Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Gepubliceerd op 02-08-2017

Kerkelijke goederen

betekenis & definitie

Kerkelijke goederen, materiële goederen die in eigendom van de Kerk waren, in onderscheid met de geestelijke goederen, die onder de rechtsmacht van de geestelijke overheid vielen. In de Middeleeuwen vormden de kerkgoederen de zogeheten kerkfabriek van het → kerspel (parochie).

De kerkfabriek was een stichting, waartoe het kerkgebouw met het kerkhof behoorde, evenals het vermogen dat bestemd was voor het onderhoud van de kerk en de eredienst. De kerkfabriek was een wereldlijke stichting en werd bijgevolg niet beheerst door het kanonieke, maar door het wereldlijke recht. De stichting werd beheerd door kerkmeesters, die leken waren. Naast de kerkfabriek had men in elk kerspel een pastoriefonds, een stichting waarvan de inkomsten bestemd waren voor levensonderhoud van de pastoor, en soms een kosterfonds.

In Nederland bleven de parochiale fondsen na de → Reformatie als stichtingen bestaan, maar hun inkomsten werden nu voor de Hervormde Kerk aangewend. De vermogens van stichtingen als kloosters, waarvan het doel als gevolg van de Reformatie vervallen was, werden doorgaans door de overheid in administratie genomen. Ze werden meestal tot één fonds samengesmolten; de inkomsten werden bij voorkeur bestemd voor geestelijke, culturele en sociale doeleinden. In 1808 bracht koning → Lodewijk Napoleon alle kerkelijke goederen over naar de schatkist. Vooral hervormde predikanten kregen daarna nog een rijkstoelage. Deze regeling bleef tot 1972 bestaan, toen de verplichtingen werden afgekocht omdat de grondwet volledige scheiding van Kerk en Staat eiste. Sindsdien bleef alleen de wet van 1962 bestaan, die voorziet in een overheidsbijdrage aan het oprichten van gebouwen voor bezinning van elk genootschap op geestelijke grondslag.

In België werden de kerkelijke goederen na de Franse annexatie in 1795 genationaliseerd. Als gevolg van een overeenkomst met de paus in 1801 werden kerken en pastorieën overgedragen aan de gemeenten, die ze ter beschikking dienden te stellen van de kerkelijke overheid.