Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Compassie

betekenis & definitie

De betekenis van compassie is, zowel in de omgangstaal als in de literatuur, niet eenduidig. Soms wordt er medelijden mee bedoeld, als emotionele betrokkenheid op de ernstig onaangename of benarde situatie van een ander. Compassie is evenwel ruimer te definiëren als de emotionele betrokkenheid op de actuele emoties van een ander. Meestal wordt de betekenis van compassie beperkt tot betrokkenheid op ellende of anderszins iets ongunstigs bij de ander. Compassie heeft dan een ethische betekenis, en verwijst naar een moreel wenselijke of geboden betrokkenheid op de ander die gericht is op hulp, of althans verlichting van diens lijden. In die zin is compassie verwant aan ontferming, zoals die is geïmpliceerd in barmhartigheid, de onvoorwaardelijke zorg voor of hulp aan iemand in nood.

Compassie is echter ook verwant aan empathie: het vermogen zich in te leven in de emoties van een ander. Dit kunnen zowel nare of ongunstige als prettige of gunstige emoties zijn, en in deze zin is compassie dus niet beperkt tot meeleven met pijn en verdriet, maar leeft compassie evenzeer mee met vreugde. Compassie is niet: hetzelfde voelen als de ander. Iemand die compassioneel meeleeft met een persoon die verdriet heeft over een verlies is niet actueel verdrietig (het is immers niet zijn verlies), maar ‘potentieel verdrietig’. Hij beseft wat het betekent om zo’n verlies te hebben; hij kan het zich voorstellen, zich in zo’n situatie inleven. Dit is in principe van toepassing op allerlei soorten emoties: vreugde, woede, opluchting, schaamte (denk aan plaatsvervangende schaamte), enzovoort. In deze opvatting is compassie verwant met empathie. Met empathie wordt echter meestal meer bedoeld dan emotionele betrokkenheid alleen. Empathie verwijst behalve naar emotionele betrokkenheid ook naar een houding (geduldig luisteren, iemand aankijken) en in professionele contexten zelfs naar ‘technieken’ van begeleiding (aandacht, expliciterend teruggeven, confronteren, evoceren).

Historische ontwikkeling
In haar ethische betekenis is compassie in de geschiedenis van het Westerse denken zeer wisselend gewaardeerd. In de Oudheid bant Plato het medelijden uit zijn ideale staat, evenals de dichters en tragici die zulks opwekken. Het zou de jeugd maar verwekelijken en bederven (De staat 387d, 415c, 605c; Apologie 34c-35c). Ook de Stoa is negatief, zo bijvoorbeeld Zeno: aangedaan worden door compassie doet afbreuk aan het ethische ideaal van autarkeia en ataraksia (onverstoorbaarheid, gemoedsrust), wat een ideaal van verstandelijke beheersing is. Aristoteles is in zijn ethiek veel genuanceerder. Wanneer verdient iemand medelijden, en wanneer niet? En welke mate van medelijden is in een bepaalde situatie gepast? Dat zijn bij Aristoteles de vragen. Iemand die door het noodlot, of anderszins buiten zijn schuld, door iets ergs is getroffen verdient gepast medelijden, iemand die door eigen toedoen in het ongeluk is geraakt niet (Retorica II 1385bl0-1386bl0).

Naast klassiek-Griekse heeft compassie ook bijbelse wortels. In het verhaal van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10: 25-37) verbindt Jezus compassie in de zin van ontferming en barmhartigheid met het oudtestamentische gebod van naastenliefde. Het is dan ook niet verbazend dat in de sterk door het christendom bepaalde middeleeuwse filosofie compassie hoog gewaardeerd wordt, als deugdbevorderend (Augustinus CD IX,5) of als deugd zelf (Thomas van Aquino, Sth 2a2ae, 30). In de renaissancefilosofie is compassie geen groot thema. In de moderne filosofie echter wordt compassie nu eens afgewezen als slecht, nutteloos en zwak (Spinoza Ethica III def 18, IV stl. 50) of als ordeverstorend (Hobbes, De homine 12), dan weer positief gewaardeerd als basis van de natuurlijke goedheid van de mens (Rousseau Discours, Emile IV). Zo ook in de Engelse en Schotse gevoelsethiek (Shaftesbury, Hutcheson, Hume en Smith), waar compassie beschouwd wordt als oorspronkelijk en natuurlijk affect, dat verheffend en verheugend is, als liefderijk instinct en als universeel gevoel van sympathie.

In de negentiende eeuw staat Schopenhauer, voor wie compassie het fundament van de ethiek is, tegenover Nietzsche, voor wie compassie de moraal juist vernietigt. Compassie duidt op zwakte en verval. Ze is een besmettelijk depressieve neiging die alles wat de mens verheft en waardevol maakt frustreert; ze koestert en vermenigvuldigt ellende in plaats van deze te bestrijden. God zelf is aan zijn medelijden met de mensheid gestorven, aldus Nietzsche. In de twintigste eeuw werkt Nietzsche, in het algemeen gesproken, veel sterker door dan Schopenhauer en heeft compassie doorgaans een slechte reputatie. Uitzonderingen zijn Scheler en Buber, voor wie compassie individualiteitoverstijgend is en op liefde berust. In het merendeel van de hedendaagse ethiek, en ook in ons alledaagse zelfverstaan, geldt compassie als iets dat afbreuk doet aan onze waardigheid; als iets kleinerends, zowel voor degene die het heeft als voor degene die het betreft. ‘Ik wil geen medelijden’, zegt een slachtoffer tegenwoordig, ‘ik wil mijn recht, ik wil erkenning!’. Compassie lijkt niet goed te rijmen met de in het tegenwoordige mens- en zelfbeeld belangrijke waarden als autonomie en zelfrespect.

Behalve filosofisch-ethische heeft compassie ook belangrijke levensbeschouwelijke betekenissen. Het christelijke deugdkarakter is boven reeds genoemd. Ook in de joodse talmoed discussiëren de rabbijnen over rachamiem (Hebreeuws voor compassie). Zowel in joodse als in christelijke gebeden wordt God dikwijls als erbarmend en medelijdend aangesproken; compassie is de wijze waarop men hoopt dat God verschijnt. Overigens is in de christelijke theologie de passibilitas Dei - de gevoeligheid van God voor het lijden van de mens - een omstreden kwestie, die samenhangt met de al dan niet lichamelijkheid van God. Ook in niet-Westerse levensbeschouwingen speelt compassie een rol. Zo is in het boeddhisme compassie het deelhebben aan het lijden van de ander, om dit verlichten. Tegelijkertijd overstijgt men in compassie de individualiteit, die in het boeddhisme gezien wordt als bron van alle kwaad en lijden.

Compassie is, tenslotte, volgens sommige ethologen/biologen (onder andere De Waal 1996) iets natuurlijks, dat ook bij andere zoogdieren voorkomt zoals mensapen, olifanten en walvissen, in het bijzonder - maar niet uitsluitend - tussen moeder en kind. In dit verband is het zijdelings interessant dat rachamiem taalkundig verwant is aan rechem, wat in het Hebreeuws ‘baarmoeder’ betekent. Rachamiem kan als meervoudsvorm van rechem ook ‘ingewanden’ betekenen. De plaats waar compassie gevoeld wordt?

Literatuur
Augustinus, De stad van God (De Civitate Dei, CD), vertaald door G. Wijdeveld, Amsterdam, 1983.
Aristoteles, Retorica, vertaald door M. Huys, Groningen, 2004.
Blum, L., ‘Compassion’, in: A. Rorty, (ed), Explaining Emotions, Berkeley, 1980, pp. 507-517.
Brugmans, E., Morde sensibiliteit: over de moraalfilosofie van Adam Smith, Tilburg, 1989.
Duyndam, J., Denken, passie en compassie: tijdreizen naar gemeenschap, Kampen, 1997.
Hobbes, De homine. in: Man and Citizen, Thomas Hobbes’ De homine, Indianapolis, 1991 (1657).
Marx, W., Ethos und Lebenswelt: Mitleidenkönnen als Maß, Hamburg, 1986.
Nussbaum, M., 'Pity and Mercy: Nietzsche’s Stoicism’, in: R.L. Schacht, (ed.), Nietzsche, Genealogy, Morality: Essays on Nietzsche’s ‘Genealogy of Morals’, Berkeley, 1994, pp. 139-167.
Nussbaum, M., ‘Compassion: the Basic Social Emotion’, Social Philosophy and Policy, vol. 3,1996, pp. 27-58.
Plato, ‘De Staat’, ‘Apologie’ in: Verzameld werk, vertaald door X. de Win, Baarn, 1999.
Rinpoche, S., ‘Mededogen: het wensvervullende juweel’, in: idem, Het Tibetaanse Boek van Leven en Sterven, Utrecht, 1998, pp. 178-197.
Ritter, J., K. Gründer (Hrsg.), ‘Mitleid’, in: Historisches Wörterbuch der Philosophie, B 5: L-Mn., Darmstadt, 1980.
Rorty, R., Contingentie, ironie en solidariteit, vertaald door K. Vuyk, Kampen, 1992 (1989).
Rousseau, J.J. Vertoog over de ongelijkheid, vertaald door W.Uitterhoeve, Amsterdam, 2006 (1755).
Rousseau, J.J., Emile of over de opvoeding, vertaald door A. Brassinga, Amsterdam, 1989 (1762).
Spinoza, B. de, Ethica, vertaald door H. Krop, Amsterdam, 2004.
Strasser, S., Das Gemüt: Grundgedanken zu einer phanomenologischen Philosophie und Theorie des menschlichen Gefühlslebens, Freiburg, 1956.
Thomas van Aquino, Summa Theologiae (STh), Latin text and English translation, Londen, 1964-1976.
Tudor, S. Compassion and Remorse. Acknowledging the suffering Other. Leuven, 2001.
Waal, P van, Van nature goed: Over de oorsprong van goed en kwaad in mensen en andere dieren, Amsterdam, 1996.

(J. Duyndam)