Lexicon Nederland en België

Liek Mulder (1994)

Gepubliceerd op 02-08-2017

Graaf

betekenis & definitie

Graaf [Germ. grafio; Lat. comes, iudex], Frankisch ambtenaar, bestuurder van een graafschap (comitatus) of → gouw. De graaf was veelal afkomstig uit de plaatselijke adel.

Hij had een groot aantal taken in zijn ambtsgebied: namens de Koning oefende hij de rechterlijke macht uit; hij was militair opperbevelhebber; hij had de zorg voor publikatie en de naleving van → capitularia en ordonnanties en zorgde voor het innen van boeten en belastingen. De ontwikkeling van het → leenwezen vanaf de 9e eeuw veranderde de positie van de graaf. Het ambt werd in leen gegeven en zo werd deze functie allengs erfelijk. De graven werden landsheren en graaf werd een adellijke titel.

< >