Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Geweldloosheid

betekenis & definitie

Het karakteristieke van geweld wordt duidelijk wanneer we het onderscheiden van ‘kracht’. Dit onderscheid is met name in Engelse literatuur uitgewerkt, waar men wijst op de etymologische samenhang van violence met het werkwoord to violate, dat is te vertalen met ‘schenden’. Door geweld wordt iets kapot gemaakt dat eigenlijk (dat wil zeggen als het zijn eigen aard had behouden) heel had moeten blijven. Geweld is daarom ook wel gedefinieerd als vernietiging van integriteit. Het is dus niet een neutraal middel dat naar willekeur is aan te wenden. Hoezeer gebruik ervan is te rechtvaardigen vanuit hoger gelegen doelen, altijd wordt iets vernietigd dat een zeker recht van bestaan heeft.

Het pijnlijke van geweld is evident wanneer het gaat om schending van menselijk leven. Als onderbouwing van het recht op leven voert men wel aan dat, omdat de mens als waarde-en betekenisgevend wezen boven elke andere waarde staat, er geen waarde is die aantasting van menselijk leven rechtvaardigt. Anderzijds kunnen sommige zaken als zo belangrijk gelden, dat ze opoffering van mensenlevens rechtvaardigen. De onaantastbaarheid van het menselijk leven komt volgens de meeste mensen zeker op de tocht te staan wanneer met het doden van enkele mensen het sterven van velen is te voorkomen. Het geldt zelfs als onrechtvaardig om in het zicht van vreselijke misstanden passief toe te zien. Op basis van een calculatie, waarin de te verwachten nadelen worden afgewogen tegen te verwachten winst moet, zo zegt men dan, tot gebruik van geweld besloten worden.

Bij deze redenering zijn meerdere kritische vragen te stellen. Wie bepaalt of er sprake is van een reële bedreiging van belangrijke zaken of mensenlevens? De calculerende redenering is ontelbare malen misbruikt door partijen die vanuit eigenbelang ten strijde trokken en er de vreselijkste misstanden mee goedpraatten. En wie verzekert dat het gebruik van geweld binnen te rechtvaardigen grenzen zal blijven? In het oorlogsgeweld zijn goede bedoelingen dikwijls verloren gegaan omdat door de massaliteit en grootschaligheid ervan voor niemand was te overzien wat de gevolgen van gebruik van geweld waren. De aanhangers van de geweldloze optie voegen aan deze bedenkingen toe dat oorlogsgeweld vanwege de massaliteit en grootschaligheid per definitie problematisch is. Mensen die elkaar niet kennen worden, dikwijls tegen hun zin, tegenover elkaar geplaatst met de opdracht de ander de grootst mogelijke schade toe te brengen. Deze principiële ontsporing van de intermenselijke relatie moet per se afgewezen worden. De oneigenlijkheid ervan is pregnant naar voren gekomen in situaties waarin soldaten geconfronteerd met de ‘menselijkheid’ van de tegenpartij, plotseling grote moeite hadden te doden.

Pacifisme
Uit de waardering van degenen die geweldloosheid prediken spreekt een zekere ambivalentie. Enerzijds krijgen mensen als Ghandi, Marten Luther King en de Dalai Lama aanzienlijke aandacht en dwingen ze bewondering af. Ze vertegenwoordigen een inzet die allerwegen hoog wordt gewaardeerd. Anderzijds gelden predikers van geweldloosheid als naïef en wereldvreemd. Doorgaans beschouwt men geweld als mogelijk middel om conflicten, zeker die in de internationale politieke arena, te beslechten. In de geschiedenis van het Westerse denken is laatstgenoemde overtuiging overheersend geweest. Een prominente plaats in deze geschiedenis is ingenomen door de traditie van de rechtvaardige oorlog. Centraal hierin staat de overtuiging dat, wanneer een voorname zaak op het spel staat, de inzet van geweld acceptabel is.

De verdedigers van geweldloosheid waren klein in getal en traden weinig op de voorgrond. Als één der meest krachtige pleitbezorgers ervan geldt Erasmus, die op ironische toon het bizarre van het oorlogsgeweld aan de kaak stelde. Ook in het werk van enkele middeleeuwse heiligen als Francisus van Assisi zijn aanzetten tot een filosofie van geweldloosheid te vinden. Tot een uitwerking van de geweldloze optie kwam het pas, toen in de twintigste eeuw de natiestaten zich ontpopten als allesvernietigende entiteiten. De essentiële karakteristieken van deze optie zijn dan ook te begrijpen tegen de achtergrond van de moderne oorlogvoering.

In hun verzet tegen het oorlogsgeweld profileerden de aanhangers van geweldloosheid zich sterk, en kregen ze ook scherpe verwijten. Vanaf de zijlijn zouden ze alleen maar kritiek leveren zonder een constructief alternatief voorhanden te hebben. Pacifisme zou neerkomen op passiviteit. Deze verwijten doen geen recht aan het merendeel van de pacifisten. Doorgaans is hun verzet te begrijpen vanuit een in positieve termen te schetsen overtuiging die hen tot actief handelen aanzet. Om hierin meer inzicht te krijgen, moeten we geweldloosheid als morele optie onderscheiden van geweldloosheid op basis van meer pragmatische gronden. Er zijn individuen die weigeren deel te nemen aan het krijgsgeweld uit angst. Ook al is hiervoor alle begrip op te brengen, het is geen morele overtuiging. Hetzelfde geldt voor pleidooien voor geweldloosheid die uitgaan van (en appelleren aan) eng opgevat eigenbelang. Iemand die op basis van berekeningen zegt dat geweldloosheid tot de beste resultaten zal leiden, beschouwt haar als een tactiek, die is in te ruilen voor een andere wanneer de omstandigheden veranderen.

De meeste aanhangers van geweldloosheid die de twintigste eeuw gekend heeft beschouwen haar als moreel ideaal, zo wordt duidelijk wanneer we de argumenten van de bepalende figuren als Tolstoj en Ghandi nader bezien. Zij houden er een uitgebreide kosmologie op na, die erin uitmondt dat liefde voor de medemens het hoogste gebod is. Hun diepste drijfveer is dus een in positieve termen te verwoorden ideaalbeeld van samenleven. Deze liefde moet direct en zonder concessies gepraktiseerd worden. Hieraan ligt de overtuiging ten grondslag dat de diepste inspiratie direct uit het menselijk handelen moet spreken. Als diepste levenswaarheid is de geweldloze inspiratie zo krachtig, dat ze direct in het handelen doorwerkt. Pacifisten hebben daarbij vaak gewezen op het gevaar dat de calculerende mens, verstrikt in inschattingen en redeneringen, zich verwijdert van deze inspiratie. Hun ‘tactiek’ bestaat er dus in dat ze, door te appelleren aan de bij eenieder aanwezige ontvankelijkheid voor de idealen van goed leven, de spanning blootleggen die schuilt in het gebruik van geweld. Zij speculeren erop dat, vanwege hun indringend appel anderen gaan twijfelen aan hun overtuiging, zodat ze de ene grootse eenvoudige waarheid beseffen. Vanuit deze gedachtegang hebben de pleitbezorgers van geweldloosheid onvermoeibaar hun stem laten horen. Ze streden tegen vele vormen van onrecht en tegen toepassingen van geweld die het leed alleen maar zouden verergeren. Daarmee geraakten ze niet zelden in conflict met hun eigen omgeving. Het conflict voerden ze op het scherpst van de snede, zonder de grens van geweldgebruik te overschrijden. Een verwijt van passiviteit aan deze mensen is dus niet op zijn plaats.

Literatuur
Anscombe, E., ‘War and Murder’, in: W.Stein (ed.), Nuclear Weapons: A Catholic Response, New York 1961, pp. 393-407.
Becker, M., Deugdethiek en pacifisme. Tolstojs pacifisme in gesprek met de deugdethiek van Aristoteles en Thomas van Aquino, Amsterdam, 1997.
Holmes,R.,‘Violenceand Non-Violence’,in: R. Shaffer (ed.), Violence, New York, 1971, pp. 103-135.
Kellenberger, J. ‘A Defense of Pacifism’, Faith and Philosophy, vol. 4, nr. 2, 1987, p. 129-148.
Miles, T., ‘On the Limits of the Use of Force’, in: Religious Studies, nr. 1, 1984, pp. 113-120.
Tolstoj, L., Tolstoy on Civil Disobedience and Non-Violence, New York, 1967.

(M. Becker)