Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Moral Sense

betekenis & definitie

De ‘moral sense’ is de zin voor morele juistheid en onjuistheid van handelingen en voor de deugdzaamheid en ondeugdzaamheid van personen. Ze kan zich manifesteren in oordelen over het eigen gedrag en dat van anderen, alsook in motieven voor het eigen gedrag.

Het concept ‘moral sense’ is een sleutelbegrip in de Britse moraalfilosofie van de achttiende eeuw. De discussies omtrent dit begrip leiden tot fundamentele beschouwingen over de status en inhoud van de ethiek. Meer bepaald gaat het om de discussie tussen rationalisten en sentimentalisten voor wat betreft de principes en het criterium van morele kennis en moreel handelen, om de discussie tussen pessimisten en optimisten voor wat betreft de rol van egoïsme en altruïsme, en om de discussie tussen vrijzinnigen en orthodoxen voor wat betreft de band tussen christelijk geloof en moraal.

Historische ontwikkeling
In de zeventiende eeuw leiden de ontwikkelingen van de natuurwetenschappen tot vernieuwingen in het denken over de menselijke kennis en de menselijke samenleving. Locke ontvouwt een kenleer waarin de zintuiglijke waarneming een prominente plaats inneemt, Hobbes ontvouwt een politieke theorie waarin het positieve recht centraal staat. Beiden breken met traditionele opvattingen over de morele betekenis van de rede en van de natuurlijke werkelijkheid.

In de achttiende eeuw worden eenzijdigheden van hun theorieën opgemerkt en bekritiseerd. Hobbes’ these dat morele begrippen zoals ‘juist’ en ‘verkeerd’, ‘goed’ en ‘kwaad’, ‘rechtvaardig’ en ‘onrechtvaardig’ geen ‘natuurlijke’ betekenis hebben maar hun gelding ontlenen aan afdwingbare algemene regels, wordt beschouwd als een overdreven pessimistische voorstelling van de natuurlijke morele competentie van de mens. Lockes these dat de waarheid van niet-deductieve uitspraken afhankelijk is van zintuiglijke indrukken terwijl de rede ons slechts in staat stelt tot kennis van analytische waarheden, wordt ontoereikend gevonden om de menselijke vermogens tot morele kennis te verklaren.

Reflectie op affecten
De genoemde kritiek op Hobbes en Locke ligt ten grondslag aan de ethiek van Shaftesbury. Hij introduceert de term ‘moral sense’: de ‘morele zin’ als vermogen om morele kwaliteiten te onderscheiden. Shaftesbury betoogt dat zij een natuurlijk menselijk vermogen is dat ontwikkeld en verfijnd kan worden. Als vermogen stelt ze de mens in staat tot een reflectie op gevoelens van voorkeur en afkeer die direct worden opgeroepen door handelingen en personen. De reflectie op deze affecten stelt ze in een moreel licht, zodat de betreffende handelingen en personen als moreel juist of verkeerd worden beoordeeld. Dezelfde reflectie kan praktisch gericht worden, zodat de morele zin motiveert tot moreel handelen. Als vermogen tot morele onderscheidingen is de morele zin gericht op harmonie, orde, symmetrie. Handelingen worden goedgekeurd naarmate ze het evenwicht tussen het zelf en de anderen bewaren en bewerken, handelingen worden veroordeeld naarmate ze een wanverhouding scheppen. Shaftesbury benadrukt dat de morele zin ook begrijpelijk maakt dat de deugd omwille van zichzelf nastrevenswaardig is: de specificiteit van dit vermogen garandeert dat geen andere dan morele redenen leiden tot moreel handelen en oordelen.

De opvattingen van Shaftesbury zijn speels maar scherp bekritiseerd door Berkeley in zijn dialoog Alciphron: or, the Minute Philosopher. Berkeley keert zich tegen de stelling dat de aanname van de morele zin als een eigensoortig vermogen nodig is om een uitleg te bieden van de menselijke moraliteit. De traditioneel bekende vermogens en instituties zoals de rede, de passies, het geweten, de gewoonte, de opvoeding en de religie bieden reeds een voldoende basis. Hij keert zich ook tegen de stelling dat morele kennis en moreel handelen ontspringen aan gevoelens; de rede acht hij een meer betrouwbare gids.

De strekking van deze objecties wordt duidelijk uit Berkeleys centrale argument tegen Shaftesburys stelling dat harmonie, symmetrie of proportionaliteit het criterium van morele juistheid is. Volgens Berkeley kunnen deze kwaliteiten op zichzelf geen criterium voor morele bewondering zijn. Immers, de genoemde kwaliteiten kunnen slechts toekomen aan iets dat als een systeem of een ordelijk geheel wordt beschouwd. De bewondering voor een geheel vooronderstelt echter dat het doel van dat geheel bekend moet zijn. In het licht van die kennis is vervolgens het nut van iets te bepalen. Pas dan is het mogelijk om iets te waarderen naar zijn proporties.

Met deze opmerking maakt Berkeley de overgang naar zijn christelijke ethiek. Deze leert dat, krachtens de goddelijke schepping en voorzienigheid de natuurlijke en de menselijke werkelijkheid doelmatig geordend zijn. Het doel is enigermate door de mens te kennen als het volkomen welzijn. Met deze doelmatige orde is dan ook het nut van menselijk handelen objectief bepaalbaar en volgens dat criterium moreel goedkeuringswaardig en afkeurenswaardig. In de mate dat Gods plan en geboden bekend zijn aan de mens, kan de mens de overeenstemming met dat plan en die geboden hanteren als criterium voor morele juistheid van het handelen en het oordelen. Echter, de volstrekt juiste morele oordelen kunnen slechts gemaakt worden door degene die het geheel maakt en bestuurt. Bijgevolg zijn alleen de goddelijke straf en beloning de echt verdiende uitkomsten van het menselijk leven. Volgens Berkeley volgt hieruit voor het aardse menselijk leven dat het morele handelen in de eerste plaats door vrees en eerbied voor goddelijke sancties gemotiveerd dient te worden. Met zijn stelling dat menselijke deugdzaamheid niet nastrevenswaardig is als een doel op zichzelf maar als een middel om het Godgegeven doel van volkomen welzijn te realiseren, keert Berkeley zich tegen de humanistische ethiek die Shaftesbury zijns inziens verwoordt.

Theorie van morele gevoelens
Hoewel zoals Berkeley een geestelijke, bekritiseert Hutcheson Berkeleys ethiek en herneemt hij Shaftesburys begrip van de morele zin. Op systematische wijze betoogt Hutcheson dat de morele kennis slechts te verklaren is door een beroep te doen op een morele zin, zoals ook de esthetische kennis slechts begrijpelijk is door een esthetische zin te veronderstellen. In zijn An Inquiry concerning Moral Good and Evil definieert hij de morele zin als ‘een gesteltenis van onze geest om uit waargenomen handelingen de enkelvoudige ideeën van goedkeuring en afkeuring te ontvangen’. Het criterium voor morele juistheid wordt daarbij ontleend aan het algemeen welzijn, dat doel is van de menselijke moraal. In tegenstelling tot Berkeley, meent Hutcheson dat dit doel niet direct bereikt kan worden door een plichtsgetrouw volgen van Gods plan en geboden, maar slechts indirect door een optimale ontwikkeling van de natuurlijke vermogens waarmee God de mens heeft uitgerust. Tot die vermogens behoren de egoïstische en altruïstische passies die tot handelen aanzetten, en de reflectieve gevoelens van goedkeuring en afkeuring die voorwerp zijn van de morele zin. Een en ander brengt Hutcheson steeds meer tot de overtuiging dat uitsluitend handelingen die door welwillendheid gemotiveerd zijn en dus het welzijn van anderen viseren, door de morele zin worden goedgekeurd.

De ethiek van welwillendheid die Hutcheson tenslotte verdedigt, is volgens Adam Smith een bovenmenselijke opgave. Smith wijst erop dat ook de gepaste zorg voor het eigen welzijn, die traditioneel wordt aangeduid met de deugden van verstandigheid, matigheid en standvastigheid, goedkeurenswaardig is. Dat Hutcheson hieraan voorbijgaat is volgens Smith te wijten aan een eenzijdig begrip van morele oordelen en morele handelingen: in Hutchesons theorie worden handelingen slechts op hun intentie beoordeeld. Handelingen dienen echter ook begrepen te worden als reacties, en dus naar hun gepastheid in situaties gewaardeerd te worden.

Smith bekritiseert ook Hutchesons begrip van de morele zin. Het gaat hem daarbij niet zozeer om het obscure karakter van dit vermogen, als wel om de consequentie waartoe de aanname van die zin leidt. De theorie van de morele zin als een verstandelijk vermogen of een gevoel sui generis impliceert een passieve morele psychologie, volgens welke deze zin het moreel neutrale ‘orgaan’ is dat objectieve morele kwaliteiten onderscheidt. Deze passieve psychologie doet er geen recht aan dat de mens in staat is tot verfijning van zijn morele besef en juist daardoor onderscheid kan maken tussen bijvoorbeeld afschuw voor wreedheden en minachting voor kleingeestigheden. Dit betekent ook dat de mens moreel wordt beoordeeld naar de juistheid van zijn oordelend vermogen: morele gevoelens die ontwikkeld kunnen worden zijn, eerder dan een neutrale morele zin, als de principes van het moreel kennen en handelen te beschouwen.

Mede in reactie op Hutchesons ethiek betoogt Smith dat moraliteit bestaat in redelijke gevoelens die ontwikkeld worden binnen een morele gemeenschap. Die ontwikkeling betreft zowel de zelfgerichte als de andergerichte gevoelens. Het meest oorspronkelijke element van Smiths theorie is zijn these dat het absolute en nauwkeurige criterium voor morele juistheid gelegen is in het morele oordeel van de onpartijdige toeschouwer. Met deze these onderstreept Smith zijn opvatting dat de menselijke moraal onafhankelijk is en behoort te zijn van enige religieuze overtuiging of doctrine.

Recente ontwikkelingen
Shaftesburys introductie van het begrip ‘moral sense’ is dus bijzonder vruchtbaar geweest voor de Britse moraalfilosofie in de achttiende eeuw. In de negentiende en twintigste eeuw is de discussie over de principes en het criterium van morele kennis en moreel handelen en over de inhoud en de reikwijdte van de moraal voortgezet, maar veelal in andere termen gevoerd. Bijvoorbeeld, in plaats van over ‘rationalisme’ en ‘sentimentalisme’ wordt gesproken over ‘(non)cognitivisme’ en ‘emotivisme’; in plaats van beschouwingen over het passieve of actieve karakter van de morele zin worden theorieën over de kennis van morele kwaliteiten ontwikkeld in termen van subjectivisme en objectivisme, en theorieën over de ontologische status van morele kwaliteiten in termen van nominalisme en realisme (zie Broad 1945; Schrader 1984).

In het licht van deze hedendaagse terminologie is het opmerkelijk dat vanuit fenomenologische hoek het begrip ‘moral sense’ hernomen is. Sinds 1983 zijn vier omvangrijke studies verschenen van de hand van Tymieniecka, waarin de morele zin wordt gepresenteerd als een eigensoortig vermogen om morele betekenissen te geven aan ervaringen. Volgens Tymieniecka is deze morele zin naar zijn aard een gevoel van welwillendheid en daarom constitutief voor een op welzijn gerichte samenleving. Tymienieckas theorie van de morele zin fungeert als uitgangspunt voor fenomenologisch georiënteerde sociaal-wetenschappelijke en psychiatrische studies.

De in de achttiende eeuw scherp gestelde vraag in hoeverre ethiek onafhankelijk is en behoort te zijn van religie krijgt in onze tijd interessante impulsen vanuit de discussie over de sociaal- en politiek-ethische betekenis van religies. In hedendaagse reflecties over de rol van het christendom en de islam in het publieke domein worden de voor- en nadelen van een verwevenheid van religieuze overtuiging en ethiek gewogen en wordt de aard van die verwevenheid nader onderzocht. Sommige filosofen houden vast aan de strikte autonomie van de ethiek en betogen dat de ethiek helemaal niet verweven zou moeten zijn met religie; anderen betogen dat religie en ethiek een continuüm vormen en als zodanig begrepen moeten worden in de fundamentele vragen wat het betekent goed te leven en goed samen te leven.

Literatuur
Berkeley, G., Alciphron, or: The Minute Philosopher, ed. by D. Berman, London, 1993, (1732, rev. 1752).
Bonar.J., Moral Sense, Londen/New York, 1930.
Broad, C., ‘Some Reflections on Moral-Sense Theories’, Proceedings of the Aristotelian Society, vol. 45, 1945, pp. 131 -166.
Butler, J., Fifteen Sermons, preached at the Rolls Chapel and a Dissertation of the Nature of Virtue, ed. by T.A. Roberts, Londen, 1970 (1726).
Hume, D., A Treatise of Human Nature, ed. by L. Selby-Bigge en F. Nidditch, Oxford, 1975 (1739-40).
Hutcheson, F., An Inquiry into the Original of our Ideas of Beauty and Virtue, New York, 1971 (1725 - 1738).
Price, R., A Review of the Principal Questions and Difficulties in Morals, Londen, 1758.
Raphael, D., The Moral Sense, London/New York, 1947.
Schrader, W., Ethik und Anthropologie in der Englischen Aufklärung, Hamburg, 1984.
Shaftesbury, A., An Inquiry concerning Virtue or Merit, Manchester, 1977 (1714).
Shaftesbury A., Characteristics of Men, Manners, Opinions, Times, Cambridge, 1999 (1709).
Smith, A., The Theory of Moral Sentiments, Amherst N.Y, 2000 (1759-1779).
Tymieniecka, A., ‘The Moral Sense: A Discourse on the Phenomenological Foundation of the Social World and of Ethics’, in: A. Tymieniecka en C. Schrag (eds.), Foundations of Morality, Human Rights, and the Human Sciences, Analecta Husserliana vol.15, Dordrecht, 1983.

(E. Brugmans)