Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Decisionisme

betekenis & definitie

De term ‘decisionisme’ is afgeleid van ‘decisie’, (van het Latijnse deddere - afhouwen), dat zoveel als ‘beslissing’ (de knoop doorhakken) betekent. Carl Schmitt, die het begrip ‘decisionisme’ heeft ingevoerd, gebruikt het als aanduiding van de opvatting dat de beslissing voor een prescriptieve norm of een handelwijze (hetzij principieel of onder bepaalde randvoorwaarden) een voldoende grond kan zijn voor de legitimiteit van deze norm of handelwijze, terwijl de betreffende beslissing zelf niet meer zinvol gefundeerd kan worden op daaraan voorafgaande gronden. Decisionisme is dus iets heel anders dan de systematische reflectie op beslissingen, zoals in de beslistheorie wordt doorgevoerd.

Contexten van ‘decisionisme’
Omwille van de helderheid is het goed tenminste drie contexten te onderscheiden waarin het begrip ‘decisionisme’ een specifieke betekenis toekomt, namelijk de rechtstheorie, de sociale wetenschappen en de ethiek.

Rechtstheorie
In de rechtstheoretische context staat ‘decisionisme’ voor een theorie van de geldigheid van (vooral constitutionele) gerechtelijke normen, die diametraal tegenover het natuurrechtsdenken staat, alsmede voorwaardelijk tegengesteld is aan het normatieve rechtspositivisme. Terwijl het rechtspositivisme van iemand als Hans Kelsen (1960), vanwege het belang van de rechtszekerheid, zich geheel op het normatief gesloten rechtssysteem richt en het probleem van normstelling naar de periferie van de rechtsleer verdringt, stelt het decisionisme dit probleem juist in het centrum van de rechtstheorie. Het is niet geïnteresseerd in de rechtszekerheid en de strikte regelgebondenheid van universele wettelijke normen, maar veeleer in de ‘uitzonderingstoestand’ en in het karakteristieke van singulier interveniërende ‘maatregelen’. Het decisionisme claimt tegenover het positivisme dat juridische beslissingen nooit volledig door de logica van een gegeven wettelijke reglementering zijn ‘voorgetekend’. In zoverre heeft het decisionisme veel verwantschap met een natuurrechtelijk georiënteerde kritiek op het positivisme. Maar tegelijk is het decisionisme in sterke mate strijdig met natuurrechtelijke opvattingen, evenals met het gezonde verstand. Terwijl deze de opvatting impliceren dat het door positieve normen niet volledig gedetermineerde rechtsbesluit zich ook op ‘bovenpositieve’ principes kan en moet oriënteren, stellen de vertegenwoordigers van het decisionisme dat beslissingen 'normatief beschouwd’ volstrekt ‘uit het niets geboren’ zijn (Schmitt 1990, p. 31).

De opvatting dat beslissingen die zelf niet meer te normeren zijn, niettemin normstellende kracht zouden kunnen hebben, heeft een bijzondere betekenis in het constitutioneel recht omdat normen hier immers niet meer door rangschikking onder vooronderstelde positieve normen kunnen worden gegenereerd. Volgens de decisionistische opvatting kan de geldigheid van constitutionele normen uiteindelijk alleen afgemeten worden aan het doorzettingsvermogen van de wetgevende politieke soeverein. In deze zin kenschetst Schmitt het dictum ‘de heerser, niet de waarheid maakt de wet’ (auctoritas, non veritas facit legem) van Thomas Hobbes als de ‘klassieke formule’ van het decisionisme (Schmitt 1990, p. 32).

Sociale wetenschappen
In de sociologie en politicologie is een ‘decisionistische model’ gangbaar, dat meestal wordt gebruikt als tegengesteld aan het ‘technocratische model’. Het decisionistische politieke model dat sterker op Max Weber dan op Carl Schmitt is georiënteerd, geeft de voorkeur aan een strikte scheiding tussen wetenschappelijke experts en politici. Experts stellen technisch-instrumentele feitenkennis beschikbaar die de succesvolle en efficiënte realisering van de doeleinden mogelijk maakt (Habermas 1968). De politiek verantwoordelijke personen daarentegen beslissen over programmatische doelstellingen, die principieel niet toegankelijk zijn voor een wetenschappelijke fundering of kritiek.

Ethiek
In de ethiek wordt het decisionisme doorgaans, evenals het emotivisme, als een specifieke vorm van het (meta-)ethisch noncognitivisme begrepen (bijvoorbeeld Habermas 1973). Maar decisionisme en noncognitivisme kunnen niet aan elkaar worden gelijkgesteld. Als meta-ethische these stelt het decisionisme dat elke poging van fundering van de moraal in laatste instantie op niet nader te funderen beslissingen moet teruggaan. Als normatief-ethische these stelt het ethische decisionisme dat geldige morele normen hun oorsprong in een beslissing zouden moeten hebben. Men kan echter betwijfelen of het moraalfilosofisch decisionisme wel als een normatief-ethische conceptie te begrijpen is. Het begrip ‘geldigheid’ dreigt zijn specifieke, namelijk contrafactische (‘tegenfeitelijke’) zin te verliezen wanneer geldigheid volledig door de feitelijkheid van niet meer door redenen te bekritiseren beslissingen afhankelijk wordt gemaakt. Het is dan namelijk - evenals bij andere noncognitivistische theorieën - moeilijk in te zien hoe het onderscheid tussen normatieve geldigheid en feitelijke gelding is te handhaven. In zoverre kan het decisionisme niet consistent als normatief-ethische conceptie worden verdedigd.

Historische ontwikkeling
De geschiedenis van het decisionisme is goed beschreven (zie Hoffmann 1971; Bielefeldt 1994; Löwith 1960). Het rechts- en politiekwetenschappelijk decisionisme was vooral in het Duitsland van de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw invloedrijk en hoort volgens velen tot de stromingen die ideologisch de weg hebben vrijgemaakt voor het nationaalsocialisme. Tegen deze achtergrond werden al vroeg ideeën- en sociaalhistorische pogingen ondernomen het decisionisme als specifiek Duitse ideologie sociaalhistorisch te verklaren of cultuurhistorisch begrijpelijk te maken (Plessner 1974; Dahrendorf 1965; Lukacs 1955; Elias 1989). Ook in de filosofie (bijvoorbeeld Heideggers existentiefilosofie met het centrale begrip van de Entschlossenheit) en de protestantse theologie waren decisionistische denkpatronen gedurende de jaren twintig en dertig erg in trek.

Het rechts- en moraalfilosofisch decisionisme is uiteraard ouder dan het begrip. Ideeënhistorisch kunnen we het decisionisme begrijpen als een secularisatie van het nominalistisch voluntarisme van de late middeleeuwen. Volgens deze stroming is de geldigheid van morele geboden alleen op Gods vrije wetgeving terug te voeren: al het buitengoddelijke is slechts daarom goed omdat God het wil, en het is niet omgekeerd zo, dat het door God gewild wordt omdat het goed zou zijn. Thomas Hobbes bracht de aan geen voorafgaande normen gebonden ‘potentia Dei absoluta’ (de absolute macht Gods) over op de politieke soeverein en voorzag het positieve recht van deze wetten van een onbeperkte, door geen enkele tegenwerping van het geweten aan te tasten autoriteit. Maar de verabsolutering van de politieke soevereiniteit was voor Hobbes, anders dan voor Schmitt, geen doel op zichzelf. Zij stond geheel in dienst van de verdediging tegen het gevaar van een burgeroorlog. Bij Schmitt daarentegen staat het in de context van een politiek existentialisme, dat voor de behoefte aan zekerheid van het burgerdom, de altijd tot compromissen bereid zijnde ‘discussiërende klasse’, slechts minachting heeft.

Het rechtsfilosofisch decisionisme van Carl Schmitt werd na de oorlog - door zijn verwevenheid met de ideologie van het nationaal-socialisme - aanvankelijk als compromitterend ervaren. Elementen van een ethisch decisionisme bleven echter vooral in existentialistische situatie-ethieken een grote rol spelen. Zo treft de mens volgens Sartre geen voorgegeven normen of waarden aan. Ethische oriëntatie verwerft hij veeleer alleen op basis van een zelfontwerp dat niet slechts op een ideaal van de eigen persoon maar van de mens als zodanig is gericht (Sartre 1946). Rechtstreeks aanknopend bij Schmitts begrippenkader zette in Duitsland vooral Hermann Lübbe zich in voor een rehabilitatie van het ethisch en politiek decisionisme. Uitgaande van de these dat beslissingen nooit volledig met redenen omkleed zijn, zodat een ‘beslissingssituatie altijd een uitzonderingssituatie’ betekent, benadrukt hij dat de ‘kloof van de onzekerheid’ over welk alternatief het correcte of betere is, door een niet verder te rationaliseren beslissing overbrugd moet worden. Daarbij gaat het hem naar eigen zeggen niet om het formuleren van regels van het schrandere beslissen in onzekere omstandigheden zoals in Descartes’ ‘provisorische moraal’, maar om de erkenning van het feit dat beslissen uiteindelijk ook in democratieën de laatste instantie van wetgeving representeert: ‘Elk debat eindigt ermee dat er in plaats van redenen, handen worden getoond’ (Lübbe 1971, p. 29.) Van het consequente decisionisme dat Carl Schmitt in de jaren twintig vertegenwoordigde, onderscheidt zich Lübbe’s decisionisme door de bijzondere en deels tegenstrijdige vermenging met een aan Gehlen herinnerend vertrouwen in instituties en het conventionele beroep op het gezonde verstand (vergelijk Kleger 1990).

In de huidige moraalfilosofische discussie worden relatief zelden standpunten ingenomen die zich zelf als decisionistisch beschouwen. Decisionistische elementen daarentegen kunnen in vrijwel alle contemporaine ethieken gevonden worden. Grofweg zijn daarbij twee varianten van het ethische decisionisme te onderscheiden. De ene variant bestaat in de aanname dat er op de vraag ‘waarom moet men eigenlijk moreel zijn?’ geen voldoende overtuigend antwoord te geven is, zodat wij een persoon die zich bewust tegen het moreel-zijn opstelt alleen met min of meer zwakke, in elk geval niet doorslaggevende, intelligente redenen of met sanctiedreigingen kunnen benaderen. In de andere variant is het decisionisme niet op de geldigheid van de ethiek als geheel gericht, maar op bepaalde inhouden die op een bepaald ogenblik als bindend worden beschouwd; volgens het decisionisme zijn die afhankelijk van subjectieve waardebeslissingen van handelende personen Cbij voorbeeld Hare 1983;Sartre 1946). In beide varianten komt het ethisch decisionisme snel in het vaarwater van het relativisme.

Praktische toepassingen
Gezien de aanspraken die morele oordelen hebben, lijkt het moraalfilosofisch decisionisme contra-intuïtief (Habermas 1991). Omdat elke vorm van moraalfilosofisch decisionisme de idee van de geldigheid van morele normen aantast, is het vanuit normatief-ethisch perspectief principieel onbevredigend. En het feit dat beslissingen steeds tot op zekere hoogte onder niet optimale voorwaarden genomen moeten worden, dwingt geenszins tot een ethisch decisionisme, zoals Lübbe meent. In situaties waarin een handelingsoriëntatie op morele gronden helemaal niet meer mogelijk is, kan men gewoon niet meer zinvol spreken van ‘te rechtvaardigen handelen’, of van ‘beslissingen’, maar alleen nog van een te verontschuldigen gedrag. Het ontbreekt de moreel handelende persoon immers aan handelingsvrijheid. In alle andere situaties berust handelen (of richt het zich) altijd op de een of andere manier op gronden die voor morele kritiek vatbaar zijn. Zelfs wanneer een persoon die geconfronteerd wordt met een onoplosbaar moreel dilemma, voor een van de beide ‘even slechte’ opties kiest, handelt hij in zekere zin op basis van redenen (namelijk op basis van de ethische norm dat ten overstaan van moreel gelijke opties de keuze willekeurig is).

Literatuur
Bielefeldt, H., Kampf um Entscheidung: Politischer Existentialismus bei Carl Schmitt, Helmuth Plessner und Karl Jaspers, Würzburg, 1994.
Dahrendorf, R., Gesellschaft und Demokratie in Deutschland, Frankfurt/M., 1965.
Elias, N.. Studien über die Deutschen, Frankfurt/M., 1989.
Habermas, J., Legitimationsprobleme im Spätkapitalismus, Frankfurt/M., 1973.
Habermas J., Erläuterungen zur Diskursethik, Frankfurt/M., 1991.
Hare, R., The Language ofMorals, Londen, 1952.
Heidegger, M., Zijn en tijd, vertaald door M. Wildschut, Amsterdam, 1998 (1927).
Hoffmann, H., ‘Dezision/Dezisionismus’, in: J. Ritter, K. Gründer (Hrsg.) Historisches Wörterbuch der Philosophie, Stuttgart, 1971, pp. 612-648.
Kelsen, H., Reine Rechtslehre, Wenen, 1960.
Kleger, H., Diskurs und Dezision. Politische Vernunft in der wissenschaftlich-technischen Zivilisation: Hermann Lübbe in der Diskussion, Wenen, 1990
Löwith, K., ‘Der okkasionelle Dezisionismus von Carl Schmitt’, in: Gesammelte Abhandlungen, Stuttgart, 1960 (1935).
Lübbe, H., Theorie und Entscheidung. Studiën zum Primat der praktischen Vernunft, Freiburg i.Br., 1971.
Lukacs, G., Die Zerstörung der Vernunft, Berlijn, 1955.
Plessner, H., Die verspatete Nation, Frankfurt/M., 1974 (1959).
Sartre, J.-R, Over het existentialisme, vertaald door C. Hendriks en J. Holierhoek, Utrecht, 1985 (1946).
Schmitt, C., Politische Theologie, Berlijn, 1990 (1922).

(M.Werner)