Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Agressiviteit / Agressie

betekenis & definitie

'Agressiviteit’ betekent in het algemeen de latente bereidheid van individuen of collectieve subjecten om andere mensen, dieren of levenloze objecten fysiek of symbolisch aan te vallen, hen te beschadigen en eventueel te vernietigen. Onder ‘agressie’ wordt het reële, uit de agressieve dispositie resulterende aanvalsgedrag verstaan (diverse definitievoorstellen zijn te vinden bij Berger 1983, pp. 46-48). Een uitzondering wordt gevormd door de zogenoemde ‘autoagressie’, waarbij het schade berokkenende gedrag tegen de agressor zelf is gericht. Omdat agressiviteit als interne bereidheid zich in de regel slechts ex post vast laat stellen, dat wil zeggen nadat het agressieve gedrag reeds manifest is geworden, zijn de begrippen ‘agressie’ en ‘agressiviteit’ weliswaar analytisch van elkaar af te zonderen, maar in een omvattende fenomeenbeschrijving niet altijd zinvol van elkaar te scheiden.

Belangrijkste verklaringsmodellen
Van oudsher zijn gewelddadigheden en agressieve gedragingen een onderwerp van mythische, historische of kunstzinnige uitbeelding geweest. Des te verbazingwekkender is het dat de wetenschappelijke bestudering van menselijke agressie pas aan het begin van de twintigste eeuw een aanvang nam. Met behulp van diverse modellen is vanaf dat moment geprobeerd de organische, psychische, sociale en situationele ontstaansvoorwaarden van agressie te verhelderen en de rijkdom aan verschijningsvormen te systematiseren. Tot centraal onderwerp van onderzoek werd vanzelfsprekend ook spoedig de vraag hoe het destructieve agressiepotentieel te ontmantelen of althans in minder schadelijke vormen te transformeren zou zijn (vergelijk Heinemann 1996; Nolting 1997).

(a) In een eerste poging tot verklaring worden agressieve gedragingen tot een energetische drift herleid. Naast de wenken van Alfred Adler dient hier in het bijzonder het denken van Sigmund Freud te worden genoemd, die onder invloed van de Eerste Wereldoorlog zijn monistische driftenleer sterk modificeert en de doodsdrift nu tegenover de lustdrift plaatst (eros en thanatos). De agressiedrift beschouwt hij daarbij als een naar buiten gericht derivaat van de doodsdrift, om welke reden volgens deze voorstelling autoagressief gedrag als oorspronkelijker moet worden gedacht dan de agressie die tegen anderen is gericht. Hoewel bijna alle psychoanalytici en sociaalpsychologen kennis nemen van de aanzet van Freud, was slechts een enkeling bereid hem werkelijk te volgen. De meesten bestrijden het bestaan van de doodsdrift principieel (Berkowitz 1962) of beoordelen haar niet als de oorzaak van agressieve disposities en gedragswijzen (Mitscherlich 1980).
(b) Vanwege de als geheel ontoereikende verklaringscapaciteit van het driftmodel is vervolgens de zogeheten frustratie-agressie-hypothese ontwikkeld welke zich in sterke mate baseert op experimenteel onderzoek (Dollard 1967). Volgens de oorspronkelijke these zijn frustraties daarbij als noodzakelijke en toereikende voorwaarden op te vatten, waarbij de agressieve gedragswijze een louterend effect wordt toegeschreven. Hoewel die monocausale opvatting zich uiteindelijk niet heeft kunnen handhaven, blijft er toch iets te zeggen voor de veronderstelling dat frustratie - in de ruimste zin van het woord opgevat in termen van sociale en omgevingsvoorwaarden die de drift belemmeren - een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van agressie (Geen 1990).
(c) Ondanks belangwekkende verdere ontwikkelingen van bepaalde onderdelen hechten de drifttheorie en de klassieke frustratie-agressie-hypothese te veel belang aan de intrapsychische zijde van de agressiegenese, terwijl ze bovendien relatief starre mechanismen veronderstellen. Daarentegen verwijzen leertheoretische (vergelijk Bandura 1979) en sociaaltheoretische agressiemodellen (vergelijk Tedeschi en Felson 1994) op de immense betekenis van intersubjectieve ervarings- en socialisatieprocessen alsmede op de invloed van normatieve gegevens en sociale rollen. Daarbij stelt men onder andere dat agressief gedrag bijvoorbeeld door imiterend leren kan worden verworven en - als het succesvol blijkt - door versterking en bestendiging gestabiliseerd kan worden. Een voordeel van de sociaal- en leertheoretische verklaringsmodellen is, dat ze beter in staat zijn wezenlijke aspecten van collectieve agressie te doorgronden.
(d) In zekere zin is het instinkttheoretische agressiemodel (vergelijk Lorenz 1985) als een verdere ontwikkeling van de psychoanalytische driftthese te begrijpen (vergelijk Fromm 1980). In tegenstelling tot Freuds destructieve doodsdrift wordt het agressieve gedrag hier echter eenduidig functioneel, namelijk als intraspecifiek selectievoordeel geïnterpreteerd. Agressieve handelingen dienen volgens dat standpunt voor de verdediging van het leefgebied en ter bescherming van het nageslacht. Volgens Lorenz is elke vorm van agressiviteit te danken aan aangeboren aandriften, die van tijd tot tijd in directe of gesublimeerde vorm moeten worden bevredigd. Omdat agressieve handelingen met een beroep op deze theorie al te makkelijk gerechtvaardigd kunnen worden, gaf deze theorie aanleiding tot hevig verzet.
(e) Intussen is het agressie-onderzoek ver van het standpunt verwijderd dat menselijke agressiviteit terug te voeren moet zijn op één enkele oorzaak om begrijpelijk en praktisch beheersbaar te kunnen zijn. Multifactor-procesmodellen bieden momenteel veelbelovende alternatieven en zullen ook in de toekomst waarschijnlijk het theoretisch kader vormen voor de meeste onderzoeksactiviteiten (vergelijk Bierhoff en Wagner 1998).

De multidimensionaliteit van agressie
Naast de openheid voor een reeks genetische modellen laten de hierboven aangevoerde bepalingen ook ruimte voor verschillende explicatiemogelijkheden. Er zijn in elk geval diverse extensiteits-, intensiteits- en subtiliteitsgraden van het agressiefenomeen te onderscheiden.
Wat de extensiteit betreft reikt het mogelijke continuüm vanaf het micro-niveau, waar zich gewelddadige confrontaties tussen enkelingen afspelen (bijvoorbeeld seksueel geweld), via agressief groepsgedrag op meso-niveau (bijvoorbeeld hooliganisme, zie Pilz 1988; of rechts-extremistisch geweld, zie Frindte 1995), tot het macroniveau waarbij de actoren grotere collectieven zoals staten of zelfs bondgenootschappen kunnen zijn. Met het oog op de intensiteit laat zich een spectrum van eenvoudige verbale agressie tot volkerenmoord of genocide vaststellen. En tot slot kan zich de subtiliteit van agressief gedrag tussen openlijk uitgevochten gewelddadigheden enerzijds en verborgen, maar daarom niet minder agressieve manipulatiepogingen anderzijds bewegen.

Wijst men in een driedimensionaal coördinatensysteem aan de parameters extensiteit, intensiteit en subtiliteit een as toe, dan zijn daarin alle mogelijke verschijningsvormen van agressie te plaatsen, en met het oog op hun bedreigingspotentieel te evalueren. Op basis van een dergelijke matrix is het mogelijk zowel de ethische reflectie als de specifieke indicaties voor sociale, politieke of juridische interventies beter te bepalen. Zeer extensieve en intensieve, maar weinig subtiele vormen van agressie, zoals een aanvalsoorlog, vergen andere maatregelen dan bijvoorbeeld de niet-extensieve doch desondanks zeer intensieve en subtiele psychische terreur in een relatie tussen twee mensen.

Ethische consequenties
Wordt er uitgegaan van de veronderstelling dat noch de dispositionele agressie, noch het agressieve gedrag als zodanig volkomen gedetermineerd zijn - en geen enkel serieus te nemen verklaringsmodel suggereert een dergelijke aanname - dan bestaat minstens in principe de mogelijkheid zich op een vrije manier te verhouden ten opzichte van geërfde of verworven aandriften. Mutatis mutandis geldt dat ook voor agressie op meso- of macroniveau. Daarmee valt de praktische omgang met de menselijke agressie onder de ethiek. Als normatieve instantie dient zij in de eerste plaats te vragen welke morde rechten bij slachtoffers van agressie kunnen worden geschonden en hoe deze institutioneel en adequaat zijn te beschermen. Dat aard en omvang van de op het spel staande rechten afhangen van het extensiteits-, intensiteits- en subtiliteitsniveau van de desbetreffende agressie, zal duidelijk zijn. Het ligt ook voor de hand dat er gelet op de vraag wat in concrete gevallen daadwerkelijk als agressie moet worden aangemerkt, aanzienlijke - want door belangen ingegeven - afbakenings- en definitieproblemen kunnen optreden (Nyiri 1989). Ook hier zijn het dan niet in de laatste plaats ethische overwegingen die voor verheldering moeten zorgen.

Agressie en geweld
Duidt ‘agressie’ op de (latente) bereidheid om te beschadigen of te vernietigen, ‘geweld’ is een veel problematischer begrip dat niet beperkt blijft tot de neiging anderen te schaden of leed toe te brengen. Geweld gaat gedragswetenschappelijke theorieën te buiten en is een van de kernthematieken binnen de politieke filosofie. Niettemin wordt ook gewelddadig handelen vaak geduid in termen van intentioneel schaden of ‘in belangen treffen’. Geweld wordt meestal omschreven in relatie tot druk of dwang, bijvoorbeeld ‘illegitiem gebruik van macht’. Lichamelijk schaden is paradigmatisch voor geweld, maar psychisch schaden (intimidatie; vernedering; verwaarlozing) kan niet minder gewelddadig zijn. Veel definities van geweld zien structurele vormen van geweld over het hoofd. Galtung (1969) omschrijft geweld als het ‘blokkeren van mogelijkheden tot verwerkelijking’. Er is sprake van geweld wanneer leed niet verhinderd wordt wanneer dat wel mogelijk is. Ook een zogenaamd vreedzame situatie kan dus gewelddadig zijn. Noch is een intentioneel gewelddadig optredend subject vereist. Agressie en geweld zijn niet a priori destructief of moreel problematisch. Een agressief optreden of een gewelddadige (bevrijdings)strijd kan volkomen legitiem zijn (Arendt 1969). Geweld is dus soms moreel toelaatbaar, hoewel daarvoor strikte voorwaarden worden geformuleerd (Honderich 1980). Schrijvers als Bataille en Benjamin hebben op de intrinsieke attractiviteit van agressie en geweld gewezen. In sommige marxistische kringen is herhaaldelijk de productiviteit van geweld belicht. Volgens Schinkel (2005) wordt geweld heden ten dage uitsluitend negatief opgevat. Geweld is de geseculariseerde versie van ‘kwaad’ geworden.

Literatuur
Adler, A., ‘Der Aggressions-Trieb im Leben und in der Neurose’, in: A. Adler., Heil en und Bilden. Ein Buch derErziehungskunst für Arzte und Padagogen, Frankfurt/M., 1973, pp. 53-62.
Arendt, H., On Violence, New York, 1969
Bandura, A., Agression, A Social Learning Analysis, Londen, 1973.
Berger, K., Aggression - das Böse. Analysen, Kritik und Orientierungshilfe eines existentiellen Problems, Bemeck, 1983.
Berkowitz, L., Aggression. A Social Psychological Analysis, New York/Toronto/Londen/San Francisco, 1962.
Bierhoff, H., U. Wagner, ‘Aggression. Definition, Theorie und Themen’, in: H. Bierhoff, U. Wagner, (Hrsg.), Aggression und Gewalt. Phanomene, Ursachen und Interventionen, Stuttgart, 1998, pp. 2-25.
Dollard, J., Frustration and Aggression, New Haven, 1967.
Freud, S., ‘Jenseits des Lustprinzips’, in: Gesammelte Werke, Bd. 13, Frankfurt, 1967, pp. 1-69.
Frindte, W., Jugendlicher Rechtsextremismus und Gewalt. Zwischen Mythos und Wirklichkeit, Munster, 1995.
Fromm, E., 'Anatomie der menschlichen Destruktivitat’, in: Gesamtausgabe, Bd. 7, Aggressions-theorie, Stuttgart, 1980.
Galtung, J., ‘Violence, Peace andPeace Research', The Journal of Peace Research, vol. 6 (2), 1969, pp. 167-191.
Geen, R.G., Human Aggression, Milton Keynes, 1990.
Honderich, T., ViolenceforEquality, Harmondsworth, 1980.
Lorenz, K., Das sogenannte Böse. Zur Naturgeschichte der Aggression, Wenen, 1985.
Mitscherlich, A., ‘Aggressives Verhaken beim Menschen’, in: Gesammelte Schriften, Bd. 10, Vorlesungen 2, Frankfurt/ M., 1980, pp. 348-610.
Nolting, H. -P., Lernfall Aggression -wiesie entsteht, wie sie zu vermindem ist. Ein Überblick mit Praxisschwerpunkt, Reinbek bei Hamburg, 1997.
Nyiri, N., The United Nations' Searchfor a Definitxon of Aggression, NewYork/Bern/Frankfurt/M., 1989.
Pilz, G. A., ‘Gewalt im Umfeld von Fufiballspielen - Ursachen und Möglichkeiten der Pravention’, in: Bierhoff (1998), pp. 128-144.
Schinkel, W., Aspects of violence, Rotterdam, 2005.
Tedeschi, J.T., R.B. Felson, Violence, Aggression and Coercive Actions, Washington, 1994.
Tremblay, R.E, WW Hartup.J., Archer,J. (eds.), Developmental Origins of Aggression, New York, 2005.

(C. Hübenthal)