Ethos betekenis & definitie

Het begrip ‘ethos’ (van het Griekse ethos) duidt oorspronkelijk op de plek van het wonen, in een uitgebreidere betekenis ook op de rol, het karakter, en later ook wel op ‘gewoonte’ of ‘zede’. Wie bepaalde morele beginselen tot gewoonte maakt, handelt niet louter overeenkomstig conventies die door derden zijn vastgelegd, maar brengt ook een onmiskenbaar eigen moreel besef tot uitdrukking. Deze individuele betekenis van het begrip ‘ethos’ zien we in de huidige ethiek terug, zij het nu vaak polemisch gericht tegen opvattingen van ethiek waarin de voorgegeven regels van een traditioneel ethos worden gevolgd. In tegenstelling tot deze kritische opvattingen over heersende morele regels wordt het begrip ‘ethos’ wel gebruikt om de positieve zijde van een voorgegeven moraal te belichten, waarin het verantwoordelijke subject geografisch en historisch is ingebed. Er is dan ook sprake van een groot aantal opvattingen van ‘ethos’ die zich in de loop van de geschiedenis hebben ontwikkeld en die elkaar deels beconcurreren waar het gaat om de adequate opvatting van het zedelijk goede en juiste.

Theoretische discussies
Het uit de antieke moraalfilosofie overgenomen begrip wordt bij ons pas tegen het eind van de negentiende eeuw als leenwoord gebruikt. Het heeft geen scherpe contouren zolang er niet aan de geldigheid van morele regels in een bepaalde gemeenschap getwijfeld wordt. Ethos is dan een zuiver descriptief begrip dat zich leent voor het aanduiden van een aangetroffen canon van gebruiken. Dit vasthouden aan gebruiken wordt echter problematisch zodra de consensus over de erkenning van de regels in een gemeenschap niet langer is gegarandeerd. De ethische reflectie verhoudt zich principieel kritisch en gereserveerd ten opzichte van overgeleverde ethosvormen die snel de verdenking op zich laden een onbevooroordeelde toetsing van de geldigheidsaanspraken te onderdrukken. In het kielzog van de Duitstalige ‘rehabilitatie van de praktische filosofie’ gedurende de jaren zeventig van de vorige eeuw was de vooral door Kluxen ondernomen reanimatiepoging van een ethiek van het ethos een paradoxale interventie, die als correctief op een normkritische en al het voorgegevene in twijfel trekkende ethiek moest dienen. Het teruggrijpen op het ethos maakte duidelijk dat morele reflectie niet steeds bij nul begint en evenmin buiten elke context plaatsvindt maar van overgeleverde regels kan profiteren.

Het ethos is om te beginnen een descriptieve grootheid die met de methoden van het empirische sociale onderzoek (sociologie, etnologie) onderzocht kan worden. De habitustheorie van Pierre Bourdieu biedt een geschikt instrumentarium voor de reconstructie van duurzame disposities als structuurprincipe van handelingspatronen. Lastiger is de overgang van de neutraal te beschrijven regels naar de normatieve claims die met een concreet doorleefd ethos worden verbonden. Voor zover het niet slechts om een persoonlijke levensstijl gaat, hebben de regels van een historisch contingent ethos een verplichtend karakter voor de leden van een gemeenschap. Maar hoewel men erop kan wijzen dat de overgeleverde normen zich tot dusverre hebben bewezen , kunnen conflicten bij vragen omtrent de toepassing niet worden uitgesloten. En steeds bestaat het gevaar dat aan terechte kritiek niet wordt toegelaten. Juist daarom is er een ‘ethiek van het ethos’ (Kluxen 1974) nodig die een bijzondere rol kan spelen bij de herleving van een eigentijdse deugdethiek.

Als er een goede balans gevonden wordt tussen innovatievermogen en vasthouden aan hetgeen zich heeft bewezen, krijgt het ethos een uitgesproken verlichtende en oriënterende functie. Maar ook dan blijven we op een pluraliteit van ethosvormen aangewezen. De tegenstrijdigheden van deze ethosvormen leiden tot de vraag naar een onafhankelijke beoordelingsinstantie. Maar omdat een dergelijk onafhankelijk perspectief niet bestaat, moeten de gegeven ethosvormen worden geconfronteerd met de eis om zoveel mogelijk zelfkritische momenten in het eigen moraalsysteem in te bouwen, om zo de onaantastbaarheid van de eigen ideologie en de geslotenheid van de eigen gemeenschap tegen te gaan. Deze zelfkritische houding geldt vanzelfsprekend ook voor de ethiek, waardoor er niet alleen sprake zou moeten zijn van een ‘ethiek van het ethos’, maar ook van een ethos van de ethiek dat gekenmerkt wordt door scepsis ten aanzien van moraaltheoretische reflectie. Want ethici zijn niet de constructeurs en waarborgers van een nieuwe morele orde, maar in alle belangrijke praktische beslissingen ‘eenvoudige “medeburgers” in het ethos’ (Fleischer 1995, p. 53).

Relevantie voor praktische vragen
Onafhankelijk van deze discussies heeft het begrip ‘ethos’ een lange traditie in de praktische velden van de beroepsethiek. Men spreekt van het ethos van een arts, van een ingenieur, van een ondernemer, van een leraar enzovoort, en bedoelt daarmee een voorgegeven kennisoriëntatie die zich binnen de betreffende beroepsgroep over een lange periode heeft ontwikkeld. De complexiteit van de huidige eisen maakt echter duidelijk dat deze traditionele achtergrond van vanzelfsprekendheden en gebruiken vaak niet meer toereikend is en moet worden uitgebreid met adequatere methoden van ethische oordeelsvorming.

In de multiculturele samenleving leidt het conflict tussen de particuliere ethosvormen tot een verlies van een gemeenschappelijk oriëntatiepunt voor zover over minimale regels geen overeenstemming meer kan worden bereikt. De ethosvormen bepalen dan weliswaar de groepsidentiteit op het niveau van de betreffende interne moraal, maar gaan geen gesprek aan met vreemde culturen, religies, groepen en levensstijlen. Om die reden worden de inspanningen voor een rehabilitatie van het ethos vaak zeer kritisch benaderd. Na de twintigste eeuwse breuken in de beschaving is het nauwelijks meer mogelijk traditionele vormen van gemeenschapsvorming (etnische saamhorigheid, nationalisme, patriottisme enzovoort) klakkeloos te aanvaarden. Om die reden keert men zich ook tegen Hegels idee van een ‘onbevangen substantiële zedelijkheid’ die moeilijk te verenigen is met een posttraditionele ethiek in de geest van de verlichting (Apel 1988).

Om de vorming van een wereldwijde communicatiegemeenschap niet te hinderen zijn pogingen ondernomen de ethosgedachte vanuit lokaal begrensde perspectieven uit te breiden tot een ideaal van wereld-burgerdom. Een voorbeeld daarvan is het door Hans Küng voorgestelde project van een wereldethos dat de fundamentele regels van een vreedzaam samenleven van culturen en religieuze groeperingen moet waarborgen.

Literatuur
Apel, K.-O., Diskurs und Verantwortung. Das Problcm des Übergangs zur postkonventionellen Moral, Frankfurt/M., 1988.
Bourdieu, E, La Distinction. Critique sociale du jugement, Parijs, 1979.
Fischer, J., ‘Weltethos in Politik und Wirtschaft - eine realisierbare Idee’, in: J. Fischer, Handlungsfelder angewandter Ethik, Stuttgart, 1998, pp. 228-236.
Fleischer, H., Ethik ohne Imperativ. Zur Kritik des moralischen Bewußtseins, Frankfurt/M., 1987.
Fleischer, H., ‘Notizen über Ethik und Ethos’, in: M. Endreß (Hrsg.), Zur Grundlegung einer integrativen Ethik. Für Hans Kramer, Frankfurt/M., 1995, pp. 40-55.
Kluxen, W., Ethik des Ethos, Freiburg/München, 1974.
Kluxen, W., ‘Ethik und Ethos’, in: Handbuch der christlichen Ethik. Bd. 2, Freiburg/Basel/Wien, 1993, pp. 518-532.
Kluxen-Pyta, D., Nation und Ethos. Die Moral des Patriotismus, Freiburg/München, 1991.
Küng, H., Projekt Weltethos, München/Zürich, 1990.
Wieland, G., ‘Ethik als praktische Wissenschaft’, in: L. Honnefelder, G. Krieger (Hrsg.), Philosophische Propadeutik. Bd. 2: Ethik, Paderbom, 1996, pp. 9-70.

(W. Lesch)

Gepubliceerd op 19-04-2017