Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Naturalistische drogreden

betekenis & definitie

De uitdrukking naturalistic fallacy werd door George Edward Moore (1873-1958) geïntroduceerd in zijn Principia Ethica. Moore’s gebruik van de uitdrukking is echter niet eenduidig. Er zijn tenminste drie betekenissen te onderscheiden.

(1) Naturalistische drogreden is de fout het predicaat ‘goed’ te definiëren. Moore heeft een eigenzinnige opvatting van ‘definitie’. Volgens hem stelt een definitie, in de belangrijkste betekenis van dat woord, ‘welke delen zonder uitzondering een bepaald geheel vormen’ (Moore 1903, p. 9). We geven, in Moore’s zin, een definitie van ‘paard’ als we opnoemen uit welke delen (plus hun onderlinge relaties) een paard is opgebouwd: vier benen, een hoofd, een hart, etc. Aangezien volgens Moore ‘goed’ een enkelvoudig predicaat is (het is niet samengesteld), kan ‘goed’ niet gedefinieerd worden.
(2) Naturalistische drogreden is de fout het predicaat ‘goed’ te identificeren met een ander predicaat dan ‘goed’. Deze fout kan onder andere worden begaan door in zinnen als ‘Plezier is goed’ het ‘is’ op te vatten als een ‘is’ van identiteit (plezier is hetzelfde als goed) in plaats van als een ‘is’ van predicatie (aan plezier komt het predicaat ‘goed’ toe). Om duidelijk te maken dat ‘goed’ van andere predicaten verschilt, maakt Moore gebruik van het beroemde ‘open vraag’ argument. Stel dat ‘goed’ hetzelfde zou betekenen als ‘plezierig’ (en goed dus hetzelfde zou zijn als plezierig), dan zou het geen open vraag meer zijn of dat wat plezierig is, ook goed is, terwijl dit (volgens Moore) wel een open vraag is.
(3) Naturalistische drogreden is de fout het predicaat ‘goed’ te identificeren met een natuurlijk of metafysisch predicaat. Deze variant van de naturalistische drogreden kan worden beschouwd als een toepassing van de tweede variant. Als het een fout is ‘goed’ met een ander predicaat te identificeren, dan is het ook een fout wanneer dat andere predicaat een natuurlijk of metafysisch predicaat is. Moore gebruikt de naturalistische drogreden niet alleen als argument tegen naturalistische ethieken (hetgeen je op grond van de naam zou verwachten), maar ook tegen metafysische vormen van ethiek. Tot de naturalistische ethieken rekent hij het hedonisme (Mill, Sidgwick) en de evolutionaire ethiek (Spencer), tot de metafysische de ethieken van de Stoa, Spinoza en Kant. Hij noemt een ethiek ‘naturalistisch’ respectievelijk ‘metafysisch’ wanneer deze ‘goed’ definieert in termen van natuurlijke respectievelijk metafysische eigenschappen. Natuurlijke eigenschappen kunnen grofweg gekarakteriseerd worden als de zintuiglijk waarneembare eigenschappen van zintuiglijk waarneembare objecten (de objecten waarmee de natuurwetenschappen en de psychologie zich bezighouden). Metafysische eigenschappen kunnen op vergelijkbare wijze worden omschreven als de niet zintuiglijk waarneembare eigenschappen van niet zintuiglijk waarneembare objecten (Moore noemt als voorbeeld de ‘vrije wil’). Volgens Moore verschilt ‘goed’ fundamenteel van zowel natuurlijke als metafysische eigenschappen.

In het manuscript Preface to the Second Edition (1921) maakt Moore duidelijk dat het hem in de Principia eigenlijk om de derde variant van de naturalistische drogreden te doen was. Volgens Moore onderscheidt het predicaat ‘goed’ zich van natuurlijke en metafysische predicaten doordat het afhankelijk is van de aard van datgene waaraan het toekomt (er is een noodzakelijke relatie tussen de andere eigenschappen van het object en zijn goedheid), maar dat het zelf geen deel uitmaakt van die aard (je kunt het object karakteriseren zonder naar zijn goedheid te verwijzen). ‘Goed’ deelt deze kenmerken met andere predicaten die waarde aan iets toeschrijven (zie ook Moore 1922).

Hedendaags perspectief
In hedendaagse ethische discussies (vooral op het gebied van de evolutionaire ethiek en de milieu-/ dierethiek) wordt aan de uitdrukking ‘naturalistische drogreden’ een andere invulling gegeven. Onder ‘naturalistische drogreden’ wordt nu vaak verstaan datje uit de natuur geen normen kunt afleiden. Deze invulling houdt nauw verband met het zogenaamde is-ought probleem dat zijn oorsprong heeft in een beroemde passage uit A Treatise of Human Nature van David Hume. Het is-ought probleem kan worden omschreven als: er wordt een logische fout begaan als uit beweringen (bijvoorbeeld over de natuur) normatieve uitspraken worden afgeleid. Het is-ought probleem wijkt op twee punten af van wat Moore onder ‘naturalistische drogreden’ verstaat: de naturalistische drogreden heeft alleen betrekking op ‘goed’ (niet ook op ‘behoren’ en ‘juist’) en wordt begaan door een definitie te geven (niet door uitspraken met ‘goed’ uit andere uitspraken af te leiden). Bovendien zou Moore waarschijnlijk ontkennen dat er een is-ought probleem is. Volgens hem kunnen we uitspraken over wat we behoren te doen afleiden uit een combinatie van uitspraken over welke dingen goed zijn en uitspraken over hoe we die dingen tot stand kunnen brengen. Deze laatste twee typen uitspraken beschouwt Moore als beweringen, en daarom is het volgens hem wel degelijk mogelijk normatieve uitspraken af te leiden uit beweringen.

Literatuur
Baldwin, T., G.E. Moore, London, 1990.
Frankena, WK., ‘The Naturalistic Fallacy’, Mind, vol. 48, 1939, pp. 464-477.
Hume, D., A Treatise of Human Nature', ed., with an analytical index by L.A. Selby-Bigge, Oxford 1978 (1739/40).
Moore, G.E., ‘A Reply to my Critics’, in: PA. Schilpp (ed.) The Philosophy of G.E. Moore La Salie, 1968 (1942).
Moore, G.E., ‘Preface to the Second Edition’ 1921, in: Principia Ethica Rev. ed., Cambridge 1993, pp. 1-27.
Moore, G.E., The Conception of Intrinsic Value’, in: Philosophical Studies, London 1922.
Moore, G.E., Ethics, London, 1912.
Moore, G.E., Principia Ethica, Cambridge, 1903.
Moore, G.E., The Elements of Ethics, ed. / introd. by Tom Regan, Philadelphia, 2003.
Schilpp, P.A. (ed.), The Philosophy of G.E. Moore, La Salie, 1968 (1942).
Sober, E. (ed.), Conceptual Issues in Evolutionary Biology, Cambridge, 1994.

(R. de Vries)