Eudaimonisme betekenis & definitie

Het begrip ‘eudaimonisme’ gaat terug op het Griekse eudaimonia en wordt doorgaans vertaald als geluk, soms als gelukzaligheid, levensgeluk of het geslaagde leven. Met ‘eudaimonisme’ worden ethische theorieën bedoeld die het (individuele of collectieve) geluk tot hoogste goed verklaren. Geluk is dan het zedelijk principe van het handelen dat principieel als streven wordt begrepen. De antwoorden op de vraag waarin dit geluk inhoudelijk bestaat, lopen evenwel uiteen. Zo identificeert het hedonisme geluk met lust. Bij Aristoteles is geluk daarentegen wezenlijk het (individueel) geslaagde leven, terwijl het utilitarisme de algemene gelukzaligheid tot principe van het zedelijk goede maakt.

Te onderscheiden zijn het eudaimonisme als psychologische theorie van het menselijk handelen en het eudaimonisme als motivatie voor de zedelijkheid. Als algemene handelingstheorie bepaalt het eudaimonisme geluk als het einddoel van het menselijk handelen, terwijl het eudaimonisme als zedelijkheidsmotivatie geluk als principe en fundament van het zedelijk goede handelen opvat.

Historische ontwikkeling

Aristoteles
Voor Aristoteles en voor vrijwel de gehele filosofische Oudheid horen beide aspecten bij elkaar. Geluk is dan zowel het hoogste goed als het laatste doel van al het menselijk handelen. De daarin gelegen eenheid van geluk en goed-zijn fundeert Aristoteles door terug te grijpen op de teleologische beschouwing van het menselijk handelen. Elk handelen vindt plaats omwille van een doel. Boven de vele singuliere doelen uit die worden nagestreefd om iets anders te bereiken, moet er een hoogste doel zijn dat omwille van zichzelf wordt nagestreefd. Dit doel, dat werkzaam is in de concrete voltrekking van het leven van de enkeling, is het hoogste goed omdat de mensen alles wat zij doen juist doen omwille van dit doel. Omdat de mensen alles wat zij doen uiteindelijk doen om gelukkig te zijn, bestaat dit hoogste goed in de gelukzaligheid (eudaimonia).

Daarmee is echter slechts een zuiver formele bepaling van het hoogste doel/goed en daarmee van de gelukzaligheid gegeven. Om inhoudelijk te kunnen bepalen waarin eudaimonia bestaat, moet in overeenstemming met de teleologische natuurfilosofie (volgens welke elk ding naar eigenvolkomenheid streeft) naar de bestemming van de mens worden gevraagd. Waarin bestaat de aan de mens eigen volkomenheid? Aristoteles houdt vast aan het voor de mens specifieke vermogen: de werkzaamheid van de rede. Daarmee hangt samen dat de mens in de polis zijn zelfverwerkelijking vindt. Alleen door zijn leven in de staat kan hij taal en rede ontwikkelen. Daarom is hij slechts een politiek wezen in de mate waarin hij over taal en rede beschikt. Het met rede begaafd zijn en het leven in de polis tonen zich zo als fundamentele wezensbepaling van de mens. Het hoogste goed en daarmee tegelijkertijd het gelukkige en vervulde leven worden bijgevolg gerealiseerd in een levenswijze waarin de theoretisch-contemplatieve existentie en de politieke existentie zijn verbonden.

Hellenisme
In de tijd van het hellenisme worden in plaats van een omvattende kosmische ordening uitsluitend de persoonlijke ervaringen en gevoelens als het oorspronkelijk menselijke beschouwd. Dit leidt tot de ethische consequentie dat de mens zijn handelen dient af te stemmen overeenkomstig zijn persoonlijke ervaringen, omdat alleen die betrouwbaar en bevattelijk zijn. Terwijl echter bijvoorbeeld Epicurus op grond hiervan geluk en lust eenvoudigweg met elkaar identificeert, ontwikkelen Aristippus en de Cyrenaïci, zijn volgelingen, een hedonisme dat als anti-eudaimonisme kan worden opgevat. De singuliere lustervaring wordt als het hoogste goed begrepen. De eudaimonie, die het hele leven van een mens omvat, wordt tot een afgeleide waarde.

De Stoa plaatst hier de gemoedsrust, de zelfbeheersing en de afwezigheid van behoeften en hartstochten als hoogste doel tegenover. Toch is ook de stoïsche ethiek eudaimonistisch - gericht op het individuele levensgeluk. Geluk/eudaimonia bestaat evenwel in de innerlijke rust. De principes voor een waarachtig zedelijk leven worden aan de menselijke natuur (beschouwd als opgenomen in een goddelijk universum) ontleend. Daarbij worden deze principes vanuit de menselijke rede bepaald en niet vanuit een luststreven dat alle levende wezens gemeen zouden hebben. Dit wordt mogelijk gemaakt door de metafysische vooronderstelling dat de individuele rede deel uitmaakt van de wereldrede. Iemand die redelijk handelt, is bijgevolg in overeenstemming met de wetten van het universum, met de natuur als geheel. Deze kosmologische fundering van de stoïsche ethiek gaat uit van de voorstelling dat in de wereld alles met natuurnoodzakelijkheid geschiedt. Uit de kosmos als continue organische eenheid volgt een volledig determinisme.

In het licht van deze algemeen deterministische wereldorde zijn vrijheid en verantwoordelijkheid (en daarmee de mogelijkheid ethisch te handelen) alleen mogelijk door inzicht in de noodzakelijkheid. Doordat de mens zich naar de (redelijke) noodzakelijkheid voegt, brengt hij zijn eigen rede in harmonie met de wereldrede. De wet waaraan het menselijk handelen moet beantwoorden, gaat terug op de wet die de kosmos regeert. Wil de mens gelukzaligheid bereiken, dan moet hij leven in overeenstemming met deze wet. Einddoel van de stoïsche ethiek is derhalve een met de natuur (als geheel) in harmonie verkerend leven. Daarom moet de wijsheid noodzakelijk het niet-redelijke deel van de ziel controleren. Deze beteugeling van de hartstochten tot het volkomen vrij van hartstocht zijn (apatheia), is de enige zekere weg tot het geluk. Geluk is dus geheel onafhankelijk van de bevrediging van natuurlijke driften. Het goede ligt in hetgeen het redelijk wezen (overeenkomstig zijn natuur als redelijk wezen) volkomen maakt. Al het andere (leven-dood, lust-pijn, armoede-rijkdom enzovoort) zijn onbetekenende zaken (adiafora) die niets bijdragen aan het levensgeluk.

Christelijke traditie
In de christelijke traditie blijft het individueel-eudaimonistische uitgangspunt van de oudheid in principe behouden. De aristotelische leer van het filosofisch geluk wordt echter op enkele punten gewijzigd. Zo knoopt Thomas van Aquino aan bij Aristoteles als hij ervan uitgaat dat goed is waarnaar de begeerte streeft. Van de wil spreekt hij pas waar het om het (geestelijke) streefvermogen van de rede gaat. De wil is vrij en op het goede gericht. Zedelijk goed is het goede als het met de rede overeenstemt. Principes van de zedelijkheid zijn dan de in de menselijke rede liggende principes van de natuurlijke zedenwet. Deze zijn toegankelijk door het deelhebben van het redelijk schepsel aan de goddelijke wet. Het zedelijk goede wortelt in het hoogste zijn, in God. God is het alomvattende wezen van al het goede en derhalve doel van al het begeren. Daarmee bestaat het hoogste goed in het theoretisch godsbesef. Deze ‘schouwing’ van God is geen natuurlijk doel meer van de mens, maar een bovennatuurlijk doel dat niet meer met natuurlijke middelen bereikbaar is. Op deze manier wordt de natuur door de bovennatuurlijke genade vervolmaakt. Daarmee wordt het aanschouwen van God het summum van geluk.

Moderne tijd
In de ethiek van de middeleeuwen worden het goede en de gelukzaligheid bijgevolg theocentrisch bepaald. In de moderne tijd worden het goede en de gelukzaligheid antropocentrisch bepaald. Geluk wordt het wezen van de bevrediging en vervulling van driften, behoeften, hartstochten enzovoort. Nieuw is de ontwikkeling van een sociaal-eudaimonisme. Hier is het grootst mogelijke geluk van een zo groot mogelijk aantal van aan de handeling onderhevige personen het criterium voor het goede handelen. In het middelpunt staat derhalve niet het doel van het eigen levensgeluk, maar het geluk van de menselijke gemeenschap.

Kritiek op het klassieke eudaimonisme
De kritiek van Kant richt zich tegen de aanspraak van het eudaimonisme om het geluk in deze zin (bevrediging/vervulling van behoeften, belangen enzovoort) als hoogste nastrevenswaardig goed op te vatten. Gelet op de grote verscheidenheid van menselijke belangen zijn de geluksverwachtingen en -ervaringen zo verschillend dat het onmogelijk is ‘geluk’ inhoudelijk te bepalen. Doorslaggevend argument tegen het eudaimonisme (in deze zin) is dat hier de moraliteit slechts een middel tot de gelukzaligheid is. Het goede dient volgens Kant daarentegen onvoorwaardelijk te zijn, dat wil zeggen omwille van het goede te worden gedaan. Daarmee wijst hij geluk als motief van de hand. Het goede moet geheel onafhankelijk zijn van nut en voordeel. Om de algemene geldigheid van het zedelijke te redden, ontwikkelt Kant zijn formalistische ethiek die al het materiële en elke neiging uitsluit. In Kants opvatting degradeert het eudaimonisme de moraliteit tot een louter hypothetische imperatief (als middel tot de gelukzaligheid). Kant stelt er de categorische imperatief, de radicale onafhankelijkheid van het goede van het eigen nut en voordeel, als mogelijkheid tegenover.

Maar voor Kant is ‘geluk’ wezenlijk de vervulling van alle persoonlijke neigingen. Dat komt veeleer overeen met de hedonistische positie van Epicurus dan met het klassieke eudaimonisme. Zo stelt hij het handelen omwille van de eigen gelukzaligheid gelijk met het handelen uit eigenliefde. Dat is echter geenszins van toepassing op het klassieke eudaimonisme. Hier (bijvoorbeeld bij Plato en Aristoteles) is het geluk (als summum van het geslaagde leven) niet het loon van de deugd (zoals Kant oordeelt), maar het geluk ligt in de deugd zelf. Daarmee is het geluk zelf zedelijk gekwalificeerd. Moraliteit is dan zelf bestanddeel van het doel en niet slechts een middel om het doel te bereiken. Maar ook het eudaimonisme van de christelijke ethiek wordt niet door Kants kritiek geraakt. Daar wordt niet eenvoudig het geluk als doel genoemd, maar veeleer de waardigheid tot het geluk. Ook hier wordt moraliteit tot doel.

Actuele posities
Pas in de twintigste eeuw kan er een significante terugkeer van antieke posities worden gesignaleerd. Het meest opvallend is het teruggrijpen op het concept van de ‘zelfzorg’. Michel Foucault begrijpt die zelfzorg als een bekommernis van het subject voor zichzelf, waardoor een praxis van vrijheid pas mogelijk wordt. Via de zelfzorg betrekt de ethiek zich weer op het reguliere leven van het individu.

Otfried Höffe heeft een rehabilitatie van de eudaimonistische ethiek als aanvulling op de ethiek van Kant ondernomen. Nadat Kant in plaats van het principe eudaimonie/geluk de moraal van de autonomie als centraal begrip binnen de moraal heeft aangewezen, moet de taak van de eudaimonistische ethiek bescheidener worden geformuleerd. Principieel bestaat deze in de eudaimonistische kritiek van illusoire (zin)verwachtingen. Doeleinden die uitsluitend als ‘tussendoeleinden geschikt zijn (genotleven, geldwinning, machtsstreven) moeten worden bekritiseerd.

Literatuur
Foucault, M., De zorg voor zichzelf, vertaald door K. van Dorsselaer, Nijmegen, 1985 (1984).
Höffe, O., Grundlegung zur Metaphysik der Sitten: ein kooperativer Kommentar, Frankfurt/M., 1989.
Jost, L.J., R.A. Shiner, Eudamonia and Well-being: Ancient and Modern Conceptions, Kelowna BC, 2002
Krämer, H., Integrative Ethik, Frankfurt/M., 1992.

(E. Kos)

Gepubliceerd op 19-04-2017