Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Sociobiologie

betekenis & definitie

De term ‘sociobiologie’ kreeg met Wilsons Sodobiology: the New Synthesis (1975) haar huidige betekenis. Wilson definieert sociobiologie als de systematische studie van de biologische bases van alle vormen van sociaal gedrag. Onder deze noemer integreert hij een aantal modellen op het randvlak van de ethologie (de wetenschappelijke studie van gedrag) en evolutiebiologie, die betrekking hebben op de kosten en baten van sociaal, altruïstisch en ouderlijk gedrag.

Theoretische ontwikkelingen
Uitgangspunt is steeds dat bepaalde vormen van gedrag slechts gedurende de evolutie kunnen ontstaan als ze bijdragen tot het reproductief succes van de organismen die ze vertonen. Gedrag moet ‘lonen’ in termen van fitness (aangepastheid) - door sociobiologen verruimd tot inclusive fitness.

De sociobiologie vloeit deels voort uit een grondige herbezinning op dat wat ‘loont’ in de evolutie, op de inherente natuurlijke teleologie (teleonomie) van organismen. Vanuit de evolutiebiologie is er geen reden aan te nemen dat het behoud van de soort, van het individu of van het natuurlijke evenwicht een natuurlijk doel van organismen is. Evolutie volgens de principes van Darwin vereist slechts dat nieuwe genetisch bepaalde eigenschappen beklijven in een populatie als de betrokken genen zich via deze eigenschappen weten te vermeerderen. Individuen kunnen daarbij ondergeschikt zijn aan hun genen. Als meerdere individuen bijvoorbeeld genen delen (verwanten zijn) kan een gen dat hen ertoe aanzet elkaar ‘belangeloos’ te helpen, overleven, zelfs als dit bij sommigen leidt tot verminderde reproductie of een vervroegde dood. Wat ‘telt’ in de evolutie is niet louter de fitness (aangepastheid) of het reproductief succes van een individu, maar vooral zijn inclusive fitness (Hamilton): genen kunnen immers ook overleven via familieleden.

Altruïstisch of opofferingsgezind gedrag kan dus gestuurd worden door ‘zelfzuchtige genen’ (Dawkins 1976) en is zo verenigbaar met de evolutietheorie. De sociobiologische theorie van ‘verwantenselectie’ heeft aanzienlijk bijgedragen aan het begrip van het gedrag van een groot aantal sociale en hypersociale diersoorten, waaronder de sociale vliesvleugeligen, termieten en naakte molratten.

Het ontstaan van samenwerking en altruïsme in de natuur is echter niet louter gekoppeld aan verwantschap. Onder bepaalde condities kan ook onder niet-verwanten het vermogen om samen te werken ontstaan. Hiervoor is echter een langdurig wederzijds contact vereist, individuele herkenning en het vermogen elkaars bijdrage in de samenwerking bij te houden. Onder zulke condities kunnen individuen van één soort samenwerken zolang dit beide partijen meer baat dan schaadt. Vormen van samenwerking die met dit model van ‘reciprook altruïsme’ (Trivers 1985) verklaard kunnen worden zijn o.a. gevonden bij vleermuizen, bavianen en chimpansees.

Zeer invloedrijk zijn ook de sociobiologische theorieën met betrekking tot seksuele selectie en ouderlijke investering (Trivers 1985). Deze verklaren de eigenschappen van de seksen uit het verschil in grootte van hun geslachtscellen en hun verschillende aanvangsinvestering in de voortplanting. Een relatief grote, onvervangbare aanvangsinvestering in één specifieke nakomeling (zoals de zwangerschap van de vrouw bij placentale zoogdieren) verhoogt het belang van de investerende partij in het succes van deze nakomeling. De minder in elke nakomeling afzonderlijk investerende sekse kan zich minder ouderlijke betrokkenheid permitteren en kan de last van de ouderlijke zorg gemakkelijker afwentelen op de sekse die zich al gebonden heeft door het uitgeven van onvervangbare energie. De weinig investerende sekse kan zich richten op een relatief grote seksuele in plaats van ouderlijke investering. Paringsmogelijkheden met individuen van de meest investerende sekse zullen voor deze sekse een beperkende factor worden en daarom oorzaak van competitie. Als gevolg van de relatieve grootte van de vrouwelijke gameten vormen de vrouwtjes in de meeste soorten de meest investerende sekse. Bij een aantal soorten (onder meer zeepaardjes, jacana’s en franjepoten) zijn echter de mannetjes de meest investerende sekse en wordt er ook door vrouwtjes om mannetjes gevochten.

Bij verklaringen van gedrag met behulp van socio-biologische theorieën dient altijd rekening gehouden te worden met het specifieke evolutietraject van een soort. Ook moet rekening worden gehouden met de onaangepastheid van verschillende gedragssturende mechanismen voor bepaalde situaties en met de discrepantie tussen de vroege en de huidige leefomgeving van een soort. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor huisdieren, maar in het bijzonder voor de mens (thema van de evolutionaire psychologie: Barkow et al. 1992). Er is dus voorzichtigheid geboden bij het zondermeer ‘toepassen’ van sociobiologische theorieën op de mens. Dat neemt niet weg dat het niet moeilijk is diverse vormen van verwantenhulp bij mensen te vinden die uitstekend te verenigen zijn met de inclusive fitness maximalisation theory. Het kan ook geen toeval zijn dat stiefkinderen een veel grotere kans hebben mishandeld te worden dan natuurlijke kinderen (Daly en Wilson 1988).

Om de emotionele en morele betrokkenheid van mensen met hun gemeenschap te verklaren bleek echter een uitdieping van de theorie van het reciprook altruïsme nodig (Alexander 1987). Naast ‘direct reciprook altruïsme’, waarbij individuen vroeg of laat beloond worden voor hun investering in een bilaterale relatie, wordt aangenomen dat ook ‘indirect reciprook altruïsme’ een grote rol speelt. Indirect reciprook altruïsme ontstaat wanneer het begint te lonen bekend te staan als een nuttige samenwerker. Binnen een gemeenschap van samenwerkende individuen wordt elke samenwerking gade geslagen door derden die geïnteresseerd zijn in de opstelling van de betrokken partijen. Aangenomen wordt dat de menselijke psyche is geëvolueerd in een context waarin sprake was van een dergelijke multilaterale samenwerking. Deze kan paradoxaal genoeg in gang gezet zijn toen een toegenomen competitie tussen groepen een betere samenwerking binnen de groep noodzakelijk maakte. Met de ecologische dominantie van de mens, de menselijke overwinning op niet-menselijke roofvijanden, zou de competitie tussen groepen verhevigd zijn.

Voor sociobiologen is de extreme menselijke afhankelijkheid van cultuur niet denkbaar zonder de mechanismen van (indirect en direct) reciprook altruïsme. Een specifieke cultuur is deels een aan bepaalde omstandigheden aangepaste taakverdeling, die regels, rechten en plichten definieert. Dikwijls is er een conflict tussen verbreed eigenbelang (product van verwanten-selectie) en het collectief groepsbelang. Het mechanisme van indirect reciprook altruïsme verklaart de investering in belangen die het nepotistisch belang overstijgen. Omdat dominantie ook morele status omvat en toch allerlei reproductieve voordelen heeft, loont het om ‘goed’ te zijn (dat wil zeggen te investeren in collectieve belangen). Omdat alle partijen er belang bij hebben dat alle andere partijen investeren in het welzijn van de groep, ontstaat er een collectieve morele pressie op het individu, dat voortdurend afwegingen moet maken tussen nepotistisch eigenbelang en groepsbelang. Het is daarbij in het belang van het individu steeds ‘beter’ te lijken dan het werkelijk te zijn, dat wil zeggen de indruk te wekken het belang van de groep te stellen boven het eigen belang. Sociobiologen menen zo te kunnen verklaren waarom hypocrisie en zelfbedrog zo’n grote rol spelen in de menselijke moraliteit.

Sociobiologie en ethiek
Voor de wijsgerige ethiek is de sociobiologie in de eerste plaats van belang als een naturalistische verklaring van moraliteit. Zij kan een rol spelen bij de kritiek op ontoereikende theorieën over de moraliteit en kan bijdragen aan het debat over de ware aard van onze morele motieven, zoals dat al sinds Plato speelt. Of de sociobiologie ook kan bijdragen aan een normatieve ethiek (zonder zich schuldig te maken aan de naturalistische drogreden), en verwerkt kan worden in een evolutionaire ethiek, blijft onderwerp van discussie.

Literatuur
Alexander, R., The Biology of Moral Systems, New York, 1987.
Barkow, J.H., L. Cosmides.J. Tooby, The Adapted Mind, New York/Oxford, 1992.
Daly, M, M. Wilson, Homicide, New York, 1988.
Dawkins, R., The Selfish Gene, Oxford, 1976.
Krebs, D.L., ‘The evolution of moral behaviors’, in: Handbook of Evolutionary Psychologe, Mahwah (NJ) en Londen, 1998.
Singer, E, The Expanding Circle: Ethics and Sociobiology, Oxford, 1983.
Trivers, R., Social Evolution, Menlo Park California, 1985.
Wilson, E.O., Sodobiology: the New Synthesis, Cambridge (USA), 1975.
Wright, R., The Moral Animal, New York/Toronto, 1994.

(P. Slurink)