Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Particularisme

betekenis & definitie

Van ‘particularisme’ in de ruimste zin van het woord kan worden gesproken wanneer theoretische en praktische universalia worden achtergesteld of geheel worden ontkend, ten gunste van singuliere eigenschappen. Als vooronderstelling van het kennen of als handelingsoriëntatie erkent het particularisme alleen bepalingen die aan de particuliere kennis- of handelingssituatie worden ontleend.

Het epistemologische particularisme heeft verreikende consequenties gehad voor de geschiedenis van de filosofie. In de ethiek heeft het particularisme een specifieke betekenis, die sinds enige tijd veel aandacht krijgt. Met name binnen het communitarisme en bepaalde vormen van deugdethiek vindt men particularistische tendenzen die benadrukken dat het goede steeds concreet is en daarmee aan particuliere sociale, culturele en historische condities gebonden. Het radicaal particularisme (Dancy 1983) beweert dat ethische waarderingen - net als esthetische beoordelingen - geen gebruik kunnen maken van universele of universaliseerbare regels, maar louter uit de concrete situatie voortkomen.

De controverse tussen universalisme en particularisme
De laatste jaren is in de ethiek sprake van een opmerkelijke, zich uitbreidende controverse. Oppervlakkig beschouwd lijkt het daarbij om een conflict tussen de twee grote ethiekparadigma’s te gaan die met de namen van Aristoteles en Kant zijn verbonden. In feite speelt daarin ook een conflict tussen universalistische en particularistische opvattingen van ethiek.

In haar monografie Towards Justice and Virtue heeft O’Neill gepoogd de strijdpunten uitvoerig weer te geven, en daarbij benadrukt zij dat de uitgangspunten van een particularistische ethiek, zoals het communitarisme of bepaalde vormen van deugdethiek, zich ten onrechte beroepen op de aristotelische traditie. Er worden namelijk steeds antropologische constanten verondersteld die strikt genomen alleen een universalistische ethiek toelaten (vergelijk ook Nussbaum 1993a; 1993b). Als oorzaak van de moderne separatie wijst zij op een grondslagencrisis waardoor aan het begin van de moderne tijd alle metafysische en antropologische veronderstellingen van de aristotelisch-scholastische ethiek vernietigd zouden zijn. In de tijd die erop volgde zou dit de aanleiding zijn geworden voor zowel universalistische als particularistische ontwerpen. Onder de particularistische posities kunnen volgens O’Neill ‘historische’ en ‘radicale’ varianten onderscheiden worden. Het historische particularisme probeert het verlies van traditionele, teleologisch uitgestippelde handelingsdoeleinden te compenseren door een goed dat sociaal en cultureel relatief en dus veranderlijk is. De vertegenwoordigers van een radicaal particularisme interpreteren het menselijk handelen uitsluitend als preferentiebevrediging zonder oriëntatie op overstijgende criteria.

Het radicale ethische particularisme
Moore (1903) (vergelijk Wolf en Schaber 1998) stelde dat het predicaat ‘goed’ niet definieerbaar is en dus als een niet-natuurlijke eigenschap moet worden beschouwd. Overeenkomstig zijn opvatting kan iets intuïtief als goed worden beschouwd - reden waarom deze theorie ook ‘intuitionistisch’ wordt genoemd - maar volgt daaruit nog geen onmiddellijke leidraad voor het handelen. Dat is pas mogelijk vanuit de vooronderstelling van een eveneens intuïtief kenbare ‘overbruggende norm’ die opmerkelijk genoeg met het morele principe van het utilitarisme overeenstemt. Volgens deze norm zijn slechts die handelingen juist die de som van het goede vergroten. Moore deelt dus met het utilitarisme het maximalisatiegebod, maar pleit voor een intuïtief te vatten waardebasis, terwijl het klassieke utilitarisme hedonistisch is. Desondanks rekent Moore zijn uitgangspunt terecht tot het utilitarisme omdat het typerende onderscheid tussen goed en juist ook door hem wordt gehandhaafd.

In zijn theoretische werken knoopt Ross (1930; 1939) aan bij de overwegingen van Moore, en ook hij verdedigt de these van de niet-definieerbaarheid van het goede. Het onderscheid tussen goed en juist wijst hij echter strikt van de hand en hij verklaart dat ook het juiste slechts intuïtief inzichtelijk is. Bij het bepalen van concrete handelingsvoorschriften wordt bijgevolg de omweg via de utilitaristische nuttigheidscalculus opgegeven ten gunste van direct inzichtelijke prima facie-plichten. Ross probeert vervolgens deze prima facie-plichten te herleiden tot meer fundamentele principes. Spijtig genoeg kunnen ze volgens hem niet uit één enkel moreel principe worden gededuceerd: ‘We have a natural wish to reach a single principle form which the rightness or wrongness of all actions can be deduced. But it is more important that a theory be true than that it be simple’ (Ross 1939, p. 83). Dancy tenslotte stelt dat Ross in zijn theorie van het ethisch pluralisme halverwege is blijven stilstaan. Consequent tot een einde gedacht, zo meent hij, moet deze weg in een radicaal particularisme eindigen. 'So the progress is from monism, the view that there is only one moral principle, through pluralism, the view that there are many, to particularism, the view that there is none’ (Dancy 1983, p. 542).

Met Ross houdt Dancy er weliswaar aan vast dat de juiste handelingsmogelijkheden altijd slechts intuïtief en spontaan te vatten zijn — hij beschrijft deze opvatting treffend als ‘particularistische epistemologie’ - maar Ross’ ‘generaliserende tendensen’ wijst hij als onvruchtbaar van de hand. Naar zijn mening volgt de morele relevantie van handelingseigenschappen enkel en alleen uit de concrete handelingssituatie zodat morele kwaliteiten nooit universaliseerbaar zijn en daarmee ook door geen enkel principe kunnen worden omvat. Op de tegenwerping dat dit radicale particularisme geen rechtvaardiging van handelingen meer toelaat, omdat daartoe per slot van rekening altijd op universaliseerbare handelingen zou moeten worden teruggegrepen, antwoordt Dancy met een veelzeggende vergelijking. Zoals zich bij de esthetische beschrijving van een bouwwerk bepaalde kenmerken als relevant opdringen zonder dat daaruit de algemene relevantie van deze kenmerken kan worden afgeleid, zo zou ook de weergave van een handelingssituatie bepaalde eigenschappen als moreel relevant accentueren, en deze specifieke relevantie is als rechtvaardigingsfundament toereikend.

Problemen van particularistische uitgangspunten
Terwijl de door O’Neill beschreven historische particularismen op grond van hun meerdimensionaliteit in het algemeen voor morele universaliseringen vatbaar zijn (vergelijk Forst 1996), bestrijdt het radicale particularisme met klem dat er sprake zou zijn van overkoepelende principes. Daarmee stuit het echter op immense problemen. De vooronderstelde intuïtionistische epistemologie wordt tegenwoordig nauwelijks meer houdbaar geacht. Reeds Moore moest, nadat hij grondig was bekritiseerd, bepaalde concessies doen aan het naturalisme. Weliswaar bleef hij vasthouden aan de these van de niet-natuurlijkheid van het goede, maar hij erkende dat morele eigenschappen noodzakelijk uit bepaalde gegeven natuurlijk eigenschappen volgen (vergelijk Moore 1968). Deze ‘superveniënte’ betrekking tussen natuurlijke en morele kwaliteiten dreigt echter het strenge vonnis van Moore aangaande de naturalistische drogreden te ondermijnen. Als men aan het onderscheid tussen ‘zijn’ en ‘behoren’ wil vasthouden, wat logisch gezien noodzakelijk lijkt, dan kan men dat behoren niet als een loutere intuïtie opvatten, of het op een louter intuïtief te vatten waardebasis funderen. Anders zou het goede of het behoren een eigen ontologische status toegeschreven moeten worden, hetgeen alleen met behulp van een bedenkelijke metafysica mogelijk zou zijn. Als het behoren dus niet intuïtionistisch te funderen is, lijkt in elk geval deze variant van het radicale particularisme nauwelijks houdbaar te zijn. Het is de vraag of er niet-universalistische basistheorieën zijn die andere vormen van het radicale particularisme zouden kunnen funderen. Hiervoor lijken slechts non-cognitivistische uitgangspunten in aanmerking te komen, zoals bijvoorbeeld het decisionisme of het emotivisme, die tegenover cognitivistisch-universalistische standpunten evenwel nauwelijks zijn te rechtvaardigen. De conclusie moet daarom zijn dat alleen die particularistische ethische uitgangspunten legitiem aanspraak kunnen maken op geldigheid, die nadruk leggen op het particuliere als concretiseringsvoorwaarde van het universele.

Literatuur
Dancy, J., ‘On Moral Properties’, Mind, vol. 90, 1981, pp. 367-385.
Dancy, J., ‘Ethical Particularism and Morally Relevant Properties’, Mind, vol. 92, 1983, pp. 530-547.
Forst, R., Kontexte der Gerechtigkeit. Politische Philosophie jenseits von Liberalismus und Kommunitarismus, Frankfurt/M., 1996.
Moore, G.E.M., Principia Ethica, Cambridge 1903.
Moore, G.E.M., ‘A Reply to my Critics’, in: PA. Schilpp (ed.), The Philosophy of G. E. Moore, La Salie, 1968.
Nussbaum, M.C., ‘Human Functioning and Social Justice. In Defense of Aristotelian Essentialism’, Political Theory, vol. 20,1992, pp. 202-246.
Nussbaum, M.C., ‘Non-Relative Virtues: An Aristotelian Approach’, in: M.C. Nussbaum en A. Sen (eds.), The Quality of Life, Oxford, 1993, pp. 242-269.
O’Neill, O., Towards Justice and Virtue. A Constructive Account of Practical Reasoning, Cambridge, 1996.
Röd, W., Der Weg der Philosophie von den Anfangen bis ins 20. Jahrhundert, Bd. 1: ‘Atertum, Mittelalter, Renaissance’, München, 1994.
Ross, W., The Right and the Good, Oxford, 1930.
Ross, W., Foundations ofEthics, Oxford, 1939.
Wolf, J-C, R Schaber, Analytische Moralphilosophie, München, 1998.

(C. Hübenthal)