Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Pornografie

betekenis & definitie

Wie ‘pornografie’ wil omschrijven, staat voor eenzelfde probleem als iemand die zich zet aan een definitie van ‘paternalisme’: het is een pejoratieve term, die een neutrale omschrijving in de weg staat. De etymologie getuigt daarvan. Een pornè (Grieks) is een hoer, een pomos een hoerenloper en een pornograaf dus iemand die het liederlijke gedrag van dezulken beschrijft. De titel van een boek van Andrea Dworkin bevat dergelijke connotaties: Pornography: Men Possessing Women. Zulk een pejoratieve omschrijving, die porno vrouwonwaardig acht, verduistert de morele discussie.

Wanneer pornografie verfilming van vrouwenverkrachting is, doet zich een probleem voor in het geval dat vrouwen vrijwillig meewerken aan de totstandkoming van pornografisch materiaal, omdat moeilijk van verkrachting gesproken kan worden. Een gevolg van die omschrijving is ook dat homoseksuele porno een soort van pleonasme wordt (het tonen van bezitsbeluste mannen in het bezit van bezitsbeluste mannen degradeert hen niet tot onwaardige wezens, maar toont hun ware, namelijk onwaardige, aard). Vreemder is het dat door de omschrijving van Dworkin de kinderporno buiten beeld blijft. Het is daarom van belang om een neutrale omschrijving te kiezen van ‘pornografie’, bijvoorbeeld: ‘elk geschrift of voorstelling dat in de eerste plaats gericht is op seksuele prikkeling (wat wetenschappelijke of kunstzinnige voorstellingen van erotische aard uitsluit)’ (Maris 1985, p. 3). Bij een morele beoordeling van pornografie moet dan zowel gekeken worden naar de productie als naar de consumptiezijde ervan: zijn bij de productie van porno morele normen overtreden? (wat kinderporno meteen moreel diskwalificeert, maar niet iedere pornografische afbeelding van seks tussen volwassenen); is het genieten van porno moreel suspect, en wat voor gevolgen heeft dat voor het verspreiden van pornografisch materiaal?

Historische ontwikkeling
De ethische discussie rond pornografie is nauw verweven met de strafrechtelijke discussie ervan, die in Nederland is verlopen langs lijnen die ook elders aanwijsbaar zijn. De strafwetgever van 1886 bestreed niet alle vormen van aanstootgevend gedrag, maar beperkte zich tot een verbod op het verspreiden van aanstootgevende afbeeldingen. De Memorie van Toelichting motiveerde dit aldus: ‘Tegen vrijwillig eigen zedenbederf de individuen te beschermen behoort niet tot de taak der strafwet. Zij heeft alleen te waken tegen het kwetsen van eens anders eerbaarheid.’ De strafwetgever wilde dus alleen tussenbeide komen wanneer mensen tegen hun zin werden geconfronteerd met zinnenprikkelend materiaal. De wetswijzigingen die in 1911 plaatsvonden, stonden daarentegen in het teken van de ‘bestrijding van de zedeloosheid’. Het ging niet primair om het beschermen van de individuele vrijheid, maar om het bewaken van een bovenpersoonlijke zedelijke orde, die als een belangrijk rechtsgoed werd opgevat. Deze opvatting is in het verdere verloop van de twintigste eeuw steeds meer onder druk komen te staan, met als hoogtepunt het ‘pornobladenarrest’ van 1972, waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat de overheid er uitsluitend op moet toezien dat mensen niet ongewild worden geconfronteerd met aanstootgevend materiaal, en waarbij de vraag welk materiaal als zodanig geldt, beantwoord moet worden door te bezien waaraan de meerderheid van de bevolking in feite aanstoot neemt.

Nadat in 1980 de ‘Adviescommissie Zedelijkheidswetgeving’ ten principale had bepaald dat ingrijpen van de strafwetgever op seksueel gebied alleen gerechtvaardigd is wanneer de individuele vrijheidsbeleving van de burger tot onaanvaardbare gevolgen leidt voor de mederechtsgenoten, nam de Tweede Kamer in 1984 een wetsvoorstel aan dat voor een deel een terugkeer inhield naar de tamelijk libertaire situatie van voor 1886, en dat voor een ander deel restrictiever was. Zo werd verkrachting binnen het huwelijk strafbaar gesteld. Ook de strijd tegen kindermishandeling en dus ook tegen kinderporno is alleen maar toegenomen: nadat eerst mannen strafbaar werden gesteld die zich elders in de wereld aan kinderen hadden vergrepen, is inmiddels alleen al het voor eigen gebruik in bezit hebben van een video met kinderporno strafbaar.

Morele problemen
Wat is er moreel mis aan porno? Wat er mis is aan porno die onder dwang tot stand is gekomen, moge duidelijk zijn. Dat de strafwet zich dient te beperken tot het bestraffen van in die zin ‘gewelddadige’ porno, eveneens. Een hevige en in die zin gewelddadige seksscène kan dan in een strafrechtelijk relevante zin geweldloos zijn, terwijl omgekeerd een op het eerste gezicht geweldloze seksuele handeling met een kind dient te worden aangemerkt als gewelddadig. Maar de morele reflectie op porno is daarmee niet ten einde. In zijn conclusie voorafgaande aan het ‘pornobladen-arrest’, merkte procureur-generaal Langemeijer op: ‘Ook thans nog zijn er weinigen die voorstellingen van de soort die in sekswinkels te krijgen zijn in hun woonkamer of in de kamer waar zij bezoekers ontvangen zouden ophangen.’ In ieder geval is pornografie moreel kwestieus omdat bepaalde genietingen niet goed de openbaarheid verdragen. Wie ermee instemt dat een camera de kronkelingen van zijn lichaam registreert op het hoogtepunt van het seksuele genot, maakt niet alleen anderen, maar ook zichzelf tot toeschouwer van een activiteit die nu juist in de extase het toeschouwersstandpunt overschrijdt. Zo heeft ook het ongegeneerd tonen en registreren van droefheid en van religieuze extase iets gênants. Pornografie maakt publiek wat een privézaak is. Wie in het openbaar seks bedrijft, maakt zich (in de ogen van iemand die dat nu juist niet wil) schuldig aan schaamteloos gedrag. Iets daarvan straalt af op pornografisch materiaal, waarmee mensen elkaar dus in ieder geval niet onverhoeds moeten confronteren.

Literatuur
Asperen, G. van, ‘Het beroepsgeheim’, in: Het bedachte leven, Amsterdam/Meppel, 1993,pp. 134-152 (vooral pp. 140 e.v.).
Dworkin, A., Pornography: Men Possessing Women, New York, 1981.
Dworkin, R., ‘Do We Have a Right to Pornography?’, in: A Matter of Principle, Cambridge, 1985.
Lullu, J. de, Strafrechtelijke en sociaalwetenschappelijke gronden voor strafbaarstelling van pornografie, Arnhem, 1984.
Maris, C., ‘Pornografie moet vrij’, Filosofie & Praktijk, vol. 6, 1985, pp. 3-19.

(F. facobs)