Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Pragmatisme

betekenis & definitie

In 1908 merkte de Amerikaanse professor Arthur Lovejoy al op dat er sprake was van dertien verschillende betekenissen van pragmatisme. Sommige van die betekenissen waren zelfs met elkaar in tegenspraak. Deze uitspraak van Lovejoy maakt duidelijk dat het niet gemakkelijk is een definitie van het pragmatisme te geven waar alle pragmatisten het mee eens zullen zijn.

Kenmerkend voor het pragmatisme is dat het zich afkeert van de blijkbaar onoplosbare problemen waar filosofen eeuwenlang hun energie aan hebben gewijd en zich richt op meer alledaagse problemen die ook door niet-filosofen als zodanig worden ervaren. Veel pragmatisten gaan ervan uit dat er geen vaststaande werkelijkheid is waaruit zekerheden zijn af te leiden. Vooraf gegeven en voor altijd geldende waarden los van de situatie waarin deze een rol spelen, zijn voor het pragmatisme uit den boze. Dit komt omdat de werkelijkheid aan een voortdurend en op zich doelloos proces van verandering onderhevig is. Ethische waarden en andere criteria voor ethische besluitvorming zijn altijd op de een of andere wijze afhankelijk van de context waarin een ethisch probleem zich voordoet. Volgens John Dewey, die zich van de vroege pragmatisten het meest met ethiek heeft bezig gehouden, heeft de oplossing van een ethisch probleem te maken met het rationele gebruik van herinnering, verbeelding en extrapolatie van bekende gevolgen van handelingen. Een ethisch pragmatisme gaat er in elk geval van uit dat ethische problemen ontstaan in een bepaalde situatie die tijd- en plaatsgebonden is. Om deze problemen te begrijpen en te kunnen oplossen, dient de situatie waarin ze ontstaan, bestudeerd te worden. Uit deze beschrijving blijkt dat het pragmatisme meer een methode is dan een ontologie in de traditionele betekenis van het woord.

Historische ontwikkeling
‘The Metaphysical Club’, een informele discussiegroep uit de vroege jaren zeventig van de negentiende eeuw, wordt vaak gezien als de oorsprong van het pragmatisme. Denkers als Charles Sanders Peirce, William James en Oliver Wendell Holmes Jr. bespraken er opvattingen die afweken van de destijds toonaangevende filosofische scholen in de Verenigde Staten, zoals de ‘New England Transcendentalists’ of de ‘St. Louis Hegelians’. Het duurt echter nog tot het eind van de negentiende eeuw voordat het pragmatisme als originele Amerikaanse bijdrage aan de Westerse filosofie algemeen bekend wordt. Vanaf het begin heeft het pragmatisme de nodige kritiek gekregen, zeker vanuit Europa. Max Horkheimer omschreef het pragmatisme zelfs als de filosofie van een samenleving die geen tijd heeft voor reflectie. Ook Bertand Russell en Martin Heidegger hadden voor het pragmatisme weinig goede woorden over. Zij hebben waarschijnlijk niet verwacht dat het pragmatisme een eeuw later nog steeds aanhangers heeft en zelfs internationaal de laatste decennia een toenemende belangstelling geniet.

In een essay uit 1878, getiteld ‘How to Make our Ideas Clear’, geeft de logicus, wiskundige en filosoof Charles Sanders Peirce de aftrap voor de denkrichting die twintig jaar later door William James wordt aangeduid als pragmatisme .Voor Peirce is pragmatisme vooral een methode om de betekenis van concepten vast te stellen, door te kijken naar de mogelijke praktische consequenties die het gebruik ervan met zich meebrengt. Van belang is de manier waarop een concept door middel van gewoonte aanzet tot handelen. Volgens Peirce is een experimentele methode het beste in staat om betekenissen vast te stellen. De term ‘pragmatisme’ vindt Peirce in de Kritiek der reinen Vernunft waar Kant de term ‘pragmatisch’ gebruikt wanneer hij spreekt over wetten die betrekking hebben op en blijken uit de ervaring. Peirce heeft zich nauwelijks met ethiek afzonderlijk bezig gehouden. Pragmatisten verwerpen het dualisme tussen denken en handelen. Ook Peirce ziet een verband tussen zijn logica, dat wil zeggen de constructie van logische handelingsoordelen, en de ethiek die immers bepaalt welke handelingen goed of slecht zijn.

Door de psycholoog en filosoof William James wordt de term ‘pragmatisme’ bekend bij een breder publiek. Hoewel James’ grote psychologische werk Principles of Psychology (1890) een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van het pragmatisme, gebruikt hij de term pas in 1898 wanneer hij tijdens een lezing verwijst naar Peirce’s artikel uit 1878. Peirce die zich door James verkeerd begrepen voelt, bedenkt vervolgens voor zijn versie van pragmatisme de naam ‘pragmaticisme’. Voor James is pragmatisme meer een methode van waarheidsvinding dan van het vaststellen van betekenis. Het gaat James niet zoals Peirce om de mogelijke of denkbare praktische consequenties in het algemeen (‘realisme’), maar om de mogelijke praktische consequenties van concepten in de levenspraktijk van mensen die deze concepten hanteren (‘nominalisme’). Denken staat in dienst van het bereiken van een bevredigende relatie met de omgeving. In boeken als Pragmatism (1908) en Radical Empiricism (1912) spreekt hij van de ‘cash value’ van een uitspraak of overtuiging. Hiermee bedoelt hij de (waarheids)waarde van concepten en ideeën als middel om de omgeving waarin wij ons bevinden aan te passen aan onze behoeften. Aangezien die omgeving aan verandering onderhevig is, verwerpt een op deze uitgangspunten gebaseerde ethiek alle vaststaande morele waarden of wetmatigheden. De ‘cash value’ van ethische waarden of wetten is contingent en moet steeds opnieuw worden vastgesteld.

De psycholoog, pedagoog en publiek filosoof John Dewey is de meest sociale denker van de vroege pragmatisten. Het instrumentalisme, zijn versie van pragmatisme, benadrukt meer dan Peirce en James de sociale context van het menselijk handelen waarin de betekenisgevende consequenties van concepten een rol spelen. Dewey beschouwt pragmatisme als een empirische methode om praktische problemen op te lossen. De experimentele methode van de wetenschap die bij Peirce al een belangrijke rol speelde, wordt bij Dewey de blauwdruk van het menselijk denken dat hij aanduidt met de term ‘intelligentie’. Op basis van zijn intelligentie is de mens in staat concepten of de dingen uit zijn ervaring waar de concepten naar verwijzen aan te passen aan zijn behoeften. In zijn ethiek komt dit tot uiting in de opvatting dat morele problemen niet los kunnen worden gezien van de situatie waarin ze voorkomen. Datzelfde geldt voor de oplossing voor problemen. Als een moreel probleem zich voordoet, stelt het individu op basis van zijn ervaringskennis, die altijd sociaal bepaald is, hypothetische oplossingen voor. Deze mogelijke oplossingen worden eerst rationeel, dat wil zeggen op het niveau van het denken, getoetst. De meest plausibele oplossingen voor het morele probleem dienen vervolgens het handelen te bepalen. Dit geeft aan dat we er nooit honderd procent zeker van kunnen zijn dat de gekozen oplossing voor een moreel probleem zal werken. Als we echter gebruik maken van deze vorm van rationele creativiteit zullen we volgens Dewey ethisch meer vooruitgang boeken en succes hebben dan wanneer we ons baseren op vaststaande morele regels. Deze laatste passen niet bij een steeds veranderende werkelijkheid. De sociale toestand waarin deze empirische ethiek het beste tot haar recht kan komen, is een democratische samenleving. Dewey leeft het langst van de vroege pragmatisten en laat bij zijn dood in 1952 een oeuvre na dat qua omvang door weinig filosofen wordt geëvenaard.

Iemand die vaak ten onrechte wordt genegeerd bij introducties op het pragmatisme is de filosoof en sociaal wetenschapper George Herbert Mead. Mead heeft grote invloed uitgeoefend op een van de grootste stromingen in de Amerikaanse sociologie van de twintigste eeuw: het symbolisch interactionisme. Ook aan het pragmatisme heeft hij een bijdrage geleverd. Aan de universiteit van Chicago heeft hij tien jaar samengewerkt met Dewey. Net als Dewey levert hij kritiek op het cartesiaans dualisme, en gaat hij ervan uit dat denken en handelen als een eenheid moeten worden gezien. Daarnaast gaan beiden ervan uit dat het denken, net als het lichaam, het resultaat is van een evolutionaire aanpassing van het organisme aan de omgeving. Nog meer dan Dewey benadrukt Mead de invloed van de sociale omgeving op de (morele) ontwikkeling van het individu. In Mind, Self, and Society from the Standpoint of a Social Behaviorist (1934) schrijft Mead dat morele opvattingen niet refereren aan vaststaande waarden, maar ontstaan in de (contingente) samenleving waarin een individu gesocialiseerd is.

Ook in Europa zijn er in de eerste decennia van de twintigste eeuw enkele pragmatisten. In Engeland is Ferdinand Canning Scot Schiller de belangrijkste vertegenwoordiger van het pragmatisme en in Italië een groep jonge filosofen uit Florence (onder andere Giovanni Papini en Giuseppe Prezzolini). Schiller, die zijn versie van pragmatisme aanduidt als ‘humanisme’, beschouwt de waarheid van concepten als een functie van hun toepasbaarheid. Beïnvloed door Schiller ging James de term ‘cash value’ gebruiken.

Hedendaags pragmatisme
Volgens velen is het pragmatisme aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog over zijn hoogtepunt heen en wordt het pas een kleine halve eeuw later door Richard Rorty aan de vergetelheid onttrokken. Anderen beweren dat het pragmatisme nooit echt van de filosofische landkaart is verdwenen, maar van de jaren veertig tot de jaren tachtig van de vorige eeuw bleef voortbestaan in het werk van onder andere Lewis, Morris, Camap en Quine. Volgens deze laatste opvatting is het Clarence Irving Lewis die ervoor zorgt dat de geest van het klassiek pragmatisme via het logisch positivisme wordt overgeleverd aan zijn studenten Quine en Nelson Goodman. Quine brengt vervolgens Rorty op het pad van het pragmatisme.

Rorty, die zijn academische carrière begint in de analytische filosofie, maakt in zijn Philosophy and the Minor of Nature (1979) een overstap naar het pragmatisme. Met zijn kritiek op de opvatting die kennis beschouwt als representatie van de werkelijkheid, weergegeven in de metafoor van de spiegel, sluit hij aan bij de klassieke pragmatisten. In de lijn van Dewey beschouwt hij de zoektocht van de mens naar absolute fundamenten voor kennis als een product van onzekerheid en bijgeloof. Op basis van het denken van Quine en Wilfrid Sellars komt Rorty tot de overtuiging dat de spiegelmetafoor niet leidt tot kennis, maar eerder tot onvermogen om vat te krijgen op de wereld waarin we leven. Volgens Rorty komt waarheid tot stand in een sociale en verbale context. Hierbij vervangt hij de nadruk die Peirce en Dewey leggen op de (wetenschappelijke) onderzoeksmethode om tot kennis te komen door de heersende consensus binnen een bepaalde gemeenschap. Het negeren van de empirie en de resultaten van empirisch onderzoek bij de totstandkoming van kennis heeft Rorty veel kritiek opgeleverd. Zijn etnocentrisch waarheidsbegrip waarbij de consensuswaarheid alleen van binnenuit door het aannemen van een ironische houding bekritiseerd kan worden, wordt wel bestempeld als een linguïstisch spel. Susan Haack duidt Rorty’s versie van pragmatisme, vanwege het belang van de spreektaal en de associatie met de alledaagse betekenis van het woord, aan als vulgair pragmatisme.

Een andere hedendaagse filosoof met een analytische achtergrond die zich heeft bekeerd tot het pragmatisme is Hilary Putnam. In navolging van Dewey beweert Putnam in Ethics without Ontology (2004) dat het doel van de ethiek niet ligt in het zoeken naar universele principes, maar in het oplossen van praktische problemen. Met deze opvatting kritiseert hij enkele traditionele opvattingen omtrent ontologie, metafysica en waarheid die volgens hem bedrieglijk en daardoor schadelijk zijn geweest voor disciplines als logica, wiskunde en ethiek. Deze disciplines geven namelijk niet de, maar een mogelijke beschrijving van de werkelijkheid. In zijn pragmatisch pluralisme beschouwt Putnam de ethiek, net zoals de logica en de wiskunde, als een taalspel dat op eigen wijze een beschrijving van de werkelijkheid geeft. Dit conceptueel pluralisme, dat botst met klassiek ontologische opvattingen van ethiek die Putnam volledig afschrijft, zoals die van Plato en Moore, werkte hij eerder uit in Representation and Reality (1988).

Ook in Europa geniet het pragmatisme de laatste decennia een toenemende belangstelling. Jürgen Habermas die in zijn vroege werk door Peirce werd beïnvloed, erkent de laatste tijd steeds meer de waarde van het pragmatisme als filosofische stroming en van Dewey in het bijzonder.

Literatuur
De Waal, C., On Pragmatism, Belmont CA, 2005.
Dewey, J., ‘Ethics’ (1908), in: The Middle Works of John Dewey, 1899-1924, vol. 7 (ed. J.A. Boydston), Carbondale, 1985.
Menand, L., The Metaphysical Club: A Story of American Ideas, New York, 2001.
Peirce, C.S., ‘How to Make Our Ideas Clear’, in: N. Houser, Chr. Kloesel, The Essential Peirce: Volume 1 (1867-1893), Bloomington/Indianapolis, 1992, pp. 124-141.
Putnam, H., Ethics Without Ontology, Cambridge MA, 2004.
Rorty, R., Philosophy and the Mirror of Nature, Princeton, 1979.

(L. Logister)