Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Fundamentalisme

betekenis & definitie

Fundamentalisme is een term waarvan de betekenis overwegend bepaald wordt door het gebruik. De term heeft door de jaren heen een wijdverbreid toepassingsgebied gekregen. Was fundamentalisme aanvankelijk van toepassing op het Amerikaanse orthodoxe protestantisme, tegenwoordig wordt het in een veel bredere context gebruikt, zoals blijkt uit woordsamenstellingen als ‘joods fundamentalisme’, ‘islamitisch fundamentalisme’, ‘economisch fundamentalisme’ en ‘verlichtingsfundamentalisme’.

Het enige wat deze termen nog semantisch met elkaar verbindt is het formele kenmerk dat mensen een bepaalde overtuiging als een absolute waarheid voorstellen, zonder daarvoor doorslaggevende argumenten of empirische aanwijzingen te hebben. Vanwege de algemene betekenis geeft James Barr in zijn studie over fundamentalisme geen definitie maar een extended description, en heeft Malise Ruthven zijn boek Fundamentalism voorzien van de ondertitel: The Searchfor Meaning. Een bijkomende complicerende factor is dat ‘fundamentalisme’ oorspronkelijk een positieve betekenis had, maar nu een ‘dirty fourteen-letter word’ is geworden, met de connotatie van bekrompenheid, achterlijkheid en intolerantie. De consequentie is dat in het publieke debat een onbevooroordeeld gebruik van ‘fundamentalisme’ niet goed mogelijk is. Het is een zó beladen term, dat hij meer geschikt is om in een debat een tegenstander onderuit te halen dan om dienst te doen in een argumentatief discours.

Vanwege deze complicaties moeten wij ons beperkingen opleggen. We richten ons op de twee prominente verschijningsvormen van het fundamentalisme. Daarbij wordt het begrip gebruikt zonder enige suggestie van positieve of negatieve normativiteit.

Christenfundamentalisme
De term ‘fundamentalisme’ is in zwang gekomen dankzij een serie brochures die onder de titel The Fundamentals: A Testimony of Truth tussen 1910 enl915 in Amerika zijn verschenen, waar ze ruime aandacht trokken. De publicatie had ten doel de ‘fundamentele waarheden van het christelijke geloof’ te verdedigen tegen bijbelkritiek, darwinisme en vrijzinnigheid. Tot die fundamentele waarheden werden gerekend: de onfeilbare inspiratie en het absolute gezag van de Heilige Schrift, de goddelijke natuur van Christus en zijn maagdelijke geboorte, de zondigheid van de mens en de verzoening door de kruisdood van Christus, de letterlijke betekenis van het scheppingsverhaal, alsmede de lichamelijke opstanding en wederkomst van Christus. Tegenwoordig nemen niet alle (christen)fundamentalisten deze voor onfeilbaar gehouden geloofswaarheden voor hun rekening. Christenen die zichzelf ‘bijbelgetrouw’ of ‘conservatief evangelisch’ noemen, hoeven niet voorstander te zijn van een onfeilbare inspiratie, eerder van een persoonlijk overtuigd worden van de waarheid van het evangelie door de getuigenis van de Heilige Geest. Christenfundamentalisten hebben evenwel drie gemeenschappelijke kenmerken:

1. grote nadruk op de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift, zodat nooit van een fout of vergissing kan worden gesproken, hoogstens van een non liquet: niet duidelijk;
2. een uitgesproken afkeer van moderne theologie en historisch-kritische exegese;
3. de overtuiging dat gelovigen die niet instemmen met genoemde fundamentele waarheden geen ‘ware christenen’ zijn.

Omdat tegenwoordig een fundamentalistische levenshouding negatief wordt gewaardeerd, noemen gelovigen die voor fundamentalistisch worden uitgemaakt zichzelf geen fundamentalisten. Ook is het niet zo dat zij over andersdenkenden altijd het oordeel uitspreken dat zij ‘valse christenen’ zijn. Hoewel ze meestal de moderne theologie voor de belangrijkste oorzaak van geloofsafval houden, geven ze toe dat de leer van de historische onfeilbaarheid van de Bijbel niet gemakkelijk te verdedigen is. Ze houden echter zo lang mogelijk vast aan de letterlijke tekst van de bijbel. Het volgende voorbeeld laat dat zien. Aan de orde is de vraag: Wie doodde Goliath? Het te verwachten antwoord zal zijn: David doodde Goliath. Dat staat immers opgetekend in 1 Samuël 17, het verhaal dat iedereen kent. Maar in 2 Samuël 21:19 staat dat Goliath gedood werd door Elchanan, de zoon van Jari, uit Bethlehem. Om de zaak nog gecompliceerder te maken staat in 1 Kronieken 20: 5 dat Lachmi, de broer van Goliath, gedood werd door Elchanan. Een nogal gezochte verklaring is dat Elchanan een andere naam voor David is. Waarschijnlijker is dat volgens de oorspronkelijke overlevering een verder onbekende Elchanan Goliath heeft gedood en dat dit later aan David werd toegeschreven om zijn moed en voortreffelijkheid als toekomstig koning te onderstrepen. Een gangbare verteltechniek in verhalen over een roemruchte stamvader. Het kan ook zijn dat alle drie vermeldingen historisch onjuist zijn, vooral ook omdat buitenbijbelse getuigenissen ontbreken.

De tweede en derde optie vormen een verklaring waartegen een fundamentalist en een bijbelgetrouwe christen zich zullen verzetten, maar wel om verschillende redenen. Een bijbelgetrouwe christen zal zeggen dat 1 Samuël 17 goed te combineren valt met 1 Kronieken 20: 5, want het is niet onwaarschijnlijk dat Goliath een broer had die even sterk was als hij. (Van beiden wordt verteld dat hun speer zo dik was als de boom van een weefgetouw.) Wat overblijft, is de onverenigbaarheid van 1 Samuël 17 met 2 Samuël 21: 19. Denkbaar is dat een bijbelgetrouwe christen de mededeling in 2 Samuël 21: 19 dat Elchanan Goliath gedood heeft opvat als een overschrijffout van het origineel, waar David gestaan zou hebben. Omdat een fundamentalist zelfs niet wil weten van overschrijffouten in de bijbel, zal hij eerder spreken van een non liquet.

Islamitisch fundamentalisme
Voor zover nu bekend werd voor het eerst in 1937 de term ‘fundamentalist’ gebruikt ter aanduiding van een radicale en soms gewapende verdediging van een islamitische traditie tegen een hedonistische Westerse levensstijl. De verdedigers van die traditie noemden zichzelf echter geen fundamentalisten - noch het Arabisch, noch het Hebreeuws heeft een woord voor fundamentalisme - dat deden in het Midden-Oosten gestationeerde westerlingen.

Orthodoxe moslims houden de koran voor het Woord van God, zoals dat door de engel Jibril (Gabriël) letterlijk aan Mohammed is gedicteerd. Ze verwerpen niet de evolutieleer, waarop zovele christenfundamentalisten hun pijlen richten. Ze vatten de evolutie op ‘als de manier waarop God de dingen doet’, waarvoor ze zich beroepen op Sura 22:5: ‘Wij zijn het die u geschapen hebben uit stof, daarna uit een druppel, daarna uit een bloedklomp, daarna uit een vleesklomp, deels gevormd en deels vormloos.’ Uit deze identificatie van schepping met evolutie blijkt dat de leer van een letterlijke inspiratie een eigentijdse interpretatie niet in de weg hoeft te staan. Elke lezing van een heilige tekst is al een interpretatie; het gaat erom welke interpretatie het meest waarschijnlijk is. Fundamentalisten zijn echter zelden bereid hierover de discussie aan te gaan.

Een ander verschil met christelijk fundamentalisme is, dat islamitisch fundamentalisme eerder politiek dan religieus is bepaald. Het wil de moslimwereld zuiveren van verderfelijke Westerse invloeden, waarbij geweld niet geschuwd hoeft te worden. Het gebruik van geweld roept binnen de islam evenwel zoveel verschil van mening op, dat men over en weer van ‘ware’ en Valse moslims’ spreekt.

Osama bin Laden beschouwt zichzelf als een vertegenwoordiger van de ware islam, op grond waarvan hij alle moslims tot een gewapende jihad tegen het Westen oproept. Politiek gematigde moslimleiders beweren dat Bin Laden geen enkel recht heeft een fatwa uit te spreken omdat hij niet behoort tot de kring van de ulama, de bevoegde uitleggers van koran, sharia en hadith. Tegenwoordig worden vooral militante moslims fundamentalisten genoemd, maar lang niet alle fundamentalistische moslims zijn militant. In de discussie over het hedendaags fundamentalisme verliest het begrip veel van zijn oorspronkelijke betekenis, en gaat ook de relatie met geweldloosheid verloren. Vandaar dat de Franse islamdeskundige Olivier Roy spreekt van islamitische neofundamentalisten, die zichzelf beschouwen als de enige ware moslims, en de idee verwerpen dat er verschillende richtingen in de Islam zouden kunnen zijn. ‘Neo’ impliceert niet alleen de onfeilbaarheid van de koran en de opvatting dat Mohammed moslims een islamitisch rolmodel heeft voorgeleefd, maar ook de overtuiging dat de traditionele verdeling van de wereld in Dar al-Islam (gebied van de islam) en Dar al-Harb (gebied van de oorlog) door de mondialisering van economie, politiek en migratie niet meer van toepassing is. Dit verklaart waarom Osama bin Laden een mondiale jihad tegen het Westen heeft uitgeroepen en waarom voor westerlingen ‘islamitisch fundamentalisme’ een synoniem voor ‘islamitisch militantisme’ is geworden. In deze woordenstrijd is elke nuance verdwenen om plaats te maken voor één overheersende betekenis van fundamentalisme: religieus-etnische achterlijkheid en gewelddadigheid. Het maakt een serieuze discussie over fundamentalisme onmogelijk. De auteurs van de hieronder vermelde literatuur doen daar niet aan mee; ze verschaffen ons een rijkdom aan genuanceerde informatie.

Literatuur
Barr, J., Fundamentalism, London, 1977.
Brown, L., Religion and State. The Muslim Approach to Politics, New York, 2000.
Ernst, C., Following Muhammad. Rethinking Islam in the Contemporary World, London, 2003.
Esposito, J., The Oxford History of Islam, Oxford, 1999.
Esposito, J., The Islamic Threat. Myth or Reality?, New York/ Oxford, 1999.
Gorenberg, G., The End of Days. Fundamentalism and the Struggle for the Temple Mount, Oxford, 2000.
Kepel G., Fitna. Guerre au cceur de l’islam, Paris, 2004.
Roy, O., Globalized Islam. The Search for a New Islam, New York, 2004.
Ruthven, M., Islam in the World (rev. ed.), London, 2000.
Ruthven, M., Fundamentalism. The Search for Meaning, Oxford, 2004.

(G. Manenschijn)