Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Contractualisme

betekenis & definitie

In de ethiek en de politieke filosofie is sprake van ‘contractualisme’ (of een theorie van het maatschappelijk verdrag) als een concept van moraal (of een theorie van recht en staat) wordt gelegitimeerd vanuit de gedachte van een overeenkomst tussen alle burgers of van alle redelijke wezens. Het maatschappelijk verdrag wordt niet als historische verklaring voor het ontstaan van een staat gezien, maar als een fictie met een legitimerende doelstelling.

Historische ontwikkeling
De gedachte van een maatschappelijk verdrag wordt historisch vooral belangrijk vanaf de zeventiende eeuw. In die tijd wordt de oorlog tussen aanhangers van verschillende religies een probleem voor de stabiliteit van maatschappij en samenleven. Tegen deze achtergrond ontstaat de behoefte om principes voor het samenleven te vinden die niet van religieuze of morele veronderstellingen afhankelijk zijn. Thomas Hobbes’ Leviathan geldt als het eerste fundamentele contractualistische werk. Volgens Hobbes zijn de mensen in de natuurtoestand van elkaar onafhankelijk en in hun handelen niet aan morele of juridische wetten en morele intuïties gebonden. Daarmee vormen ze een bedreiging voor elkaar. In het maatschappelijk verdrag zien de deelnemers af van de mogelijkheid om geweld uit te oefenen. Zij besteden dit uit aan de heerser. Op deze wijze ontstaat een staat die zich ten doel stelt de veiligheid van burgers te beschermen. De deelnemers aan het verdrag hebben door het bestaan van die staat een instrumentele reden om van het uitoefenen van bepaalde handelingsmogelijkheden af te zien. Het is een middel voor hun veiligheid, die voor iedereen fundamentele voordelen met zich meebrengt (bijvoorbeeld het kunnen plannen op lange termijn, stabiliteit van eigendomsverhoudingen, het floreren van cultuur). De doelstelling om veiligheid te garanderen maakt het noodzakelijk dat de burgers de heerser altijd moeten respecteren en gehoorzamen. Jean-Jacques Rousseau deelt Hobbes’ visie op de instrumenteel-legitimerende functie van het verdrag. Maar bij hem dient de overeenkomst tussen de burgers in het contrat social niet zozeer de vrijheidsrechten van het individu maar de gemeenschappelijk wil van alle leden van de politieke gemeenschap.

Daarentegen ziet John Locke de natuurtoestand als een harmonische co-existentie van individuen die alleen die wetten gehoorzamen die zij als redelijke wezens, op basis van het natuurrecht, als redelijk beschouwen. Het maatschappelijk verdrag is een overeenkomst waardoor de uitoefening en handhaving van bepaalde natuurlijke rechten van het individu aan de staat wordt overgedragen. Dit resulteert onder meer in het geweldsmonopolie van de staat. Deze heeft de autoriteit om een bindende uitleg van het natuurrecht te geven. De gedachte van het maatschappelijk verdrag is aan de ene kant een legitimatie van recht en staat; aan de andere kant wordt er ook een beperking van mogelijkheden van legitieme machtsuitoefening mee vastgelegd.

Bij Immanuel Kant speelt de gedachte van het maatschappelijk verdrag geen rol bij de legitimatie van de moraal, omdat mensen als redelijke wezens al inzicht hebben in de morele wet. Wel is er sprake van een verdrag aangaande de legitimatie van de staat. Maar ook hier is het verdrag niet als instrumentele legitimatie te begrijpen omdat de institutie van de staat tegen de achtergrond van een transcendentaal-filosofische fundering van het recht moet worden begrepen, die met de fundering van de moraal samenhangt (Steigleder 2002). Het is dus zeer de vraag of het verstandig is Kants filosofie van moraal en recht als contractualistisch aan te merken.

John Rawls gebruikt de gedachte van een ‘oorspronkelijke situatie’ als een instrument om onze fundamentele rechtvaardigheidsintuïties te toetsen. In de fictieve oorspronkelijke situatie weten wij niets over onze concrete situatie in de maatschappij. We weten bijvoorbeeld niet hoe het met onze maatschappelijke kansen gesteld is. Behoren we tot de kansrijken of juist tot de kansarmen? Rawls vraagt dan: welke rechtvaardigheidsprincipes zouden wij in die situatie kiezen? De gedachte van een maatschappelijk verdrag heeft hier dus de functie onze rechtvaardigheidsintuïties te toetsen in het licht van de fundamentele gedachte dat deze uiteindelijk onpartijdig dienen te zijn. Vanwege deze morele inzet heeft ook bij Rawls de gedachte van het verdrag geen instrumenteel-egoïstische fundering.

Kritische overwegingen
In de theoretische discussie rond het contractualisme vallen verschillende dimensies te onderscheiden. Ten eerste gaat het om de relatie tussen politieke filosofie en ethiek. Verwoordt het contractualisme in het licht van de gedachte van een maatschappelijk verdrag uiteindelijk een bindende moraal? Of moet het enkel als een politieke theorie worden beschouwd die geen aanspraak maakt op kennis aangaande morele plichten die ook het niet-politieke handelen betreffen? Rawls’ doctrine van het politiek liberalisme is een poging tot het laatste. Daarbij rijst volgens critici echter de vraag hoe het politiek liberalisme, wanneer het niet in politiek morele verplichtingen is gegrondvest, voorschriften en normen kan aanreiken.

Een verdere vraag luidt wat de noodzakelijke elementen van een contractualistische theorie zijn. Dienen contractualistische theorieën er noodzakelijk van uit te gaan dat actoren slechts die verplichtingen aanvaarden die tegemoet komen aan hun eigenbelang? In de lijn van Hobbes wordt getracht fundamentele morele principes zo te duiden. Met name de speltheoretische varianten (Gauthier 1986) van het contractualisme hebben hier opzien gebaard. Maar met name binnen de ethiek wordt betwijfeld of het mogelijk is vanuit een niet-morele reden (eigenbelang) tot aanvaarding van een moreel principe te komen. Waar een uiteindelijk in egoïsme gefundeerde visie op sociale en politieke plichten voorstelbaar is, lijkt egoïsme een weinig overtuigend fundament voor de aanvaarding van morele verplichtingen. Wellicht daarom oriënteren vele hedendaagse contractualisten zich op het werk van Rawls, dat het maatschappelijk verdrag niet als moreel fundament beschouwt maar als theorie over onze fundamentele rechtvaardigheidsintuïties (in deze context moet ook Scanlon 1998 genoemd worden). Daarbij wordt expliciet geen egoïstische antropologie verondersteld.

De verdedigers van het contractualisme claimen dat hun theorieën niet op ontoetsbare metafysische veronderstellingen rusten. Verder zien ze het als voordeel dat hun theorieën heel direct bij politieke thema’s aansluiten. Door de nadruk te leggen op het eigenbelang van iedere actor lijkt voor eenieder een motivatie te bestaan om contractualistische principes te accepteren: deze komen tegemoet aan ieders uiterst fundamentele behoefte aan maatschappelijke veiligheid.

Alle contractualistische theorieën roepen discussie op met betrekking tot antropologische vragen. Critici hebben gesteld dat het concept van een uitsluitend op eigen belangen gerichte actor in antropologisch opzicht te kort schiet. Het moge gelden voor de actor als rationele kiezer, maar het concept van de persoon wordt te atomistisch en individualistisch begrepen (Taylor 1979). Met name vanuit het communitarisme, de zorgethiek en het feminisme zijn deze punten naar voren gebracht. Bovendien keert steeds opnieuw de vraag terug of het concept van de natuurtoestand en de daarin gebruikte antropologische aannames niet al te Westers zijn.

Een verdere, veel gestelde vraag luidt, in hoeverre door de nadruk op het contract tussen rationele actoren sommige moreel relevante categorieën, zoals handelingsonbekwame mensen, dieren en het milieu, buiten beschouwing blijven. Legt het contractualisme niet te zeer de nadruk op onderhandelingen tussen sterke actoren die voor elkaar een bedreiging vormen? Ook is de kwestie relevant of met behulp van het contractualisme alleen negatieve rechten (vrede, veiligheid, eigendom) kunnen worden beargumenteerd (Nozick 1974), of dat ook positieve sociale rechten en verplichtingen een plek kunnen hebben (Pogge 2002). Tenslotte stelt zich de vraag in hoeverre het maatschappelijk verdrag alleen als legitimatie van nationale staten moet worden beschouwd of ook als legitimatie van morele principes ten behoeve van internationale politieke instituties en relaties.

Literatuur
Boucher, D. P Kellz (eds.), The Social Contract From Hobbesto Rawls, London, 1994.
Gauthier, D., Morals by Agreement, Oxford, 1986.
Hobbes, T., Leviathan, vertaald door W.Krul en B. Tromp, Meppel, 2002 (1985) (1651).
Kersting, W., Die politische Philosophie des Gesellschaftsvertrags, Darmstadt, 1996.
Locke, J., Two Treatises of Government, ed. by W.Carpenter, Londen, 1978 (1690).
Nozick, R., Anarchy, State, and Utopia, Oxford, 1974.
Pogge, T., World Poverty and Human Rights: Cosmopolitan Responsibilities and Reforms, Cambridge, 2002.
Rawls, ]., Een theorie van rechtvaardigheid, vertaald door Frank Bestebreurtje, Rotterdam, 2006 (1971).
Rawls, J., Political Liberalism, New York, 1993.
Rawls, J., TheLaw o/Peoples, Harvard, 1999.
Rousseau, J.J., Het maatschappelijke verdrag, of beginselen der staatsinrichting, vertaald door S. van den Braak en G. van Roermund, Amsterdam, 2002 (1762).
Scanlon, T., What We Owe to each other, Cambridge/London, 1998.
Steigleder, K., Kants Moralphilosophie. Die Selbstbezüglichkeit reiner praktischer Vernunft, StuttgartAVeimar, 2002.
Taylor, C., ‘Atomism’, in: A. Kontos (Ed.), Powers, Possessions and Freedom. Essays in Honor of C.B. Macpherson, Toronto, 1979.
Waldron, J. (ed.), Theories of Rights, Oxford, 1984.

(M. Düwell)