Categorische imperatief betekenis & definitie

In het begrip ‘categorische imperatief’ vat Kant het gebod van de moraal samen. Het volgt uit het inzicht dat de morele wet algemeen verplichtend is en ten koste van neigingen en belangen moet worden nagevolgd. In de onvoorwaardelijkheid van die eis komt het wezen van het morele handelen aan het licht. De verhouding van de mens tot de morele orde is volgens Kant bepaald door de ervaring dat enerzijds de intelligibele wereld van de rede en van het zuivere willen radicaal verschilt van de zintuiglijke wereld van de verschijnselen, maar dat die werelden anderzijds niet van elkaar te scheiden zijn. Het is de opgave van de vrijheid de beide werelden met elkaar te verbinden.

‘Een wereld die met alle zedelijke wetten zou overeenkomen (zoals ze dat volgens de vrijheid van de redelijke wezens kan doen, en volgens noodzakelijke wetten van de zedelijkheid ook moet doen), noem ik een morele wereld. Die wereld wordt louter als intelligibele wereld gedacht, voorzover we daarin abstraheren van alle voorwaarden (doeleinden) en zelfs van alle hindernissen voor de moraliteit (zwakte en onzuiverheid van de menselijke natuur). In zoverre is ze niets dan een idee, maar toch een praktische idee, die werkelijk haar invloed op de zintuiglijke wereld moet en kan hebben, om haar zoveel mogelijk met die idee te laten overeenkomen.’ (KrV A808/B836).

De opgave tot de verbinding tussen beide werelden komt tot uitdrukking in de categorische imperatief, die ons verplicht het handelen volledig onder de wet van de rede te plaatsen.

De categorische imperatief onderscheidt zich van hypothetische imperatieven, die alleen onder bepaalde voorwaarden gelden, bijvoorbeeld in de zin dat dit en dat moet worden gedaan of nagelaten als bepaalde doelen dienen te worden bereikt. De categorische imperatief wordt gekenmerkt door de onvoorwaardelijke noodzakelijkheid van het morele moeten, en is daarmee een principe dat apodictisch en apriori geldt. Hij schrijft geen bepaalde inhoud voor (doe dit of dat), maar formuleert het formele principe van de moraal, zoals dat in de waarde van de mens als een redelijk wezen geworteld is. De wil moet bepaald worden door dat principe, om (moreel) goed te zijn. De wet van de rede wordt als verplichting ervaren omdat de mens niet zuiver redelijk is. Moreel handelen wordt gemotiveerd door die plicht. Deze verplichting betekent geen heteronomie, maar autonomie, omdat de mens door haar als redelijk wezen zich zelf bepaalt. De categorische imperatief vormt zo de plaats waar ‘vrijheid en onvoorwaardelijke praktische wet wederzijds naar elkaar verwijzen’ (KpV p. 29).

Verschillende formuleringen
De door Kant gebruikte formuleringen van de categorische imperatief knopen aan bij de ervaring en strekken zich uit van het streven een gelukkig mens te worden tot het verlangen als persoon te worden erkend. Maar tegelijkertijd dragen ze het stempel van de rede die ook in deze ervaringen tot uitdrukking komt. Zo lezen we bijvoorbeeld in de KrV (A808v/B836v) ‘Doe dat waardoor je het waardig wordt gelukkig te zijn’. De gedachte van een algemene wet (als uitdrukking van de rede) wordt daarin weliswaar niet expliciet genoemd, maar is wel meegedacht. In de KpV is die wetsgedachte duidelijker: ‘Handel zo dat de maxime van je wil altijd ook als principe van een algemene wet kan gelden’ (KpV p. 30) In de GMS is ze het meest uitgewerkt:

‘Dus is er maar een enkele categorische imperatief, en wel deze: handel alleen volgens die maxime waardoor je tegelijkertijd kunt willen dat zij een algemene wet wordt. Wanneer nu alle imperatieven van de plicht uit deze ene imperatief als hun principe afgeleid kunnen worden, dan zullen wij toch tenminste kunnen aangeven wat wij erdoor denken en wat dit begrip wil zeggen, ook al laten wij het onbeslist of niet dat wat men plicht noemt, eigenlijk een leeg begrip is. Omdat de algemeenheid van de wet, op grond waarvan effecten plaatsvinden, datgene constitueert wat eigenlijk natuur in de meest algemene zin (wat de vorm betreft) genoemd wordt, dat wil zeggen: het bestaan van de dingen voor zover het door algemene wetten bepaald is, zou de algemene imperatief van de plicht ook zo kunnen luiden: handel zo alsof de maxime van jouw handeling door jouw wil tot ALGEMENE NATUURWET moest worden.' (vert. GMS p. 74).

Uiteindelijk komt Kant op grond van het ‘principe’ dat ‘de redelijke natuur als doel op zichzelf [bestaat]’ en omdat immers de morele wet ons slechts tot redelijkheid verplicht en de redelijkheid in elke mens dezelfde is, tot de volgende formulering: 'Handel zo dat jij het menszijn, zowel in eigen persoon als in de persoon van ieder ander altijd tegelijk als doel, nooit louter als middel gebruikt.’ (vert. GMS p. 84).

Kritiek
De kern van de categorische imperatief bestaat in de overtuiging dat zuivere rede (de redelijkheid in ons, los van bepaalde, altijd tijd- en cultuurgebonden inhouden) als zodanig altijd al praktisch is, dat wil zeggen: een verplichting impliceert. Of de categorische imperatief daarmee ook een geschikt principe is om de wereld van het morele te verwerkelijken in de wereld van de verschijnselen, blijft de vraag. De beantwoording van die vraag hangt af van bepaalde vooronderstellingen: in de mate dat we moraal identificeren met universele principes, zal zij beter kunnen worden samengevat in een categorische imperatief. Daarom heeft hij bijvoorbeeld een nauwe verwantschap met het principe van de (universele) mensenrechten. In de mate waarin we echter meer nadruk leggen op het verlangen naar geluk en vooral op de geleidelijke en experimentele ontdekking en verwerkelijking van waarden in veranderende omstandigheden, zal de categorische imperatief eerder als inadequaat worden bekritiseerd. Hegel bekritiseert deze kern van de kantiaanse moraalfilosofie daarom als een leeg formalisme, en Nietzsche ontmaskert hem als de versluiering van een welbepaalde (contingente) cultuur en levenskwaliteit.

Het is van belang dat de categorische imperatief weliswaar naleving van de morele wet eist, maar niet positief uitspreekt wat er moet worden gedaan. De imperatief geeft slechts aan binnen welke grenzen er gehandeld kan worden en wat in elk geval moet worden nagelaten. Daardoor is hij beperkt, maar binnen die beperking van groot belang. De eigenlijke betekenis van de categorische imperatief ligt dus niet in de aanwijzingen voor het handelen die hij zou geven (hoewel de formulering dat ten onrechte wel suggereert), maar (zoals Georg Simmel heeft aangetoond) in het heuristische en tegelijk kritische potentieel dat hij biedt. Hij stelt ons in staat tot een kritisch onderzoek van de morele orde die we aantreffen, en van de morele kwaliteit van ons eigen handelen.

Literatuur
Kant, I., Fundering voor de metafysica van de zeden (GMS), vertaald door T. Mertens, Amsterdam, 1997 (1785).
Kant, I., Kritiek van de praktische rede (KpV), vertaald door J. Veenbaas en W.Visser, Amsterdam, 2006 (1788).
Kant, I., Kritiek van de zuivere rede (KrV), vertaald door J. Veenbaas en W.Visser, Amsterdam, 2004 (1781).

(W Dupré)