘goede leven’ het met en voor anderen zijn van mensen. Dat uit zich uiteraard het meest direct in de zorg, aandacht en bevestiging binnen de familie- en vriendenkring, maar ook in een algemeen maatschappelijk klimaat van voor elkaar willen instaan en op elkaar kunnen terugvallen.

Tussen de verschillende betekenisniveaus van het solidariteitsbegrip, met name tussen het tweede en het derde, bestaan verbanden: achter de verschillende maatschappijvisies gaan opvattingen schuil over wat als ‘samenleving’ in de ware zin en wat als min of meer gebrekkige vormen ervan kan gelden. Zo is van vele kanten, van buiten zowel als binnen de westerse cultuursfeer, ernstige kritiek uitgeoefend op het liberale samenlevingsmodel en de daaraan ten grondslag liggende theorie van het sociale contract. Een dergelijk model, zo luidt de kritiek, met name uit de hoek van het zogeheten communitarisme, voltrekt een enorme reductie: het beschouwt mensen als op zichzelf staande, enkel door eigenbelang gemotiveerde individuen, tussen wie uitsluitend uiterlijke, op berekening berustende legalistische betrekkingen bestaan. Daarmee komt het solidariteitsmoment, dat voor volwaardige gemeenschapsverhoudingen wezenlijk is, zowel vanuit analytisch als normatief gezichtspunt niet aan bod.

Van het in normatieve zin gebruikte solidariteitsconcept kunnen nog weer drie varianten onderscheiden worden, namelijk belangen-, groeps- en humanitaire solidariteit. In het eerste geval gaat het, zoals bij de arbeidersbeweging of de ziektekostenverzekering, om een band met andere actoren teneinde gemeenschappelijke doelen te bereiken of zich tegen bepaalde risico’s in te dekken. Solidariteit berust hier dus op parallel lopende belangen, waarbij ieder gemotiveerd is door zijn welbegrepen eigenbelang. Deze vorm van solidariteit kan dan ook in contracttermen begrepen worden, zoals onder meer bij Bourgeois gebeurt, die de samenleving als een coöperatief doelverband opvat, dat op een (fictief) contract van iedereen met iedereen berust. Solidariteit is hier het geheel van menselijke interdependenties en de daarmee samenhangende verplichtingen die mensen, ieder met het oog op het eigen belang, met elkaar zijn aangegaan. Op analoge wijze heeft solidariteit (onder de naam van de ‘broederschap’) in de vorm van het verschilprincipe een plaats gekregen in het werk van Rawis. Het staat hier binnen een rechtvaardigheidsconceptie die bepaald is door de idee van een zakelijke overeenkomst met als doel rationele belangenbehartiging.

Bij ‘groepssolidariteit’ wordt van de leden van bepaalde gemeenschappen of groeperingen (volkeren, standen als de adel) verwacht dat zij zich met elkaar solidair betonen vanwege een hen verbindende identiteit. De gemeenschap of groep wordt hier gezien als een leefverband dat door een gemeenschappelijke historie en door gemeenschappelijke overtuigingen en idealen gedragen wordt. Dit maakt dat mensen op een bijzondere wijze bijeenhoren en schept een speciale band tussen hen, waarin verwachtingen van onderlinge steun en trouw opgesloten liggen.

Van 'humanitaire solidariteit’ is sprake wanneer mensen om redenen van medemenselijkheid de zorg voor het bestaan en voor een menswaardige kwaliteit daarvan van anderen overnemen, die daarin zelf niet kunnen voorzien. Solidariteit is dan met name een sociaal- en politiek-ethisch concept, dat betrekking heeft op de institutionele inrichting van de samenleving. Het functioneert dan ook als sleutelbegrip in de maatschappij concepties van verschillende politieke stromingen: in de sociaal-democratie als één van de zogeheten basiswaarden naast vrijheid en gerechtigheid, in de christen-democratie naast gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap.

Met het oog op de ecologische crisis wordt door een reeks van denkers, onder meer uit de hoek van de procestheologie en -filosofie, gepleit voor een erkenning van de levende natuur of de natuur als zodanig als partner van de mens met een eigen morele status. In lijn hiermee ontstaan pleidooien voor een ethiek van solidariteit met alles wat leeft of met de natuur als geheel.

Literatuur
Bourgeois, L., Solidarité, Parijs, 1896.
David, M., Fraternité et révolution française 1789-1799, Parijs, 1987.
Durand, Y., Les solidarités dans les sociétés humaines, Parijs, 1987.
Duvignaud, J., La solidarité. Liens de sang et liens de raison, Parijs, 1986.
Fromm, E., Haben oder Sein, München, 1979.
Wal, G.A. van der, ‘Solidariteit en eigen verantwoordelijkheid’, in: Wal, G.A. van der, Recht met reden. Verzamelde opstellen, (red. en voorw. R. Foqué), Deventer, 2003, pp. 59-75.

(K. van der Wal)