Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Preferentie

betekenis & definitie

De term ‘preferentie’ betekent letterlijk voorkeur en is afkomstig uit de micro-economische theorie, waar zij meestal in verband wordt gebracht met de bereidheid van de consument om een bepaalde prijs te betalen voor een product.

Actuele debatten
In de loop van de twintigste eeuw heeft zij in de ethiek een belangrijke plaats verworven via debatten binnen en over het utilisme. Het utilisme baseerde zich voor de uitwerking van zijn morele grondprincipe ‘het grootst mogelijke welzijn voor zoveel mogelijk betrokkenen’, in zijn oorspronkelijke vorm bij Bentham op een objectivistische, hedonistische waardetheorie. Welzijn was een in principe berekenbare ‘toestand’ van het subject en kon worden uitgedrukt in eenheden. Deze theorie had echter een aantal filosofische bezwaren (inzake de kwalitatieve verschillen tussen ervaringen en de onvergelijkbaarheid van ervaringen) en operationele problemen (inzake de meetbaarheid van ervaringen). In de loop van de twintigste eeuw leidde deze kritiek tot de onderbouwing van het utilistische criterium met een nieuwe, geformaliseerde waardetheorie die aan de economische wetenschap ontleend werd. Welzijn werd niet langer opgevat als een objectieve, inhoudelijke bepaalde mentale toestand van een subject, maar als een functie van de voorkeuren die het subject zelf aangeeft - of blijkt te hebben, gezien zijn keuzes en beslissingen. Deze theorie staat bekend als het preferentie-utilisme en is in de filosofie vooral uitgewerkt door Harsanyi en Hare.

Het belangrijkste motief voor deze ontwikkeling was het vinden van een manier om de oorspronkelijke inspiratie van het utilisme, een calculus te ontwikkelen die rationele, precieze, welbepaalde, niet-intuïtionistische morele beslissingen in conflict- en afwegingsituaties mogelijk zou maken, gestand te doen. Preferentie was een notie die in de economische theorie zijn waarde had bewezen, en leek geschikt als eenheid waarin alle voor morele beslissingen relevante wensen, belangen, waarden, gevoelens van betrokkenen konden worden uitgedrukt, dat wil zeggen waartoe ze konden worden gereduceerd. De technische verwerkbaarheid van dimensies zoals de intensiteit van preferenties, de instrumentaliteit van over de tijd heen strekkende globale preferenties (afweging van preferenties nu tegen latere preferenties) en verbreidheid van preferenties leek een belangrijk voordeel, met name voor intersubjectieve en sociaal-ethische kwesties. De voor de hand liggende objecties dat feitelijke voorkeuren soms irrationeel zijn, omdat ze niet op juiste of voldoende informatie zijn gebaseerd en omdat ze niet het resultaat zijn van een verstandige afweging, werd door meer sophisticated noties zoals ‘rationele’, ‘correcte’ of ‘autonome’ preferentie (Harsanyi 1976) ondervangen. Dezelfde eis van geïnformeerdheid voor rationele preferentie is door Sen echter aangegrepen om de informatiebeperkingen die het utilisme oplegt aan de morele besluitvorming te bekritiseren. De universaliseerbaarheidseis die het preferentie-utilisme stelt, sluit uit dat meer particuliere, situatie- of actorspecifieke informatie te berde wordt gebracht in het morele beraad.

In de loop van de laatste decennia is er zowel vanuit de waardetheorie (Taylor 1982), als vanuit de plichtstheorie (Fried 1970) en de sociale ethiek (Rawls 1971) meer fundamentele, en minder gemakkelijk te bezweren kritiek uitgeoefend op het optimisme van de preferentie-utilisten. Een belangrijk bruggenhoofd voor deze discussie is het ook binnen het utilisme aanvaarde onderscheid tussen eerste-orde en tweede-orde preferenties. Tweede-orde-preferenties (niet rookverslaafd te zijn) zijn voorkeuren die betrekking hebben op eerste-orde-preferenties (de onweerstaanbare drang om te roken). Utilisten zullen proberen dit onderscheid tot een verschil in intensiteit te reduceren om hun opvatting van het subject als een ‘homogeen systeem van voorkeuren’ te handhaven. Critici leggen de nadruk op de verschillen tussen deze voorkeuren of wensen enerzijds en idealen, waarden, oordelen anderzijds. Zij ontwikkelen op basis van deze fenomenologie een geheel andere ethiek, die meer recht probeert te doen aan het inhoudelijke en kwalitatieve karakter van morele oordelen.

Literatuur
Frankfurt, H., The Importance of what we care about, Cambridge, 1988.
Fried, Ch., An Anatomy of Values, Harvard, 1970.
Harsanyi, J., Essays on Ethics, Social Behavior and Scientific Explanation, Dordrecht, 1976.
Hare, R.M., Moral Thinking, Oxford, 1981.
Rawls, J., Een theorie van rechtvaardigheid, vertaald door F. Bestebreurtje, Rotterdam, 2006 (1971).
Sen, A., B. Williams, Utilitarianism and beyond, Cambridge, 1982.
Sen, A., ‘Well-being, agency and freedom Journal of Philosophy, vol. 4, 1985, pp. 169-221.
Taylor, Ch., 'The Diversity of the Good’, in: A. Sen, B. Williams (eds.), Utilitarianism and beyond, Cambridge, 1982.

(J. Vörstenbosch)